Poes en nog eens poes?    35-40

Henri Bloemen

Sommige vertalingen vallen alleen al op door het onwaarschijnlijke feit dat ze verschijnen. Dat is met zekerheid het geval voor vertalingen van het werk van de Zwitserse auteur Robert Walser (1878–1956). Niet dat het werk van Walser niet de moeite waard zou zijn, integendeel, hij behoort tot de groten van de modern(istisch)e literatuur en wel met dezelfde hoeveelheid deugdelijke redenen als hij zelf zou aandragen (en ook in zijn hele werk aangedragen heeft) om dat tegen te spreken. Want ook al behoort Walser intussen in zekere zin tot de canon, in termen van verkoopsucces behoorde hij niet tot de groten, en dat gebrek aan commercieel gewicht plant zich blijkbaar voort op zijn vertalingen. Die eigenaardige toestand rond Walser – een groot schrijver, maar door nauwelijks iemand gelezen – heeft in hoge mate te maken met de aard van zijn ‘schrijverij’, zoals hij het misschien zelf in het Nederlands zou uitdrukken.

Geen enkele andere schrijver heeft in dezelfde mate als Walser de imponderabiliteit van het schrijven, de quasigewichtloosheid, vergeefsheid en nietsbetekenendheid ervan niet zozeer onder woorden gebracht als wel in het schrijven getoond, geënsceneerd, ‘dargestellt’ zeggen ze in het Duits. Dat is zwaarwegend en bijna een recept voor mislukking in een wereld die erop uit is zich in klinkende bewoordingen de waarheid over zichzelf te laten zeggen door diegenen die verondersteld worden dat te kunnen en ook te doen: schrijvers. Uiteraard leven Walsers lichtgewichtige lievelingsfiguren – wandelaars, bankbedienden, nietsnutten, schrijvers, vrouwen – dat bijna-niets van hun existentie ook voor. Walser stelt ze ons kleurrijk en sympathiek voor ogen, maar wie voorbij de flinterdunne verhaalstof kijkt, ziet dat het hem daarbij vooral om het schrijven zelf, telkens weer het schrijven zelf ging. Die ‘schrijverij’ wordt bij hem een theatrale schrijf-act, maar het is een theatraliteit van een uiterst bescheiden, nauwelijks waarneembare allure. Door die bescheidenheid en door het feit dat Walser die thematisering van het schrijven voortdurend weer op zelfironische wijze met het sprookjesachtig-lichtvoetige ‘leven’ van zijn figuren verbindt, ontlopen zijn teksten de zelfreflexieve val van het modernisme en worden ze nooit vervelend.

Lees verder in de papieren Filter