Vertaaldag  Archief

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

De vertaler en zijn jas

Over schrijven, vertalen en Honderd jaar eenzaamheid

Mariolein Sabarte Belacortu

Naar aanleiding van de recensie van Maarten Steenmeijer in de Volkskrant over de nieuwe vertaling van Honderd jaar eenzaamheid door ondergetekende.

‘Vertalers zijn toch eigenlijk ook schrijvers,’ zegt Maarten Steenmeijer in zijn recensie, ‘waarom zouden hun teksten dan sneller slijten dan wat 'echte' schrijvers op papier zetten?’ Hij hoopt dan ook dat de uitgeverij de ‘oude’ vertaling van C.A.G van den Broek niet uit de catalogus zal schrappen, een vrome, doch naïeve wens.

Maar de vraag is dus: zijn vertalers eigenlijk schrijvers? Ik waag dat te betwijfelen. De arbeid of inspanning van een vertaler is wezenlijk anders dan die van een schrijver. Als de vertaler ’s ochtends aan zijn werktafel gaat zitten, ligt er een boek met daarin een afgerond verhaal op hem te wachten. Als de auteur zich aan zijn bureau zet, wacht hem de taak blanco bladzijden te vullen, die zich bij het reeds geschrevene moeten voegen. De vertaler reconstrueert een in een ‘vreemde’ taal geschreven verhaal in zijn eigen taal, maar de schrijver heeft het verzonnen, en daarin schuilt het grote verschil. 

Al moet ook een vertaler zijn woorden zoeken en kiezen, passen en meten, een bezigheid waardoor hij nog te vergelijken is met een schrijver, hij wordt gestuurd door het ‘oerverhaal’ van de auteur, die voor alles verantwoordelijk is, van de plot tot en met de toon. En daar heeft de vertaler voor honderd procent rekening mee te houden: hij is de (gelukkige of ongelukkige) gevangene van die plot en die toon, geleverd door de auteur. 

17.25_illustratie1De nieuwe vertaling van Honderd jaar eenzaamheid

Anneke Brassinga zegt in een essay met de titel ‘Het ik in het vertaalproces’, in de door Poetry International uitgegeven festivalbundel van dit jaar: ‘Net als de lezer gaat ook de vertaler het huis van de tekst binnen, maar hij hangt zichzelf bij de deur aan de kapstok, hij trekt zich uit als een jas, en het enige wat hij nog bij zich heeft is alle tekst die hij ooit gelezen heeft, dat is zijn corpus, zijn tekst-ik.’

Zelf heb ik het vertalen al eens vergeleken met het dansen van de gecompliceerde Argentijnse tango. Het danspaar bestaat uit de auteur, het boek en de vreemde taal die leiden, en de vertaler, die zachtjes doch beslist wordt gedwongen te volgen. 

Of hij nu is opgehangen aan de kapstok of gesmoord in de armen van de tangodansende auteur, toch heeft de vertaler een imposante taak. Ik kan het niet laten opnieuw Brassinga te citeren, omdat zij het zo mooi verwoordt: ‘De vertaler vervult een eredienst aan de voleindiging van een taal die ooit bij de bouw van de toren van Babel uiteenviel, en ooit hersteld moet worden, in een onophoudelijk proces van synthese tussen bijvoorbeeld de woorden ‘Brot’ en ‘pain’, die in hun afgescheidenheid naar één iets verwijzen: dat wat wij dagelijks eten, en waarvoor in talloze talen talloze woorden zijn ontstaan. De vertaler werkt mee aan de verzoening tussen de talen, tussen de vreemden die mensen in hun onverstaanbaarheid voor elkaar zijn geworden.’ Werken aan de verzoening tussen de talen: vertalers als verzoeners en geen ruziezoekers! 

17.25_illustratie2
Gabriel García Márquez

Een van de naar mijn idee belangrijkste eigenschappen van een vertaler is dat hij over een groot voorstellingsvermogen moet beschikken, maar ook over durf. In mijn vertaling van Honderd jaar eenzaamheid heb ik de auteur zonder enig gewetensbezwaar gevolgd in zijn taalgrollen. Márquez verspaanst een Frans woord, tarabiscoté (dat betekent: met veel tierelantijnen, toegetakeld, opgedirkt), en maakt er vrolijk tarabiscoteada van, waarvan ik weer ‘getarabiskoteerd’ heb gebrouwen. (Achteraf gezien had ik het misschien met een c moeten schrijven in plaats van met een k.) Verder komt de lezer in het boek enkele hem in zekere mate onbekende termen tegen, ‘grielen’, ‘wezelen’ en ‘ontwezeld’. Ook in deze gevallen volg ik de leider: de auteur maakt een werkwoord van de vogel alcaraván (griel), en ook de wezel wordt tot werkwoord. Het woord ‘midderdag’ heb ik zelf verzonnen en is eigenlijk een regelrechte omzetting van het Spaanse mediodía. Ik kwam op het idee doordat ik El príncipe del mediodía moest vertalen. ‘De prins van het middaguur’, of ‘de prins van de noen’ vond ik te raar en te stijf, en naar analogie van ‘middernacht’ heb ik het toen gewaagd de midderdag in te voeren. 

Vertalers zijn onontbeerlijk voor auteurs. Ze moeten in één adem met hen worden genoemd en het is verwerpelijk als hun naam niet wordt vermeld. Ze zijn ook onontbeerlijk voor lezers die geïnteresseerd zijn in literatuur uit het ‘buitenland’, maar niet de betreffende taal beheersen. Desalniettemin is er een groot verschil in waardering tussen de benaming ‘vertaler’ en ‘schrijver’. Zou dat de achterliggende reden zijn dat onder meer Maarten Steenmeijer zijn toevlucht neemt tot de kunstgreep om een vertaler een schrijver te noemen? 

 

Mariolein Sabarte Belacortu (1944) is sinds 1969 werkzaam als literair vertaler van vooral Latijns-Amerikaanse literatuur, zowel proza als poëzie. Ze is medewerker van de Vertalersvakschool in Amsterdam en werd bekroond met de Vertalersprijs van het Nederlands Letterenfonds.