Slauerhoff: vertaler voor het geld of voor de geest?    51-57

Adri Boon

Welke bron men ook raadpleegt, het overzicht van het literaire oeuvre van J.J. Slauerhoff (1898–1936) wordt steevast afgesloten met een lijstje vertaalde werken – acht in getal, in volmaakt evenwicht, qua omvang, met het proza van eigen hand:

  • Don Segundo Sombra (1926, Argentinië), Ricardo Güiraldes, 1930, met R. Schreuder uit het Spaans vertaald;
  • De misdaad van Pater Amaro (1880, Portugal), J.M. Eça de Queiróz, 1932, met R. Schreuder uit het Portugees vertaald;
  • De hof der oranjeboomen (1921, Spanje, verfilmd in 1926, regie en script: G.H. Mir), G.H. Mir, 1932, met R. Schreuder uit het Spaans vertaald;
  • Johan Maurits van Nassau (1926, Brazilië), Paulo Setúbal, 1933, met R. Schreuder uit het Portugees vertaald;
  • Dokter hoe is het mogelijk (1914, Spanje), Ramón Gómez de la Serna, 1935, uit het Spaans vertaald;
  • In de schaduw van den leider (1929, Mexico), Martín Luis Guzmán, 1937, met G.J. Geers uit het Spaans vertaald;
  • Hamlet, of De gevolgen der kinderliefde (1887), Jules Laforgue, 1962, uit het Frans vertaald;
  • Japansch prentje, De berg der gouden bloemen (1928), Thomas Raucat (uit de verhalenbundel Loin des blondes), in 1929 verschenen in Groot Nederland, in 1975 verschenen als boek onder de titel Twee verhalen, uit het Frans vertaald.

Het komt (in het Nederlandse taalgebied) niet vaak voor dat een auteur met de statuur van Slauerhoff zich zo intensief bezighoudt met het vertalen van literaire werken.

In zijn biografie over de schrijver stelt Wim Hazeu: ‘Als vertaler van proza [...] zag Slauerhoff zich uitsluitend als “broodschrijver” [...]’ (1995: 553). Immers Slauerhoff zelf had in een brief aan zijn vriend Frans Feriz verzucht dat vertalen ‘op ’t oogenblik “my bread and butter!”’1 is. Maar in een brief aan de dichteres Jo Landheer bekent Slauerhoff: ‘Ik schrijf helaas de laatste jaren vooral om te verdienen. En meer nog om de leegte van het bestaan op te vullen.’2 Dus als hij het vertalen ‘om den brode’ deed dan kennelijk ook, in elk geval vanaf een zeker moment of gedurende een bepaalde periode, het schrijven van eigen werk. Deed Slauerhoff het vertalen ‘erbij’ of maakte het wezenlijk deel uit van zijn literaire praxis, hielp het hem, evenals het scheppen van eigen werk, ‘de leegte van het bestaan op te vullen’?

Lees verder in de papieren Filter