Wonderlijke Chinese verhalen, indirect vertaald    45-54

Audrey Heijns

Voor een sinoloog die prat ging op zijn kennis van de Chinese taal en cultuur is het vrij wonderlijk om vertalingen te publiceren die zo uit het Duits zijn overgenomen. Het gaat om verhalen vertaald en gepubliceerd door de sinoloog Henri Jean François Borel (1869–1933), die naam had gemaakt met direct uit het Chinees vertaalde confucianistische en daoïstische teksten en befaamd was om zijn reisimpressies en essays over de Chinese taal, cultuur en literatuur. Vanwege zijn reputatie als ‘expert’ – hier in de betekenis van iemand die de taal van de broncultuur goed beheerst – was het niet waarschijnlijk dat zijn lezers zouden betwijfelen of hij deze verhalen direct uit het Chinees had vertaald. Door wetenswaardigheden over de Chinese cultuur toe te voegen lijkt Borel de verhalen ‘Chinezer’ te maken. Probleem is echter dat hij daardoor het risico liep af te wijken van de brontekst. In het eerste deel van dit artikel laat ik zien dat Borel vanuit een Duitse versie werkte en hoe via die Duitse versie (zelf ook geen directe vertaling) invloed van de Engelse versie in de Nederlandse vertaling doorsijpelt. Vervolgens licht ik toe hoe Borel de oorspronkelijke auteur probeert op te roepen door informatie waarover hij meent te beschikken toe te voegen en ondertussen enigszins vrijelijk omgaat met Chinese woorden en uitdrukkingen. Interventies gelden in vertaalland intussen wellicht als onethisch, maar waren in zijn tijd natuurlijk niet ongebruikelijk.

Afbeeldingsresultaat voor "Henri Jean François Borel "

Henri Jean François Borel (1869–1933)

Chinese spookverhalen
De verhalen die Borel vertaalde zijn afkomstig uit de zeventiende-eeuwse bundel Wonderlijke Verhalen uit een Chinees Studeervertrek (聊齋誌異) door Pu Songling (蒲松齡, 1640–1715). Het betreft zo’n vijfhonderd korte verhalen en notities over vrij uitzonderlijke zaken: over ‘het contact tussen deze wereld en een daarmee contrasterende wereld van vossen, schimmen, bloemenfeeën, monsters of demonen’, zoals Idema en Haft zeggen (2005: 177), en ‘in een groot aantal ervan speelt de liefde een belangrijke rol, andere zijn satirisch bedoeld’. De auteur Pu Songling slaagde niet voor een hoger examen en verwierf daardoor geen officiële ambtenaarsfunctie; het grootste deel van zijn leven was hij privésecretaris bij een vooraanstaande familie in Shandong. Tijdens zijn leven circuleerden manuscripten van Wonderlijke Verhalen uit een Chinees Studeervertrek onder vrienden en literati. Pas in 1766 werd een deel ervan gepubliceerd als boek. In de Chinese traditie werd van de literatuur geëist dat ze waarheidsgetrouw was, en daardoor omvat de canon enkel de klassieken, historische boeken en poëzie; werken als Wonderlijke Verhalen uit een Chinees Studeervertrek, waarin gebeurtenissen worden beschreven die niet werkelijk zijn gebeurd, vielen onder de triviale literatuur. Pas in het begin van de twintigste eeuw veranderde de waardering voor deze vorm van literatuur en kreeg Chinese fictie meer erkenning.

Borel, die Chinees had gestudeerd in Leiden (1888–1892) en Xiamen (1892–1894) en daarna werkzaam was als tolk Chinees in Nederlands Oost-Indië (1894–1916), had al vroeg belangstelling voor het vertalen van Chinese literatuur. Naast de serie Chineesche Filosofie voor Niet-sinologen, waarin hij onder meer De gesprekken (論語), De Grote Leer (大學) en de Daodejing (道德經) vertaalde, introduceerde hij bijvoorbeeld ook fragmenten uit de roman Reis naar het Westen (西遊記), toegeschreven aan Wu Cheng’en (吳承恩, ca. 1500–1582), in zijn essay ‘De Chineesche Hel’. Het is niet duidelijk of Borel de verhalen waar het in dit artikel om gaat eerder in het Chinees gelezen had, maar het is zeer waarschijnlijk dat hij ermee had kennisgemaakt via vertalingen. De Engelse vertaling Strange Stories from a Chinese Studio werd voor het eerst gepubliceerd in 1880 (door Herbert A. Giles), verwierf wereldfaam en was (volgens John Minford, 2006: 493) jarenlang de ‘standaardselectie in het Engels’. Giles was een Britse diplomaat in China voordat hij in 1897 hoogleraar Chinees werd aan de Universiteit van Cambridge. Op zijn naam staan vele vertalingen van Chinese literatuur, lesboeken in de Chinese taal en een Chinees-Engels woordenboek. Daarnaast had een voorganger van Borel, de tolk Chinees Maurits Schaalje (1840–1899), in het Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde in 1873 een vertaling van het verhaal ‘De vos in vrouwengedaante’ (狐女) opgenomen in zijn artikel ‘De kleine voeten der vrouwen in China’. Bovendien gebruikte hoogleraar J.J.M. de Groot (1854–1921) vertalingen van een aantal verhalen om Chinese bovennatuurlijke verschijnselen te illustreren in zijn magnum opus The Religious System of China: its ancient forms, evolution, history and present aspect; manners, customs and social institutions connected herewith (zes delen, 1892–1910). Borel besprak De Groots werk in 1912 in De Gids (‘De Nederlandsche sinologie’).

De verhalen die Borel vertaalde en publiceerde zijn:

1 ‘Boekenwurm’ (書癡) als ‘Boekenwurm (Een Chineesch Sprookje, vrij naar Lioa [sic] Tsai)’ in De Kroniek van november 1921;
2 ‘Prinses Lotus’ (蓮花公主) als ‘De droom (Vrij naar het Chineesch)’ in de Leeuwarder Courant van 18 april 1924;
3 ‘Huanniang’ (宦娘) als ‘Het andere ding. Een Sprookje. (Vrij naar het Chineesch)’ in de Leeuwarder Courant van 7 april 1925; en
4 ‘Abao’ (阿寶) als ‘Het meisje en de papegaai (Naar een Chineesche vertelling van Pu Sung Ling)’ in de Leeuwarder Courant van 20 februari 1926.

Mogelijk is er nog een vijfde verhaal: volgens een verwijzing in De Hollandsche Revue onder ‘Diverse tijdschriften’ op p. 1133 (1928, 33:2) publiceerde Borel een Chinese novelle getiteld ‘Het lachende meisje’ in Eigen Haard van 10 en 17 november 1928. Dit is ongetwijfeld het verhaal ‘Yingning’ (嬰寧) uit Wonderlijke Verhalen uit een Chinees Studeervertrek, dat Giles vertaalt als ‘Miss Ying-ning; or, the Laughing Girl’. Deze vertaling heb ik nog nergens kunnen vinden en wordt hier daarom verder niet behandeld.

Er zijn duidelijke aanwijzingen dat Borel zich voor deze vertalingen baseerde op de Duitse vertaling van de Oostenrijkse filosoof Martin Buber (1878–1965), gepubliceerd in 1911 (en in de editie van 1916 beschikbaar via https://archive.org). Buber schrijft in zijn voorwoord dat hij bezig was met ‘een studie over mythen over demonen, toen [hij] kennis maakte met Chinese bloemlezingen van spookverhalen, in het bijzonder de klassieker Liaozhai zhiyi, eerst door vertalingen en daarna onder de vriendelijke begeleiding van de heer Wang Qingdao(1916: IX). Het resultaat was de bundel Chinesische Geister- und Liebesgeschichten waarin zestien verhalen in Duitse vertaling zijn opgenomen. De afwijkingen tussen het Duits en het Chinees zijn ongetwijfeld mede veroorzaakt doordat Buber zelf geen kennis van het Chinees had en vertrouwde op Wang Qingdao (王慶道), in 1907 werkzaam als docent Chinese taal aan het Seminar für Orientalische Sprachen aan de Friedrich-Wilhelms-Universität in Berlijn. Ook Buber gebruikte Giles, zoals hij uitlegt in het voorwoord:

Sommige verhalen van de Liaozhai zijn vertaald in Europese talen. Een substantiële selectie werd gegeven door Herbert A Giles (Strange Stories from a Chinese Studio, new edition London, 1909). Naar Engelse gewoonte heeft hij helaas passages die hem aanstootgevend leken weggelaten of geparafraseerd. Met de hulp van de heer Wang heb ik nu nieuwe, complete en getrouwe versies gemaakt van een aantal van de verhalen uit Giles’ werk, alsook een aantal nieuwe verhalen die tot nu toe onvertaald waren. (Buber 1916: XV; mijn vertaling)

Als het Bubers doel was om meer ‘vollständig und getreu’ te zijn dan Giles, luidt de vraag hoe Buber kon weten dat Wang inderdaad zo getrouw was als Buber wilde zijn. Wang heeft correcties aangebracht, maar er zijn ook passages waarin hij niet heeft ingegrepen, zoals voorbeelden hieronder zullen aantonen. In een voetnoot schrijft Buber bovendien dat een zekere Gustav Gast zo vriendelijk was hem inzage te geven in diens vertalingen van een paar verhalen. Volgens de Deutsche Nationalbibliothek was Gustav Gast (1867–?) een onderwijzer en schrijver die in 1901 samen met ene Li-te-shun Chinesische Novellen van Pu-Ssung-ling had gepubliceerd. Buber schrijft dat hij de vertalingen wel heeft geraadpleegd, maar niet heeft gebruikt (1916: XV), waaruit we mogen concluderen dat hij het volste vertrouwen had in de juistheid van zijn eigen vertalingen.

Alle verhalen die Borel vertaalde zijn opgenomen in Bubers bundel. Zoals ik hierboven aangaf omvat de oorspronkelijke bundel Wonderlijke Verhalen uit een Chinees Studeervertrek meer dan vijfhonderd notities en verhalen, en wat er in vertaling geselecteerd wordt verschilt per vertaler. Van de vier verhalen die ik hier behandel, heeft Giles bijvoorbeeld alleen het tweede en vierde verhaal opgenomen, die hij vertaalde als ‘The Princess Lily’ en ‘Miss A-Pao; or, Perserverance Rewarded’. Denis en Victor Mairs Strange Tales from Make-Do Studio (1989) bevat drie van de vier verhalen die Borel vertaalde: het verhaal dat zij vertaalden als ‘A Fool for Books’ en de verhalen ‘Princess Lotus’ en ‘Precious’. In de recente verzameling Strange Tales from a Chinese Studio (2006, vertaald door John Minford) staat alleen het verhaal getiteld ‘Princess Lotus’. Geen van deze vertalers koos het verhaal ‘Huanniang’. Dit om aan te tonen dat er grote diversiteit bestaat: elke vertaler maakte een eigen selectie.

Ook in het Nederlands zijn na Borel nieuwe vertalingen verschenen. Er is een bundel uit 1947 (De wonderlijke verhalen van een Chinees, vertaald door Ferdinand Langen via het Engels en Duits) en een uit 1978: De beschilderde huid, spookverhalen (direct uit het Chinees vertaald door Wilt L. Idema, B.J. Mansvelt Beck en Nicolaas Hubertus van Straten). Voorts zijn er de bundel De mooiste verhalen uit het oude China (uit 1996, direct uit het Chinees door Wilt L. Idema) en een aantal losse verhalen, gepubliceerd in het literair tijdschrift Het Trage Vuur (voor details verwijs ik naar de website van VerreTaal – Chinese Literature in Dutch Translation).

Op zich lijkt het misschien niet zo vreemd dat Borel zich baseert op de vertaling van Buber. De twee hadden elkaar in juni 1914 in Potsdam ontmoet. Men kwam bijeen om de Forte-Kreis op te richten, een initiatief van Borels vriend, de schrijver en psychiater Frederik van Eeden (1860–1932). De Forte-Kreis was een internationale groep intellectuelen en schrijvers die naar wereldvrede streefden (zie verder Fontijn 1996: 345–354). Borel spreekt zijn waardering voor Buber uit in zijn boek De Geest van China, waarin hij diens Reden und Gleichnisse des Tschuang-tse prijst: ‘wat zuiver begrip en volkomen “Verständnis” aangaat, is dit het beste dat ooit over deze Chineesche filosofie is verschenen [...]’ (1916: 115). De Zhuangzi (Meester Zhuang) is een van de belangrijkste daoïstische geschriften die worden toegeschreven aan Zhang Zhou (369–286 v. Chr.). Borel beschikte dus vast over een exemplaar van Bubers Duitse vertaling en het was voor hem een kleine stap om deze verhalen in het Nederlands om te zetten.

Nederland kent een lange traditie van indirecte vertalingen als het gaat om de Chinese literatuur (Idema 2003). Pas in de late jaren negentig van de twintigste eeuw was het percentage directe vertalingen groter dan dat van indirecte vertalingen (Heijns 2003). De belangrijkste reden voor indirecte vertalingen is een tekort aan gekwalificeerde vertalers. Een andere reden is volgens James St. André ‘het geloof in de [onderlinge, AH] equivalentie van Europese talen (ten opzichte van het Chinees)’ (2003: 63). Blijkbaar wordt aangenomen dat het makkelijker is om in en uit een andere Europese taal te vertalen dan direct uit het Chinees. Toch wordt indirect vertalen gezien ‘als een noodzakelijk kwaad en wordt er steevast van uitgegaan dat het te verkiezen is om vanuit het origineel te vertalen, net zoals een origineel lezen altijd te verkiezen is boven een vertaling lezen’ (St. André 2009: 230; mijn vertaling).

Het is interessant om te zien dat de titels die Borel hanteert op een na afwijken van het Duits. Hij veranderde ze vermoedelijk op basis van de inhoud van de verhalen, niet als poging dichter bij de brontekst te komen. ‘Der Traum’ blijft ‘De droom’, maar ‘Der närrische Student’ wordt ‘Boekenwurm’, ‘Musik’ wordt ‘Het andere ding’ en ‘Die Wege des Liebenden’ wordt ‘Het meisje en de papegaai’. Alle vier de verhalen gaan over romantische relaties en bevatten bovennatuurlijke elementen; in geen van de verhalen komen het geweld en de horror voor waarvoor Buber en De Groot soms opteerden. ‘Boekenwurm’ gaat over de relatie van de hoofdpersoon Lang met een boekenfee. Lang heeft een obsessie met boeken en hij neemt een essay over een boekenfee dat zijn vader heeft overgeschreven voor waar aan. Tot zijn verwondering wordt alles wat in het essay is beschreven inderdaad werkelijkheid. De boekenfee komt tot leven en heeft een intieme relatie met Lang. Zij adviseert hem niet zo veel te studeren. Uiteindelijk is zij er de oorzaak van dat Langs bibliotheek in brand wordt gestoken. In ‘Prinses Lotus’ heeft de hoofdpersoon Dou in zijn dromen toegang tot de wereld van de bijen. Hij wordt door de koning in zijn paleis uitgenodigd, en de koning arrangeert een huwelijk met zijn dochter. Het verhaal vermengt de werelden van dromen en waken: Dou gaat van de ene wereld in de andere en beide overlappen elkaar. In ‘Huanniang’ zijn de thema’s het contact met de doden, de rol van een huwelijksbemiddelaar en een obsessie met muziekinstrumenten. De hoofdpersoon Zhao Huanniang is al honderd jaar geleden overleden en haar geest keert terug om – door middel van een uitwisseling van gedichten en bloemen – het huwelijk tussen Wen en Liang te regelen. In het verhaal ‘Abao’ ten slotte is het thema de scheiding van lichaam en ziel. Terwijl de ziel van de hoofdpersoon Sun Zichu met Abao meezweeft naar haar kamer, blijft zijn lichaam thuis. Sun, die gek is op Abao, blijft volharden in zijn pogingen met haar samen te zijn en uiteindelijk lukt het hem om met haar te trouwen.

Honingkleur en Duitse klanken
Kenmerkend voor Borels vertalingen is zijn streven ‘trouw’ te blijven aan de brontekst en het feit dat hij zijn aanwezigheid als vertaler doet gelden. In het geval van de spookverhalen zijn er bepaalde woorden en uitdrukkingen die on-Nederlands aandoen maar ook niet uit het Chinees lijken te komen. Deze blijken afkomstig te zijn uit het Duits. Een nogal letterlijke vertaling uit het Duits zien we bijvoorbeeld in ‘Boekenwurm’, waar Lang net met zijn vrienden gesproken heeft over zijn intieme relatie met de boekenfee. Als hij thuiskomt is zij daar nogal verbolgen over:

女知而責之,郎曰:「鑽穴逾隙者始不可以告人,天倫之樂人所皆有,何諱焉?」

(Toen zij het hoorde, schold ze op hem. Lang zei: geheime misdaden die je begaat vertel je niet aan anderen, maar iedereen kent het geluk van een hemelse relatie. Waarom is het een taboe?)

Sie hörte davon und verwies es ihm, indem sie sagte: ‘Über heimliche Wesen spricht man nicht.’ Er erwiderte: ‘Das Glück dieses himmlischen Zusammenseins kennt doch jeder Mann, was ist da zu verheimlichen?’ (Buber 1916: 95)

Zij hoorde daarvan en verweet het hem, terwijl zij zeide: ‘Over heimelijke dingen spreekt men niet.’ Hij antwoordde: ‘Het geluk van dit hemelsche samenzijn kent toch iedere man, wat valt er dan te verheimelijken?’ (Borel 1921)

Borel volgt de Duitse versie op de voet. In het Chinees staat geen directe rede van de boekenfee, zoals die in het Nederlands en Duits wel voorkomt. Woorden als ‘heimelijke dingen’ en ‘verheimelijken’ tonen de Duitse invloed. In eerdere vertalingen van Borel valt op dat hij altijd vrij dicht bij de brontekst blijft, en daarom zou je verwachten dat hij de uitdrukking zuan xue yu xi (鑽穴逾隙) letterlijk zou vertalen, zoals Mair en Mair doen: ‘Tunneling through walls and squirming through crannies’ (1989: 394). Borel zet echter eenvoudig het Duits om en er is geen spoor van het Chinees, een indicatie dat Borel de Chinese brontekst niet voor zich had.

In ‘Huanniang’ openbaart Zhao Huanniang dat zij de dochter is van een prefect en honderd jaar geleden overleden is. Steeds als ze de muziek van Wen hoort, wordt ze overmand door verlangen naar Wen, en vervolgens zegt ze:

又恨以異物不能奉衣裳
(Het spijt mij dat ik niet meer leef en niet je vrouw kan zijn.)

da ich aber ein anderes Ding bin, konnte ich nicht bei Ihnen bleiben. (Buber 1916: 158)

Daar ik echter ‘een ander Ding’ ben, kon ik niet blijven. (Borel 1925)

Borel neemt het begrip ‘een ander Ding’ uit het Duits over, nu met aanhalingstekens en ‘Ding’ met een hoofdletter, vermoedelijk om aan te geven dat het hier om iets bijzonders gaat. Wat in het Chinees bedoeld wordt met yiwu (異物) is een geest of overleden persoon, daarom kan Huanniang niet met Wen trouwen. Kennelijk vindt Borel dat dit begrip ‘een ander Ding’ de kern van het verhaal vormt, want hij besluit zelfs om het verhaal zo te noemen. Het is niet duidelijk waarom Borel ‘bei Ihnen’ onvertaald laat; hij lijkt het verhaal anders te lezen.

Er zijn ook woorden in de Duitse vertaling die afwijken van de brontekst en terug te vinden zijn in de Nederlandse versie. Een voorbeeld is de status van de hoofdpersoon in ‘Abao’. In de brontekst is Sun Zichu shili (失儷), wat betekent dat hij ‘beroofd [is] van zijn echtgenote’. Giles vertaalt het met ‘lost his wife’ (1909: 11) en Mair en Mair geven ‘bereaved of his wife’ (1989: 116). In de Nederlandse en Duitse versie was Sun Zichu echter nog niet getrouwd toen hij ‘seine Braut durch den Tod verloren’ had (1916: 60), waar in het Nederlands ook staat: ‘zijn verloofde door den dood verloren’. In het verhaal ‘Boekenwurm’ wordt de Hanshu (漢書), het geschiedenisboek van de Handynastie genoemd. Het Duits heeft het boek als ‘Hau’ in transcriptie, blijkbaar is de n met een u verwisseld, waardoor Borel de titel niet herkent en daarom maar letterlijk overneemt. In een passage uit ‘Prinses Lotus’ vertaalt Borel (1924) heyi (褐衣) als ‘honingkleurig kleed’, terwijl het bij Giles gaat om ‘serge clothes’ en bij Minford om ‘rough servant’s clothing’ (2006: 348). Dit is te herleiden tot het ‘honigfarbenen Kleide’ uit de Duitse vertaling (1916: 141).

Citroenbomen, het Engels en eigenzinnige interventies
Buber heeft bij zijn vertaling de Engelse versie van Giles gebruikt en het is daarom interessant om te zien hoeveel van Giles in de Nederlandse versie terecht is gekomen. Volgens Irene Eber (in haar inleiding bij de Engelse vertaling) heeft Buber waarschijnlijk tien (van de 164) verhalen van de bundel via Giles vertaald en zes uit het Chinees met hulp van Wang Qingdao. Van de vier verhalen die Borel publiceerde zijn er twee door alle drie de vertalers vertaald, namelijk ‘Abao’ en ‘Prinses Lotus’. Een voorbeeld uit het verhaal ‘Prinses Lotus’ is de beschrijving van een wandeling naar het paleis:

從之而出,轉過牆屋,異至一處,疊閣重樓,萬椽相接曲折而行。
(Toen gingen ze samen op pad. Nadat ze de hoek omgingen, kwamen ze bij een plaats waar paviljoen na paviljoen uitstak in een rij van gebouwen, ze liepen dwars door een eindeloze doolhof van daken).

 so away they went together, and after some time came to a place where there were innumerable white houses rising one above the other, and shaded by dense groves of lemon-trees. (Giles 1880: 299)

So gingen sie zusammen, und nach einiger Zeit kamen sie an einen Platz, auf dem unzählige weisse Gebäude sich eines über dem andern erhoben, von dichten Zitronenhainen beschattet. (Buber 1916: 141)

Toen gingen ze samen op stap, en na korten tijd kwamen zij op een plein, waarlangs tallooze geel-witte gebouwen, het een boven ’t andere, zich verhieven, in de schaduw van citroenboomen. (Borel 1924)

Het meest curieuze in deze zin is het verschijnen van de citroenbomen, die in de brontekst niet voorkomen en evenmin in de meer recente vertalingen (zoals Mair & Mair en Minford). Dit is een fout van Giles die het karakter chuan (椽; dak(-spar)) voor yuan (櫞; citrus) heeft aangezien. Wang heeft dit niet opgemerkt en dus heeft Buber dit in de Duitse vertaling overgenomen: vervolgens verschijnt het ook zo in de Nederlandse versie van Borel. Voorts heeft geen van de vertalers ‘de hoek omgaan’ vertaald, ook dat komt doordat Giles het heeft weggelaten en Wang dit niet heeft verbeterd. Wat de kleur van de gebouwen betreft is mij niet duidelijk waarom Borel deze heeft veranderd in ‘geel-witte’, dit moet een beslissing van hemzelf zijn geweest.

Er zijn dus ook passages in de tekst waarin duidelijk is dat Borel heeft ingegrepen. Volgens Martin Ringmar komt redactionele interventie in vertalingen via een tussentaal voor omdat ‘een vertaler (on)bewust meer vrijheid neemt met een tussenvertaling dan hij of zij zou doen met een brontekst’ (2007: 11). We zien inderdaad dat Borel eigen wijzigingen doorvoert in individuele zinnen en de structuur van het verhaal inclusief het einde. Waarschijnlijk is hem in verband met de publicatie in een krant of een tijdschrift een maximum lengte opgelegd, maar vooral probeert hij de verhalen Chinezer te doen klinken op basis van zijn eigen kennis van de Chinese cultuur en taal.

Ditzelfde verschijnsel doet zich voor in Borels andere werken over China, waarin hij ook zijn kennis over China etaleert, in de vorm van citaten en uitdrukkingen uit Chinese werken en westerse studies over China. Borel voegt in Wonderlijke Verhalen uit een Chinees Studeervertrek hier en daar opmerkingen toe over de Chinese cultuur, om bijvoorbeeld uitleg te geven over huwelijksbemiddelaars en vossengeesten, iets wat niet in de brontekst terug te vinden is. Deze opmerkingen en uitleg zijn vaak nuttig voor de Nederlandse lezer, alhoewel ze soms ook problematisch zijn. Een voorbeeld is de scène in het verhaal ‘Prinses Lotus’ waarin de hoofdpersoon Dou een feestmaal bijwoont op uitnodiging van de koning. In het oude China was het de gewoonte om bij zo’n gelegenheid gedichten te maken: in respons op een eerste regel van de koning dichten hovelingen verder. Hier begint de koning met cairen deng guifu (才人登桂府): een begaafde jongeman betreedt de Cassiahof. Terwijl de hovelingen diep nadenken, reageert Dou snel met het vervolg junzi ai lianhua (君子愛蓮花): een edelman bemint de lotusbloem. In zijn vertaling volgt Borel voor de eerste regel van de koning het Duits: ‘Schöner Geist sucht den Kassiahof’ vertaalt hij met ‘De Schoone Geest zoekt den Cassia-Hof’. Maar hij verandert ‘Edler Sinn liebt den Lotoskelch’ in ‘De edele Tao bemint de Lotos-kelk’ en voegt daaraan de volgende voetnoot toe: ‘Hier maakt Tau een toespeling op zijn naam, die eerder klinkt als Tao, het Goddelijke van het beginsel van den Kosmos.’

Vermoedelijk had Borel zijn twijfels over de Duitse vertaling en paste hij om die reden de tweede zin aan. Hij voegde ‘Tao’ toe, op basis van zijn eigen kennis van de Chinese cultuur. Had Borel geweten dat de term junzi in het verhaal voorkomt, dan was de kans groot geweest dat hij er nog uitgebreider op was ingegaan. Hij zou op z’n minst verwezen hebben naar zijn eigen werk over het confucianisme. Junzi is in het confucianisme immers een belangrijk concept, dat vertaald kan worden met ‘de edele’ of ‘edelman’, het morele ideaal van innerlijke cultivering en menselijkheid, deugdzaam gedrag en juiste uitvoering van de riten. Ook is hieruit duidelijk dat Borel niet weet dat de achternaam van de hoofdpersoon ‘Dou’ (竇) is, wat hij transcribeert als ‘Tau’ (道) – zelfs al staat er ‘Tou’ in het Duits – en daarom verwart hij het met het daoïstische begrip ‘Tao’ (de weg, het pad) of ‘Dao’ in de huidige spelling. De uitspraak van deze twee karakters in het Chinees verschilt enorm. Het is zeer waarschijnlijk dat Borel met opzet ‘Dao’ heeft geïntroduceerd om zo een verband te leggen met het daoïsme. Hoe het ook zij, deze wijzigingen, deze interventie, de transcriptie van de naam en de vertaling van de antithese met voetnoot, laten zien dat Borel de brontekst niet voor zich had.

Een ander voorbeeld van een poging van Borel om het verhaal over prinses Lotus ‘Chinezer’ te maken is de scène waarin Dou helemaal in trance raakt door de schoonheid van de prinses. In het Chinees staat er: sheng duzhi, shenqing yaodong, muzuo ningsi (生睹之,神情搖動,木坐凝思), door Minford vertaald als ‘As Dou watched her leave, his soul was utterly transported. He sat there entranced [...]’ (2006: 350). In het Duits luidt dat zo: ‘Ihre Erscheinung hatte alle Gedanken Tous in Bewegung versetzt und wieder zum Erstarren gebracht’. Dit is een langere versie dan die van Giles: ‘Tou remained in a state of stupefaction’, die Buber waarschijnlijk maakte op last van Wang. Borel doet het zo: ‘Hare verschijning had Tau’s ziel bijna uit zijn lichaam doen treden, en al zijn denkvermogen doen stilstaan’. Hier heeft Borel de Chinese uitdrukking hun bu futi (魂不附體, ‘ziel uit het lichaam doen treden’) toegevoegd terwijl deze niet in de brontekst staat. Zoals Borel al in 1895 in zijn Wijsheid en schoonheid uit China schreef, is deze uitdrukking typisch Chinees (1895: 38). Deze wetenschap doet Borel vermoeden dat dit vast zo in de brontekst heeft gestaan, de Duitse versie gaf hem althans die indruk. Hoe het ook zij, dit is wederom een indicatie dat Borel niet de Chinese tekst voor zich had.

Tot slot
Borel had in zijn vertaling interferentie met het Duits makkelijk kunnen beperken, maar de fouten die via Giles en Buber in de Nederlandse versie terechtkwamen waren zonder brontekst erbij moeilijk te vermijden. Bij zijn tekstinterventie nam Borel het risico maar wat te gissen naar Chinese woorden en uitdrukkingen, want het blijkt dat deze niet in de brontekst voorkomen. Een dergelijke werkwijze (enerzijds dicht bij de woorden van de te vertalen tekst blijven en anderzijds kennis over de Chinese cultuur introduceren) is kenmerkend voor iemand als Borel, die zichzelf een expert vond en zich voordeed als hij alwetende. Het bevestigt wat Cay Dollerup opmerkt over indirecte vertaling, dat toepassing ervan:

[...] impliceert dat de zender, de originele auteur, naar de achtergrond verschuift. De coherentie van de boodschap is niet compleet. Getrouwheid en loyaliteit aan de auteur worden verzwakt, niet uit kwade bedoelingen maar om praktische redenen – de vertaler is niet altijd in een positie om onduidelijke punten door de auteur te laten uitleggen. (2000: 23; mijn vertaling)

Doordat Borel inderdaad niet vanuit de Chinese brontekst werkte, was de originele auteur Pu Songling naar de achtergrond geschoven. Borel deed met zijn ingrepen een poging om de Chinese auteur sterker naar voren te roepen. Borel had immers de keus om de Duitse vertaling nauwkeurig te volgen of om zich met zijn eigen kennis als sinoloog te laten gelden. Interventies als de zijne worden in vertaalland tegenwoordig wellicht beschouwd als onethisch, maar dat is een andere discussie.

Het is moeilijk na te gaan wat de sinoloog Borel heeft bewogen om indirecte vertalingen te maken. Een reden was misschien dat hij niet zo makkelijk aan de Chinese brontekst kon komen. Andere sinologen lijken die ook niet in hun bezit te hebben gehad, zoals blijkt uit het feit dat deze titel niet is opgenomen in de lijst van The KNAG Collection: Introduction and Catalogues (2010) en evenmin in de Catalogue of Chinese and Sino-Western Manuscripts (2005), beide samengesteld door Koos Kuiper. Onder de titels vermeld in deze publicaties zijn ook boeken die sinologen in de negentiende eeuw hadden gekocht en naar Nederland gebracht. In die tijd waren Chinese teksten hier natuurlijk niet alom beschikbaar. Toch waren ze er wel, zoals bijvoorbeeld Jef Last (1898–1972), een generatie jonger dan Borel en net als hij behalve sinoloog ook schrijver. Last publiceerde in 1928 het verhaal ‘Shanhu’ (Koraal) uit de verhalenbundel in kwestie in De Socialistische Gids. Volgens het voorwoord bij de vertaling vertaalde Last uit het Chinees en liet hij zijn vertaling corrigeren door J.J.L. Duyvendak (1889–1954,) docent en later hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Leiden. Het is niet duidelijk hoe Last aan zijn exemplaar van de Chinese tekst is gekomen. Borel had de tekst in China kunnen aanschaffen toen hij daar op reis was in 1920, of hij had (Chinese) vrienden met wie hij correspondeerde kunnen vragen een exemplaar op te sturen. Hij had ook naar de bibliotheek van de Rijksuniversiteit Leiden kunnen gaan om de verhalen in te zien of over te schrijven. Het is zeer wel mogelijk dat hij in verband met eerdere kritische uitlatingen over de Nederlandse sinologie geen contact meer wenste te zoeken met kenners. Een mogelijke praktische reden is dat Borel in tijdnood zat. Hij schreef veel en regelmatig voor kranten en tijdschriften en het is niet ondenkbaar dat hij tegen deadlines opliep. Het is niet erg waarschijnlijk dat iemand hem ervan zou verdenken dat hij niet direct uit het Chinees vertaalde. Borel had tegen die tijd immers naam gemaakt als expert inzake China. Deze verhalen doen heel Chinees aan en geven geen aanleiding tot twijfel over de nauwkeurigheid van de vertaling of de getrouwheid aan de brontekst.

Sinds de vroegste vertalingen uit het Chinees, komt indirect vertalen veel voor in Nederland. Het is dus niet zo verwonderlijk om indirecte vertalingen uit het begin van de twintigste eeuw op het spoor te komen, maar nu blijkt dat zelfs deskundigen als Borel zich eraan bezondigden. Gebleken is dat bij indirect vertalen door een expert de culturele aspecten van het origineel behouden kunnen worden, maar die expert is uiteraard niet in staat nauwkeurig te vertalen als hij geen brontekst voorhanden heeft; bovendien komen fouten in de tussentaal ongemerkt in de doeltaal terecht. Het lijkt erop dat vertalers eind negentiende, begin twintigste eeuw eerder begaan waren met hun eigen doelen en meer gericht op de doeltekst en zijn lezers, zonder zich al te veel te bekommeren om de intentie van de brontekst. Dit is wat David E. Pollard ook aangeeft in zijn artikel over Herbert Giles: de gerichtheid op de lezer is in Giles’ concept van vertaling primair (2013: 265). Net als Giles moest Borel belangstelling bij zijn lezers wekken en dat deed hij kennelijk ten koste van de ‘getrouwheid’ of ‘loyaliteit’ aan de brontekst. Ten slotte nog dit: het feit dat er vertalingen bestaan van vertalers die niet aangeven wat hun bronnen zijn vraagt voor de genoemde periode extra opmerkzaamheid van onderzoekers: misschien zijn het indirecte vertalingen.

Ondanks alles zijn Borels vertalingen van verhalen uit Wonderlijke Verhalen uit een Chinees Studeervertrek belangrijk in die zin dat ze toegang bieden tot een onbekende Chinese literaire traditie en een goede introductie vormen voor een algemeen lezerspubliek. De verhalen zijn onderhoudend, ze behouden de plot van het origineel en introduceren in één moeite door Chinese cultuur. Door ze te publiceren in kranten en literaire tijdschriften (naast al zijn boeken), maakte Borel de Chinese cultuur populair, iets wat hij de rest van zijn leven bleef doen.

 

Bibliografie
Barr, Allan. 1984. ‘The Textual Transmission of Liaozhai zhiyi’, Harvard Journal of Asiatic Studies, 44:2, p. 556–562.

Borel, Henri. 1912. ‘De Nederlandsche sinologie’, De Gids, jg. 76, p. 262–274.

Borel, Henri. 1916. De Geest van China. Amsterdam: Wereldbibliotheek.

Borel, Henri. 1921. ‘De boekenwurm (Een Chineesch sprookje, vrij naar Lioa Tsai)’, De Kroniek, 7:11, p. 259–260. Geraadpleegd op Delpher op 30-10-2015, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=dts:32112:mpeg21

Borel, Henri. 1924. ‘De droom (Vrij naar het Chineesch)’, Leeuwarder Courant, 18 april. Geraadpleegd op Delpher op 30-10-2015, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010603070:mpeg21:a0084)

Borel, Henri. 1925. ‘Het andere ding. Een sprookje. (Vrij naar het Chineesch)’, Leeuwarder Courant¸7 april. Geraadpleegd op Delpher op 30-10-2015, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010603360:mpeg21:a0087

Borel, Henri 1926. ‘De meisje en de papegaai (Naar een Chineesche vertelling van Pu Sung Ling)’, Leeuwarder Courant, 20 februari. Geraadpleegd op Delpher op 30-10-2015, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010603626:mpeg21:a0161

Buber, Martin. 1916. Chinesische Geister- und Liebesgeschichten. Frankfurt a. M.: Literarische Anstalt Rütten & Loening. (zie Internet Archive: https://archive.org)

Dollerup, Cay. 2000. ‘“Relay” and “Support” Translations’, in: Andrew Chesterman, Natividad Gallardo San Salvador & Yves Gambier (eds.), Translation in context. Selected Contributions from the EST Congress 1998. Amsterdam; Philadelphia: J. Benjamins, p. 17–26.

Eber, Irene. 1991. ‘Introduction’ to Chinese Tales, Zhuangzi: Sayings and Parables and Chinese Ghost and Love Stories by Martin Buber, translated by Alex Page. New Jersey / London: Humanities Press, p. ix–xxiii.

Fontijn, Jan. 1996. Trots verbrijzeld: Het leven van Frederik van Eeden vanaf 1901, Amsterdam: Querido.

Giles, Herbert A. 1880. Trans. Strange Stories from a Chinese Studio by Pu Songling. London: T. Werner Laurie.

Heijns, Audrey. 2003. ‘Chinese literature in Dutch translation’, Perspectives: Studies in Translatology, 11:4, p. 247–253.

Idema, Wilt. 1996. Vert. De mooiste verhalen uit het oude China van Pu Songling. Amsterdam: Meulenhoff.

Idema, Wilt. 2003. ‘Dutch Translations of Classical Chinese Literature: Against a Tradition of Retranslations’, in: Leo Tak-hung Chan (ed.), One into Many: Translation and Dissemination of Classical Chinese Literature. Amsterdam / New York: Rodopi, p. 213–242.

Idema, Wilt. 2000. Vert. ‘De kikkergod’ van Pu Songling, Het Trage Vuur, nr. 11, p. 20–27.

Idema, Wilt. 2001. Vert. ‘Lingjiao’ van Pu Songling, Het Trage Vuur, nr. 14, p. 40–43.

Idema, Wilt. 2001. Vert. ‘Yue Zhong’ van Pu Songling, Het Trage Vuur, nr. 11, p. 43–49.

Idema, Wilt. 2003. Vert. ‘Abao’ van Pu Songling, Het Trage Vuur, nr. 24, p. 17–23.

Idema, Wilt & Lloyd Haft. 2005. Chinese letterkunde: een inleiding. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Idema, Wilt, B. J. Mansvelt Beck & Nicolaas Hubertus van Straten. 1978. Vert. De beschilderde huid, spookverhalen. Amsterdam: Meulenhoff.

Langen, Ferdinand. 1947. Vert. De wonderlijke verhalen van een Chinees van Pu Songling. Amsterdam: De Bezige Bij.

Mair, Denis C. & Victor H. Mair. 1989. Trans. Strange Tales from Make-Do Studio by Pu Songling. Beijing: Foreign Languages Press.

Menheere, Yves. 2008. Vert. ‘Voetbal op het Dongtingmeer’ van Pu Songling, Het Trage Vuur, nr. 34, p. 23–26.

Minford, John. 2006. Trans. Strange stories from A Chinese Studio by Pu Songling. London / New York: Penguin.

Minford, John & Tong Man. 1999. ‘Whose Strange Stories? P’u Sung-Ling (1640–1715), Herbert Giles (1845–1935), and the Liao-chai chi-i, East Asian History, 17/18, p. 1–48.

Pollard, D.E. 2013. [eerst gepubliceerd in Renditions, no. 40, Autumn 1993] ‘H. A. Giles and His Translations’, in: Lawrence Wang-chi Wong (ed.), Towards a History of Translating, Volume i: On Translation. Hong Kong: The Research Centre for Translation, The Chinese University of Hong Kong, p. 245–266.

Pu Songling. 1992. Liaozhai Zhiyi. Edited by Zhu Qikai. Beijing: Renmin Wenxue Chubanshe.

Pu Songling. 2008. Mingjia pingdian Liaozhai zhiyi (Strange stories of Liaozhai with commentary). Edited by Han Xin, with commentary by Dan Minglun and He Shouqi. Tianjin: Guji chubanshe.

Ringmar, Martin. 2007. ‘“Roundabout Routes” Some Remarks on Indirect Translations’, Selected Papers of the CETRA Research Seminar in Translation Studies 2006. Leuven: CETRA. (https://www.arts.kuleuven.be/cetra/papers/files/ringmar.pdf)

St. André, James. 2003. ‘Retranslation as Argument: Canon Formation, Professionalization, and International Rivalry in 19th Century Sinological Translation’, Cadernos de Tradução, 11:1, p. 59–93.

St. André, James. 2009. ‘Relay Translation’, in: Mona Baker & Gabriela Saldanha (eds.), Routledge Encyclopedia of Translation Studies, London / New York: Routledge, p. 230–236.

Tong Man. 2001. Whose Strange Stories? : A Study of Herbert Giles’ (1845–1935), translation of P’u Sung-ling’s (1640–1715), Liao-chai Chih-i. PhD Dissertation, The Hong Kong Polytechnic University. (http://hdl.handle.net/10397/3419)

VerreTaal – Chinese Literature in Dutch Translation, http://unileiden.net/verretaal/

Zhang Yinzhi. 2005. Vert. ‘Huanniang’ van Pu Songling, Het Trage Vuur, nr. 30, p. 61–66.