Vertaaldag  Archief

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

'Ik ben Goddank helemaal niks'

De uitvreter vertaald

Christiane Kuby

Gisteren kwam ik op hetzelfde moment thuis als mijn buren met wie ik altijd graag een praatje maak. Ik zag dat ze heel erg in het zwart waren, en vroeg of het iets betekende. Ja, zei mijn buurvrouw, terwijl haar man zo snel mogelijk naar binnen verdween, we komen van de begrafenis van de beste vriend van mijn vader. Ze was erg verdrietig, hij had immers deel uitgemaakt van haar jeugd. Was hij ziek, vroeg ik. ‘Nee, eigenlijk niet, maar hij was op. Hij was echt oud en op, en heeft er zelf voor gekozen.’ Hoe, vroeg ik door, omdat ik aanvoelde dat ze best meer kwijt wilde. ‘Hij stopte met eten en drinken. Ja, het is eigenlijk heel soepel gegaan, hij heeft zich laten versterven.’ Bij dat laatste woord veerde ik op, ‘versterven’, zo’n mooi Hollands woord, ik kende het vooral uit De uitvreter van Nescio en herinnerde me hoe onvertaalbaar het mijn co-vertaler en mij leek, toen we vorig jaar aan de vertaling van de verhalen werkten. 

Ik zoek het weer even op. Het staat aan het begin van De uitvreter, Bavink komt Japi op de boot tussen Numansdorp en de Zijpe tegen, nadat hij hem eerder in Veere heeft zien rondhangen. ‘Wat zou dat toch voor een kerel wezen?’, denkt hij bij zichzelf, en vraagt hem vervolgens of hij soms schildert: ‘“Nee, Goddank”, zei Japi, “en ik dicht ook niet en ik ben geen natuurvriend en geen anarchist. Ik ben Goddank helemaal niks.”’ Na een tijdje te hebben gezwegen en alleen maar naar de woelige zee te hebben gekeken, herhaalt Japi nog eens wat hij net heeft gezegd: ‘“Nee”, zei Japi, “ik ben niks en ik doe niks. Eigenlijk doe ik nog veel te veel. Ik ben bezig te versterven.”’ Om er meteen aan toe te voegen: ‘“Het beste is dat ik maar stil zit, bewegen en denken is goed voor domme mensen. Ik denk ook niet. ’t Is jammer dat ik eten en slapen moet. Liefst zou ik dag en nacht blijven doorzitten.”’ 

Lijkt dit niet een ander soort ‘versterven’ dan dat waar mijn buurvrouw het over had? Kennelijk blijft Japi wel eten, en bedoelt hij dus niet dat hij echt dood wil. Als hij niet doelt op lichamelijk versterven, op wat dan wel?

17.44_illustratie1

Nescio in 1917

Bij de etymologiebank op internet vind ik: ‘versterven; versterving, eufemistisch voor ‘een zachte dood sterven’; gezegd van een hoogbejaarde of zieke die langzaam wegglijdt uit het leven doordat hij weigert te eten en te drinken, of doordat hij geen eten en drinken meer krijgt.’ Een katholieke site formuleert het zo: ‘versterven: Het zich ontzeggen van – dus sterven aan (sic!) – materiële of geestelijke genoegens om tot grotere geestelijke zelfbeheersing en inkeer te komen.’ 

Aangezien Japi wel blijft eten (en drinken vermoedelijk), kan het hem alleen maar gaan om een soort geestelijke inkeer; we zouden nu misschien zeggen dat hij ‘zen’ wil worden. Hij vindt het immers ook jammer dat hij slaap nodig heeft, bewegen en denken wil hij liefst ook niet, alleen maar zitten – en ja wat? Kijken mag nog wel, hij maakt Bavink bijvoorbeeld attent op een regenboog in het water, maar waarnaar hij streeft is misschien wel een staat van geestelijke leegte waarin zijn individuele ik verdwijnt en hij zichzelf alleen nog waarneemt als onderdeel van de kosmos. Iets wat misschien lijkt op wat hindoes yoga noemen.

Maar hoe geef je dat weer in een andere taal, net zo speels en net zo geestig als Nescio?

De Grote Van Dale Nederlands-Duits geeft voor ‘versterven’: 1. (teloorgaan): ‘erlöschen’ en ‘verlöschen’, en 2. (wederkerend: ascese beoefenen): ‘(sich in) Enthaltsamkeit/Askese üben’. In de eerste Duitse vertaling uit 1993 kiezen de vertalers voor het werkwoord ‘entsagen’ (voorbeeld in het Duden-woordenboek: ‘auf etw. schweren Herzens aus einer bestimmten Einsicht heraus freiwillig verzichten: den Freuden des Lebens entsagen’), wat in de richting gaat van ascese en opoffering, en, omdat ze kennelijk beseffen dat er op die manier iets verloren gaat, voegen ze een zinnetje toe: ‘Ich bin nichts und ich tu nichts. Eigentlich tue ich noch viel zu viel. Ich habe das Leben satt. Ich bin dabei, zu entsagen.’ Japi is ergens misschien wel levensmoe, maar zo zwaar bedoelt hij het ook weer niet: ‘’t Is jammer dat ik eten en slapen moet. Liefst zou ik dag en nacht blijven doorzitten.’

Je krijgt de indruk dat Japi wel degelijk geniet van dat ‘doorzitten’, en als er al sprake is van levensmoeheid, dan is het met een korreltje zout. Door alleen maar te zitten en te kijken probeert hij tot de essentie van het leven door te dringen. Japi is een dromer die zich niet opgewassen voelt tegen het ‘dagelijkse leven’, werken en geld verdienen zijn niet aan hem besteed. Vandaar ook zijn bijnaam ‘uitvreter’ – altijd liever op kosten van anderen.

Wat zouden anderen hebben gedaan? De uitvreter is behalve in het Duits onder meer vertaald in het Frans, Engels, Pools, Hongaars, Slowaaks, Zweeds en Maleis; helaas kan ik slechts de eerste twee talen beoordelen.

Danielle Losman vertaalt het zo: ‘“Non”, dit Japi, “j’suis rien en j’fais rien. En vérité, j’en fais encore beaucoup trop. J’m’occupe à sêcher sur pied.”’ Sêcher sur pied is een uitdrukking die ik niet ken. Ik vind: ‘se fâner, s’ennuyer, (figuré) être dans un état violent, dans un état de souffrance, en parlant d’une personne pleine d’impatience, d’ennui ou d’inquiétude.’ Een idiomatische uitdrukking, schrijft een bevriende vertaler, in het Nederlands misschien het best weer te geven met ‘zich te pletter vervelen’. Als ik het goed begrijp, wordt hier nog meer dan in die eerdere Duitse vertaling de nadruk gelegd op de heftigheid van het lijden van iemand die zijn draai niet kan vinden. Maar is dat wel wat Nescio bedoelt? 

Damion Searls blijft in de Engelse vertaling dichter bij het origineel: ‘“No”, Japi said, “I am nothing and I do nothing. Actually I do much too much. I’m busy overcoming the body.”’

Dat klinkt geestig in mijn oren, maar het is ook best expliciet, met het woord ‘body’. To overcome is ‘overwinnen’, ja, dat is misschien wat Japi bedoelt te zeggen: ik ben bezig mijn lichaam te overwinnen. Is hij dan toch een echte asceet? Dat is nog maar de vraag, want ik blijf zitten met het feit dat hij dolgraag eet (en drinkt, zoals later uit het verhaal blijkt), alleen doet hij er niet graag moeite voor... Toch spreekt deze vertaling me aan, er zit precies het korreltje zout in dat ik in de vorige Duitse vertaling mis. 

17.44_illustratie2

Dus hoe hebben wij het gedaan?

Toen we net begonnen waren, kreeg ik een mailtje van een collega die voor de vertaling van de ALS-columns van Pieter Steinz precies deze passage uit De uitvreter nodig had. Hij vond net als ik ‘entsagen’ iets te zwak voor wat er allemaal meeklinkt in ‘versterven’: naast ascese ook de wens om te verdwijnen, om uit te doven. Hij dacht erover het te vertalen met het actievere werkwoord ‘sich abtöten’. Een blik in het woordenboek levert wat voorbeelden op: Alle Christen sind aufgerufen, unreine Gelüste in sich abzutöten, of: Durch Kochen werden die meisten Bakterien abgetötet. Allemaal wijzen ze in de richting van het verwijderen van iets wat ongewenst is, om verschillende reden. Maar iemand die bezig is zichzelf ‘abzutöten’? Dat ging ons te ver, en we vonden ook het woord ‘töten’ hier niet op zijn plaats, te actief en zelfs agressief. Uiteindelijk kozen we voor ‘verlöschen’, omdat dat zacht is en meer in de richting gaat van uitdoven, verdwijnen, overgaan in een andere toestand. Om te benadrukken dat Japi actief bezig is passief te worden, hebben we ‘ik ben bezig’ vertaald met ‘ich übe mich in’: ‘“Nein”, sagte Japi, “ich bin nichts und ich tu nichts. Eigentlich tue ich noch viel zu viel. Ich übe mich im Verlöschen.”’

Hoe zou dit in het Maleis klinken, of in het Slowaaks?

 

Bibliografie 

Nescio, Kleine Titanen, übersetzt aus dem Niederländischen von einem ‘Übersetzungsworkshop’ an der Universität Oldenburg. Bern: Ammann, 1993.

Nescio, Le pique-assiette, traduit du neerlandais par Danielle Losman. Paris: Gallimard, 2005.

Nescio, Amsterdam Stories, translated by Damion Searls. New York: New York Review Books, 2012.

Nescio, Werke, aus dem Niederländischen von Christiane Kuby und Herbert Post, Berlin: Suhrkamp, 2016.