Vertaaldag  Archief

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Download het artikel

De vertaalridder

Ton Naaijkens

Je kunt zomaar gecharmeerd raken van woorden of ineens zien hoe ze in elkaar zitten. Ik noem: kenteken. Namen kunnen aantrekkingskracht bezitten, ik noem: Rozalie Hirs. Woorden kunnen verbazen, ik noem: appongeluk. Maar daar hoorde ik pas rond de kerst voor het eerst van, toen het tot woord van het afgelopen jaar werd gebombardeerd. Ik moet dus behoorlijk afwezig zijn geweest in 2017. Taal is een wonderlijke materie, die zich telkens vernieuwt en waarmee te boetseren en te speculeren valt. Kenteken? De hele taal is een en al kenteken. En woorden lichten op als nova’s en doven weer uit, het is iets van alle tijden dat zich elk jaar herhaalt.

Behalve woorden kunnen ook hele mensen worden opgefrist of uit de vergetelheid opgediept. Dat gebeurde afgelopen jaar met een tamelijk bemiddelde ridder die aan lager wal raakte, uit wanhoop kartuizer werd, in de afzondering die bij dat kloosterleven hoort een vertaling maakte en zich vervolgens verhuurde aan het Franse leger om dan uiteindelijk als huurling te sneuvelen in de slag bij Azincourt in 1415. Het gaat om een onbekende, om ene Jan van Brederode, voor deze gelegenheid tot vertaalridder gedoopt. Zijn leven leent zich voor verfilming, bijvoorbeeld in een serie à la Floris, en dan zijn er tal van interessante afleveringen in het verschiet (bijvoorbeeld als hij zijn vrouw, die zich uit armoe eveneens moest terugtrekken in een klooster, weer uit dat klooster weet te bevrijden). Hoe de vertaaljaren in de kartuizer kluis te Zelem filmisch verbeeld kunnen worden weet ik even niet – misschien met eindeloze Vlaamse akkers en muziek die de stilte benadrukt. Maar Jan van Brederode werd al vlees en bloed in een boek, dankzij Frits van Oostrom, die in Nobel streven ook uitgebreid aandacht besteedt aan diens vertalerschap. Hij gaat in op de vertaling van een Franse adellijke handleiding, Somme le roi, vertaald als Des coninx summe (in het eerste decennium van de vijftiende eeuw): het mooie van die vertaling is dat de vertalende ridder er allerlei persoonlijke observaties aan heeft toegevoegd. De tekst wordt zo tot formidabele bron en op den duur ook een film. ‘Des coninx summe blijkt een singulier stuk werk, waarin we Jan van Brederode niet alleen gedegen leren kennen als auteur, maar zelfs als mens, op een manier die uit geen oorkonde valt op te maken,’ staat op de speciaal voor dit boek aangemaakte website te lezen.

1801 Azincourt

De slag bij Azincourt

Om de mens achter de ridder te ontdekken moest de vertaling geanalyseerd worden. Op de website is die analyse, een gedetailleerde vertaalvergelijking door Ingrid Biesheuvel, te vinden onder ‘Extra’s’. De analyse is helder en zakelijk, Van Oostrom maakte er vervolgens een boeiend verhaal van. In de analyse worden de inkortingen, toevoegingen, explicaties en overige uitbreidingen netjes op een rijtje gezet – mooi is ook de lange lijst hapaxen, die stuk voor stuk hetzelfde gevoel oproepen als ‘kenteken’, maar het ‘appgevoel’ met gemak in hun zak steken. Ingrid Biesheuvel gaat zonder pardon te werk, ze leidt niet in, maar geeft een nuchtere, nauwgezette beschrijving van alle verschuivingen, die ze ook toont. Ik geef als voorbeeld de vierde manier van onkuisheid bedrijven, de zonde van onsuverheit, die in het Oudfrans ‘d’omme a sa parente’ genoemd wordt en door Van Brederode uitgebreider en dus juridisch exacter wordt aangeduid.1

Des coninx summe – het betekent zoiets als koninklijk vademecum – bevat met name leefregels. Voor de biograaf is het boek ‘een geschenk’: ‘De tekst documenteert overvloedig Jans grote taalvaardigheid, en zijn hartstochtelijke temperament,’ aldus Van Oostrom, die bovendien spreekt van ‘een auteur die bitter was gestemd over het leven in de wereld’. In de Summe worden zaken behandeld als de zeven hoofdzonden, de ars moriendi en het onderscheid tussen goed en kwaad. Bij de zonden van de tong gaat het om ‘ijdele woorden’, iets dat we ons gezien de inzet van deze column maar eens goed moeten aantrekken. Het bijzondere is dat zoiets eenvoudigs als een vertaling vergezichten opent op een historische periode, een bron wordt van toenmalige mentaliteit en tegelijk de noeste arbeid blootlegt die het vertalen nu eenmaal inhoudt. Van Oostrom noemt het vertalen navenant ‘schrijven’, ook om te verklaren dat de vele uren monnikenwerk zo veel in Jan van Brederode losmaakten, al kent ook een doorsnee vertaler, opgesloten in zijn hedendaagse cel, ‘confrontaties met demonen, duivel en hel’. De vertaalridder werd erdoor bestookt, maar dat Jan van zijn werk ‘alleen maar sterker opgewonden is geraakt’ viel pas op te maken uit een vergelijking met het Franse origineel.

1801 Somme Le Roi Miniatuur Uit Luxehandschrift

Miniatuur uit een luxe handschrift van Somme le roi. Bron: www.nobelstreven.nl.

Het werk was ook bedoeld om aan gewetensonderzoek te doen ter voorbereiding op de biecht en het leven in het algemeen.  Het was een wijd verbreid geschrift met contemporaine vertalingen in het Italiaans, Engels en Nederlands. De vertaler stelt zich voor in het geschrift: Ic bruder Jan van Brederode, convers der Catuser orden tot Seelhem en hij licht toe niet te zijn teruggeschrokken voor het vele werk (‘heb ic mi een luttel arbeits niet laten verdrieten’). Maar nu pronk ik al te gretig met bevindingen van de biograaf, gegrepen als ik was door zijn verhaal. Van Oostrom bouwt bovendien formuleringen in over de manier waarop hij onderzoekt of  gebruikmaakt van gebrekkige of afgeleide bronnen. Dat is ook leerzaam voor de vertaalwetenschap, bijvoorbeeld als er een onderscheid wordt gemaakt tussen middeleeuwse vertalers die grondig werkten (zoals deze Jan) en vertalers die ‘simpelweg te werk gingen currente calamo, “zoals de ganzenveer loopt”, en nagenoeg werktuiglijk hun voorbeeldtekst volgden, wat ervan komen mocht’. Het is tegelijk een onderscheid van alle tijden (mijn sympathie gaat uit naar de niet-werktuiglijken).

Jan van Brederode, wiens biografie geïnspireerd is op de uitbreidingen op macroniveau in de vertaling, wordt door Van Oostrom en andere experts geprezen om zijn vertalerschap op microniveau. Maar de ridder blijft ook in de toegevoegde ontboezemingen vertaler – iemand die een aangetroffen wereld naar eer en geweten doorvertelt aan wie hem omringen. Het is vervolgens prachtig dat Van Brederode zo goed schrijft en beschikt over een zeldzaam rijke woordenschat. Waarna we weer terug zijn bij de vele spectaculaire hapaxen die in de Summe werden aangetroffen. Volgens Van Oostrom haalde Van Brederode woorden als gec-nose (gek-neus ofwel: zot), rabbelen (raaskallen)en tamdief (kruimeldief, nb niet het apparaat) uit het dagelijkse spraakgebruik op straat. Van Brederode, een ridder en kluizenaar, blijkt het ordinaire kroegwezen op en top te kennen, iets dat de mediëvist literair-historisch aanduidt als ‘vitaal realisme’. Er valt danig wat energie te putten uit het enthousiasme waarmee de biograaf en zijn medewerker het vertaalwerk analyseerden en de vertaler tot leven wekten.

 

Noot

1‘dat een misdoet mit sijnre nichten of mit sijnre suster of moeder of dochter, of des ghelijcs weder om een wijf mit horen oem of neve of broeder of vader of sone’. Ingrid Biesheuvel, Vertaling / bewerking La somms le roi – Des coninx summe, de voornaamste tendensen. Utrecht, juni/juli 2015, p. 7.

 

Literatuur

Frits van Oostrom, Nobel streven. Het onwaarschijnlijke maar waargebeurde verhaal van ridder Jan van Brederode. Amsterdam: Prometheus 2017.