Metatalige reflectie (1)    37-40

Erik  Bindervoet
Robbert-Jan Henkes

Hoe herken je een goeie vertaling? Of liever gezegd: hoe herken je of een vertaling goed is? Waaraan kun je zien dat het wel snor zit met wat je voorgeschoteld krijgt op je bordje, qua Nederlands? Deze laatste zin is dus typisch zoiets wat je nooit in een Vertaliaans verantwoorde vertaling zal tegenkomen, uit welke taal dan ook. En waarom niet? Omdat het geen equivalent in een andere taal heeft. Omdat het woordspelig is en uitdrukkingen door elkaar husselt. Omdat het rammelt aan alle kanten en in feite faliekant fout Nederlands is. Omdat het, met andere woorden, onvertaalbaar is, of in elk geval die indruk maakt. Het lijkt wel alsof het godnondedju oorspronkelijk werk is! In de landstaal geschreven! En of het nu voorzichtigheid is of een overdosis respect of angst of fantasieloosheid of simpele bescheidenheid (de deugd van mensen die geen andere deugd hebben), een Vertaliaan zal nooit uit deze band springen, al springt zijn band eruit. Hij houdt zich aan alle regels van de kunst, te vinden op De Vlakte waarheen de Gulden Middenweg hem voert. Wij hebben ontdekt dat Vertaliaans een heel uniek taaleigen is, een taal die weliswaar lijkt op Nederlands maar het net niet is, een taal die niet op straat wordt gesproken en die je dus ook zelden kan aantreffen in het wild.

– En je gelooft hen?
– Je kunt verdomd walgelijk zijn, weet je dat?
– Die klootzak!
– Hij hoefde alleen maar met zijn vingers te knippen en het gebeurde.

Zijn zomaar vier voorbeelden van Vertaliaans, geplukt uit een willekeurige megabestseller, tachtigduizend exemplaren van verkocht omdat het zo lekker weg leest. Maar het leest niet lekker weg, meneer. (Wie het boek kan raden, krijgt ons exemplaar met aantekeningen cadeau.) Het leest alleen lekker weg als je over alles heen leest, als je wil weten hoe het afloopt, als je hunkert naar het einde. Maar daar lees je toch geen boek voor, om het uit te krijgen, om de laatste bladzijde op je neder te voelen dalen, met de ontknoping rond je nek? Dit is met andere woorden geen goeie vertaling, maar dat geeft niet, want het is duidelijk dat het ook geen goed boek is. De slechtste vertaling kan niet verhullen dat een boek goed is, en de beste niet dat een boek pet is. Maar daar gaat het niet om. Het gaat niet om de vraag hoe je een goed boek herkent, maar hoe je een goeie vertaling herkent. Wat precies maakt een vertaling goed of slecht? Wanneer kun je de schuld van het onheil, het niet verder kunnen lezen van ergernis aan de vertaler geven en niet aan de schrijver?

We zullen bovenstaande toevallige voorbeelden thans een moment langer analyseren, teneinde tot een beter begrip van het phenomeen Vertaliaans te komen en aldus tot een reflectie op metatalig niveau, waar we ons doorgaans van abstineren, maar desondanks een poging toe zullen wagen om te komen tot een aanzet tot een enigszins verlaat antwoord (zo lang hebben we erover na moeten denken) op de welbekende stelling van Bloemen.1

Frappant is ten eerste de doofheid voor spreektaal in de zachtzinnig aangehaalde voorbeelden, wat natuurlijk vooral opvalt in dialogen, maar daar niet alleen: vaak zijn uitdrukkingen net verkeerd gebruikt, net niet de spijker op z’n kop maar juist op z’n kop. En dat gebeurt dan niet expres, zoals hier, maar geheel en al onopzettelijk, vanwege er niet op tijd zijn opgekomen. Het is niet ‘hij hoefde alleen maar met zijn vingers te knippen’, maar ‘hij hoefde maar te knippen’, of ‘hij hoefde maar met zijn vingers te knippen’ bijvoorbeeld. En ‘je gelooft hen’ zal wel niemand ooit uit zijn of haar aanminnige strottenhoofd hebben gekregen, alle redacties op alle uitgeverijen die correct Nederlands willen publiceren ten spijt. En ‘Die klootzak!’ ten slotte is duidelijk een mindere variant, een eufeministische verbastering van ‘De klootzak’ of ‘Die vieze vuile zakkenwasser, die teringlijer, die hondelul, die kloothufter’. Maar dat was de vertaalster kennelijk even niet te binnen geschoten, vandaar.

Maar er wordt niet alleen per ongeluk of uit pure onmacht Vertaliaans geschreven en bedreven, er wordt ook willens en wetens platgestreken en gladgeslagen. Hoe vaak er ook beweerd wordt dat zulks uit den boze is en anathematata in het kwadrata, het gebeurt. Die gevallen zijn al wat moeilijker uit hun rattenholen te roken, omdat je daar het origineel voor nodig hebt, of een eerdere vertaling om mee te vergelijken. Neem Ulysses, waar gelukkig twee vertalingen van bestaan, een uit 1969 van John Vandenbergh (die alom geroemd werd om zijn pionierswerk, hoewel zijn vertaling nog later verscheen dan bijvoorbeeld de Finse, maar nog wel binnen de termijn die Heine stelde aan de gebeurtenissen in Nederland, waar alles vijftig jaar achterloopt), en een uit 1994 van Paul Claes en Mon Nys. Het Vertaliaans begint eigenlijk al in de titel, die in het Nederlands Ulysses is gebleven, terwijl het ook Odysseus had kunnen zijn, zoals de dappere Fin heeft gedaan, of Ulixes zoals de homerische held in het Latijn, en ook wel in het Oudhollandse Hollands van weleer hiet. Op de eerste bladzijde van de navolging van Ulixes van James Joyce komen woorden voor als plump, ungirdled en fearful, woorden die belletjes zouden moeten doen rinkelen, want er staat niet fat, loose en scared ofwel terrible. Maar zo zijn ze wel overgezet in het Nederlands, alsof juist die laatste afgeplatte woorden er stonden, respectievelijk: vlezig/dik, zonder ceintuur/die loshing en afschuwelijke/bange. Het lijkt of de vertalers even vergeten waren dat Joyce ook de schrijver is van Finnegans Wake, en dat er achter de woorden meer schuilgaat dan de mededeling alleen en dat ze meer doen dan het verhaal voortstuwen naar het ongenadige einde, met woorden die iedereen had kunnen schrijven. Dat un certain je ne sais quoi, die meerwaarde van het Engelse origineel kun je poëzie noemen, stijl of muziek, wij noemen het gewoon joyceaans. En het is het joyceaans dat in het Nederlands vertaald moet worden, niet het Engels.

Een ander typerend voorbeeld van flagrant gladstrijken is de manier waarop Claes en Nys omspringen met het befaamde joyceaanse stijlmiddel van de innerlijke monoloog, toch een van de wezenskenmerken van Ulysses. Ze hebben er een handje van om de lapidaire anakoloetische stenografica mooi uit te schrijven in volle volzinnen, waardoor de springerige gedachtestroom verandert in een kleffe gedachtestroom. Leopold Bloom monologiseert in zijn interieur: ‘Must have put it back on the peg.’ Claes en Nys schakelen de Kuifje-vertaler in, met de welbekende elisie van de eerste persoon enkelvoud: ‘’k Heb hem vast weer aan de haak gehangen.’ Kennelijk gevoelen zij de behoefte om de lezer op echt-Vertaliaanse wijze een handreiking te doen, menende dat die al moeite genoeg heeft om niet te verdwalen in dit woedende woud van woorden. Onderschatting van de lezer is oorzaak nummer één van Vertaliaans taalgebruik.

Dit zijn natuurlijk maar een paar minieme en uit de aard der zaak slecht gekozen voorbeelden, volledig uit hun context gerukt en bijzonder onrechtvaardig voor de vertalers die er toch zo veel werk aan gehad hebben, maar het gaat hier om de achterliggende wetmatigheden. Het zijn stuk voor stuk weliswaar te rechtvaardigen vertalingen, maar ook stuk voor stuk kleine verwateringen van het origineel. Telkens is het net iets minder, en als geheel is de vertaling dan ineens heel veel minder, want vele kleintjes maken hier werkelijk één grote en vele druppels maken een overlopende emmer, een lekkende kraan, terwijl dat nergens voor nodig is. Die lekkages zijn namelijk makkelijk te verhelpen met een wat stoutmoediger loodgieter die bijvoorbeeld kiest voor plomp, ongegord en schrikkelijk, en de interieure monoloog omsoldeert tot Vast weer teruggehangen aan de haak.

Pé Hawinkels zei ooit heel terecht dat je een vertaling als geheel moest beoordelen, als een op zichzelf staand nieuw boek naast het origineel, reden waarom hij niet hield van vliegen afvangen en beknibbelen door middel van voorbeeldjes. Wij ook niet, ons stoort het geheel van deze Ulysses-vertalingen, maar we kunnen het waarom alleen maar uitleggen aan de hand van voorbeelden. Wij moeten het echt hebben van de welhaast schopenhaueriaanse aanschouwelijkheid, die ons moet leiden naar een uitzicht op het Ding op Zich in een van zijn vele verschijningsvormen. ‘Kijk daar,’ kunnen wij slechts zeggen, meer niet. Net als dieren en autisten generaliseren wij niet. Metatalig reflecteren is al moeilijk genoeg.

Terugkoppelend in z’n achteruit: waaraan herken je nu een goede vertaling? Een goede vertaling is niet een vertaling die niet slecht is. Het is iets anders. Een goede vertaling doet recht aan het origineel en de auteur. Een boek van Joyce moet joyceaans zijn vertaald, een boek van Nabokov nabokoviaans, een boek van Kafka kafkaësk en een boek van Proust à la Proust. De schrijvers moeten het allemaal zelf geschreven kunnen hebben, als ze onze mooie taal machtig waren geweest op de manier waarop ze hun eigen taal machtig waren. Daarbij mag het Nederlands best wat deuken oplopen. Het zal er alleen maar sterker van worden. Als een vertaling maar voorkabbelt of -hobbelt en er lijkt geen vuiltje aan de lucht, dan pas zouden de oren van een lezer zich moeten spitsen en zij/hij zou zich moeten afvragen: ‘Kan in feite niet iedereen dit geschreven hebben?’ En als hij/zij er dan uit nieuwsgierigheid het origineel op naslaat en ziet dat inderdaad iedereen het geschreven had kunnen hebben, dan kun je beter ophouden met lezen. Of in elk geval niet beginnen met vertalen.

Dit is de wapenspreuk voor het Vertalers Bevrijdings Front (VBF) dat we hierbij willen oprichten: niet vertalen uit een taal maar vertalen uit een auteur, uit een boek. Niet doen alsof je er goedlopend of vlot leesbaar Nederlands van moet maken, maar het boek herscheppen in de nieuwe taal met behoud van letter en geest. Roeien met de riemen die je afgenomen zijn. Metatalig reflecterend: niet schijterig zijn om je tenen te branden voordat de soep wordt opgediend.

Noot
1 ‘Mijn stelling is dat Henkes en Bindervoet met hun polemiek [i.e. ons pamflettistisch-inflammatoire manifest De kunst van het niet-vertalen, opgenomen in: V. Nabokov, De kunst van het vertalen, uitgeverij Hoogland en Van Klaveren, 2005 – noot van de auteurs, EB & RJH] op het punt staan iets nieuws in verband met vertalen te formuleren, maar dat ze door hun abstinentie van een verdergaande metatalige reflectie zichzelf de gelegenheid ontnemen dat nieuwe van hun positie ook uit te spreken,’ zegt Henri Bloemen in Filter 13:1 (2006) in een stuk getiteld ‘Over de nieuwste poging tot opstand in Vertalië’ op p. 15. Waarmee hij bedoelt dat we niet theoretisch onderlegd zijn. [Noot van de vertalers, EB & RJH]

Lees meer over: