Twee gedichten van Yehuda Amichai    37-43

Tamir Herzberg

Abstract: De vertaler van de Israelische dichter Amichai laat zijn vertalingen van twee gedichten voorafgaan door een korte karakterisering van de dichter en zijn aanpak van het werk.

 

Yehuda Amichai, geboren in 1924, Würzburg, Duitsland, emigreerde met zijn ouders op jonge leeftijd naar Palestina, later Israël. Hij heeft meegevochten in alle oorlogen tot 1973. Dat is een van zijn belangrijke thema’s. De andere zijn liefde (of: liefdes), zijn ouders en hun dood, vergeten en herinneren.

In Israël neemt poëzie een even belangrijke plaats in als Amichai in die poëzie. Hij hoort bij de nieuwe dichters van de nieuwe staat, een scherp contrast met de oude, met het oude, de diaspora, het Britse mandaat, de ‘klassieke’ Hebreeuwse dichters. Toch belichaamt hij zowel in zijn afkomst als in zijn poëzie tegelijk het oude en het nieuwe. Hij schrijft modem, niet gedragen, quasi achteloos, maar gebruikt veel oude, vaak bijbelse taal en citaten. Moeiteloos, zoals je in een gezellige, rommelige, keuken oud en nieuw kookgerei door elkaar gebruikt naar gelang de behoefte. Hiermee geeft hij al zijn beelden diepte, perspectief in tijd maar ook in inhoud.

Ook het geloof is gelaagd. Hij is niet gelovig, maar als jood kun je nooit echt atheïst zijn omdat de cultuur en het geloof zo volkomen met elkaar zijn verweven. Elke ontkenning is tegelijk ook een erkenning:

Onder me is niets en ook boven me geen sprankje
de hemel is mijn stoel, de aard’ mijn voetenbankje.1 

Amichai schrijft veel. Hij heeft al enige duizenden gedichten gepubliceerd. Het schrijven van gedichten is bij hem haast een soort stoelgang. Het schrijven lijkt ook bedoeld te zijn als een vorm van ontlasting, het afleggen van een last:

Al tweeëndertig jaar draag ik de eigenschappen
van mijn vader en de meeste heb ik
laten vallen langs de weg
om de last te verlichten.2

Dit leidt tot een Walt Whitman-achtige vloedgolf van poëzie, die ook, net als bij Whitman, gedeeltelijk bestaat uit ‘ik ben’-gedichten. Maar, anders dan bij Whitman, zit bij Amichai de kracht in de losse gedichten, meestal zelfs alleen in fragmenten daarvan. Ook is Amichai soms ‒ eigenlijk alleen in de liefdesgedichten ‒ een macho, maar hij is vrijwel nooit pompeus. Een kruising tussen Walt Whitman en Ma Flodder, misschien. Hij doet wat E.M. Forster aanbeveelt: ‘Only connect. Only connect the prose and the passion and both will be exalted’ (Howards End). Amichai connects. Hij bereikt lichtvoetigheid, soms humor, door zware en lichte dingen aan elkaar vast te maken en ze als gelijkwaardig te beschouwen: de ziel en een buizenstelsel, keukengerei, auto, mens, god. Toen ik in 1980 begon zijn gedichten te vertalen vroeg ik me bij sommige af of het wel gedichten waren. Er waren erbij met rijm, metrum, herkenbare eigenschappen van een gedicht. Maar andere leken stukken tekst die min of meer lukraak rondom een bepaald idee gedeponeerd waren. Forster geeft het antwoord. Het is niet de uiterlijke vorm die dit tot poëzie maakt maar de constante aanwezigheid van dwarsverbanden, zoals steegjes in een grote stad, die niet alleen een steegje zijn, maar ook de toegang tot de hele rest van de stad. En als tussen zusters is er veel gelijkenis in de wereld.

Ik heb hier twee ‘ik-ben’-gedichten vertaald, geschreven met een tussenpoos van ongeveer dertig jaar. Met de tijd is de helderheid toegenomen, er is gewicht af. In ‘Wat voor iemand’ is de grammatica overzichtelijk als in proza en toch is de bewegingsvrijheid groter. Alleen de zeggingsdrang lijkt kleiner.

Bij het vertalen van Amichai heb ik een automatisme ontwikkeld (verfoeilijk maar onvermijdelijk) bij het maken van keuzes: rijm, assonantie etc. houd ik in stand omdat er maar zo weinig van is. Ik probeer ongeveer hetzelfde ritme aan te houden, hoewel dat moeilijk is omdat het Nederlands veel meer woorden nodig heeft, gemiddeld per regel minstens een versvoet meer. Voor het woord ‘bakspatel’ moest ik een huishoudartikelenwinkel bellen. Ik noem zo’n ding zelf altijd een schuimspaan hoewel ik weet dat dat iets anders is.

Amichai zelf maakt het zijn vertalers gemakkelijk. Hij kijkt even, zegt dat het vast een prachtige vertaling is, vraagt wat de moeilijke punten waren en gaat akkoord met de oplossingen. Toen ik hem vroeg waarom hij niet, als veel andere dichters, met zijn gedichten omgaat als een jaloerse moeder met haar kinderen, zei hij dat hij zichzelf ook als een vertaler ziet. Hij vertaalt, zei hij, ideeën en gevoelens, gedachten en gebeurtenissen, in zeer gebrekkige taal, met het doel ze over te brengen. Wat een ander daarna met die woorden doet is de zaak van die ander. Woorden zijn een gemeenschappelijk bezit, anders hebben ze geen nut. Die arme beelden in grove bewoording kunnen er alleen maar beter op worden:

Als ik het hoogtepunt van mijn visioenen bereik
bevind ik mij tussen alledaagse mensen
die kinderen hebben, en werk, familiezorgen
en huiselijke rompslomp. Dat zijn mijn visioenen.
Ik ben een arme profeet.3

 

Noten
1 Uit: Een grote rust, Amsterdam: Meulenhoff 1988.
2 Uit: Aan de oever der wijde zee. Zeven Hebreeuwse dichters van nu, Amsterdam: Meulenhoff 1988.
3 Uit de bundel ‘Mens zijt gij en tot mens zult gij wederkeren’; nog niet in het Nederlands vertaald.

 

Hier

Hier, onder de vliegers die kleine kinderen oplaten
en onder de vliegers die door telefoondraden van vorig jaar
zijn vastgehouden, sta ik, en de sterke takken
van mijn stille besluiten zijn al ver van mij gegroeid
en de vogels van de kleine aarzeling
in mijn hart en de rotsen van de grote aarzeling
aan mijn voeten en mijn tweelingogen waarvan de ene
altijd bezig is en de andere verliefd, en mijn grijze broek
en mijn groene trui en mijn gezicht dat kleuren opvangt
en kleuren weerkaatst; en ik weet niet wat ik nog meer
weerkaats en opvang en uitstraal en afstoot
en hoe ik een ruilbeurs was voor heel veel dingen.
Export en import. Grensstation. Kruispunt van wegen.
Waterscheiding. Scheiding van doden. De ontmoeting, het afscheid.

En de wind gaat door de top van een boom en stopt
bij elk blaadje even; en toch,
hoe gaat hij verder zonder stil te staan
en komen wij en stoppen even om dan uit te vallen.
En als tussen twee zusters is er veel gelijkenis in de wereld:
dijbeen, schouder van een berg. Een verre gedachte
lijkt op een daad die hier is gegroeid in het vlees en de berg.
Lijkt op de cypressen, donker gebeurd op de heuvelrug.
De cirkel sluit zich. Ik ben de gesp. 

En toen ik ontdekt had dat mijn harde voorouders
van binnen zacht waren, gingen mijn voorouders dood.
En alle generaties die voor mij waren, zijn acrobaten
zij staan op elkaars rug in een circus
en meestal ben ik de onderste en staan zij
allemaal, een zware last, op mijn schouders
maar soms ben ik de bovenste, met een arm omhoog gestrekt
naar het dak: het gejuich in de arena beneden
is mijn loon en mijn vlees. 

(± 1960, uit: ‘Gedichten 1948-1962’, Jerusalem: Schocken 1986)

 

Wat voor iemand 

‘Wat ben je voor iemand,’ hoorde ik tegen me zeggen.
Ik ben een mens met een complex zielsbuizenstelsel,
geavanceerde gevoelsapparatuur en een beveiligd
herinnersysteem van het eind van de twintigste eeuw
maar met een oud lichaam uit oude tijden
en met een god nog ouder dan mijn lichaam. 

Ik ben iemand voor de begane grond;
lage plekken, grotten en putten,
schrikken mij af en toppen van bergen
en hoge huizen maken mij bang. 

Ik ben niet als een ingeprikte vork,
geen snijdend mes, geen klevende lepel,
ook niet plat en gewiekst
als een bakspatel die van onderen aan komt sluipen.
Hoogstens ben ik een zware, logge stamper
die in een vijzel goed en kwaad dooreen stampt
voor een beetje smaak en een beetje geur. 

Pijlen geven mij geen richting. Ik regel mijn zaken
zorgvuldig en in stilte
als een lang testament waaraan al geschreven werd
sinds het moment van mijn geboorte. 

Nu sta ik aan de kant van de straat,
moe, leunend op een parkeermeter.
Ik kan vrij en gratis leunen

ik ben geen auto, ik ben een mens
ik ben een mens-god, ik ben een god-mens
wiens dagen geteld zijn. Halleluja. 

(Uit: ‘Ook de vuist was eens een open hand en vingers’, Jerusalem: Schocken 1989)