Geschiedenis uit het boekje    36-49

Over The Oxford guide to literature in English translation

Dirk Delabastita

Abstract: Uitvoerige bespreking van The Oxford Guide to Literature in English Translation, die een overzicht biedt van de literaire vertaling in het Engels. Alle brontalen en –culturen komen aan bod – waardoor het werk gedeeltelijk ook een compacte geschiedenis van de wereldliteratuur wordt – en het overzicht loopt van de Oud-Engelse periode tot heden.

 

De afgelopen jaren verscheen het ene na het andere standaardwerk op het gebied van het vertalen en de vertaalwetenschap. Daar kwam onlangs The Oxford Guide to Literature in English Translation bij: een kloeke studie met een berg aan informatie ‒ in ieder geval een boek dat wij in Nederland en Vlaanderen ook bij de hand zouden willen hebben. We vroegen aan Dirk Delabastita om eens precies na te pluizen welke waarde deze Guide heeft. 

Deze Oxford Guide biedt een overzicht van de literaire vertaling in het Engels, waarbij de parameters ‘literatuur’ en ‘vertaling’ vrij soepel gehanteerd worden en waarbij in principe het hele historische en geografische spectrum bestreken wordt. Alle brontalen en -culturen komen dus aan bod ‒ waardoor het werk gedeeltelijk ook een compacte geschiedenis van de wereldliteratuur wordt ‒ en het overzicht loopt van de Oud-Engelse periode tot heden.

Het is een in alle opzichten indrukwekkend boek geworden dat elke eurocent van zijn aanzienlijke prijs meervoudig waard is. Heel wat groepen van lezers zullen er wat van hun gading in vinden. Uitgevers, vertalers en culturele beleidsmakers bijvoorbeeld kunnen er te weten komen wat in het Engels bestond, bestaat en ontbreekt aan vertalingen. Literatuurliefhebbers die buitenlandse literatuur bij voorkeur via het Engels lezen, ontdekken er welke Engelse Dante of Kafka het best aan hun wensen zal beantwoorden. En voor vertaalwetenschappers ‒ evenals voor anglisten ‒ tenslotte, is het boek zonder meer een standaardwerk. Het vormt een perfect trio met twee andere onvolprezen Oxford guides (al heten die companions, je vraagt je af wat dit verschil moet betekenen): The Oxford Companion to the English Language (McArthur 1992) en The Oxford Companion to English Literature (Drabble 1995), die allebei de vertaalproblematiek op een nogal lapidaire wijze behandelen.

Verschillende perspectieven
Peter France heeft gekozen voor een multiperspectivische aanpak van de Engelse vertaalgeschiedenis. Part I van het werk, dat loopt tot p. 123, draagt de titel ‘Theory and History’ en nodigt ons in drie secties uit om na te denken over literair vertalen in het Engels vanuit evenzoveel verschillende standpunten: een theoretisch, een historisch-chronologisch en een teksttypologisch.

In een eerste sectie (‘Theoretical issues’) worden in zes korte essays de evoluties en spanningen binnen de vertaalstudie uit de doeken gedaan: ‘Translation Studies and Translation Criticism’ (Peter France), ‘Norms of Translation’ (Theo Hermans), ‘The Limits of Translation’ (Douglas Robinson), ‘Linguistic Perspectives on Translation’ (Mona Baker), ‘Gender in Translation’ (Sherry Simon) en ‘Varieties of English’ (John McRae & Bill Findlay). Deze opsomming moge volstaan om meteen drie kwaliteiten van het hele boek te illustreren: de principieel open en ondogmatische houding die aangenomen wordt, de actualiteit van het gepresenteerde onderzoek, en het zwaar kaliber van de medewerkers.

In de tweede sectie (‘Historical Development’) van Part I wordt gepoogd in zes essays een chronologisch, evolutief beeld te schetsen van de vertaling in het Engels. De behandelde periodes zijn: ‘The Middle Ages’ (Roger Ellis), ‘The Renaissance’ (Warren Boutcher), ‘Neoclassicism and Enlightenment’ (Lawrence Venuti), ‘Romanticism and the Victorian Age’ (Terry Hale) en ‘Late Victorian to the Present’ (Anthony Pym). Het zesde essay gaat over ‘Translation in North America’ (Judith W. Woodsworth). Ook dit lijstje zal menigeen doen watertanden, maar het roept toch ook enkele vragen op. Bijvoorbeeld: hoe keurig sluiten deze essays op elkaar aan? Want, anders dan bij een aantal bekende individuele pogingen tot vertaalgeschiedenis (bijvoorbeeld die van F.M. Rener, H. van Hoof of H. Vermeer ‒ alle drie afwezig ‒ of van L. Venuti) wordt de taak hier verdeeld onder een hele schare medewerkers die elk hun eigen prioriteiten en analysemodel hanteren, wat natuurlijk de vraag naar de globale cohesie oproept. Ook de aanwezigheid in deze sectie van het zesde essay, over vertaling in het Noord-Amerikaanse continent, doet de wenkbrauwen even fronsen. Hier wordt het chronologisch criterium doorkruist door dat van de geografie, waardoor Woodsworths artikel enigszins in het vaarwater komt van het eerder vermelde ‘Varieties of English’ maar ook van ‘Francophone Writing Outside France’ uit Part II.

De derde sectie van Part I (‘Text Types’) introduceert een typologisch perspectief. Voor een aantal teksttypes wordt de vraag gesteld welke specifieke uitdagingen ze inhouden voor de vertaler en/of hoe ze het er vanaf hebben gebracht in de Engelse vertaalgeschiedenis: ‘Poetry’ (Daniel Weissbort), ‘Theatre and Opera’ (Susan Bassnett), ‘Sacred Texts’ (Douglas Robinson), ‘Children’s Literature’ (Peter Hunt) en ‘Oral Literature’ (Ruth Finnegan). Zoals de meeste artikelen in dit boek zijn ook deze hier parels van scherpzinnige analyse, maar je vraagt je natuurlijk af: waarom juist deze vijf genres en geen andere? Heel wat lezers hadden misschien graag een specifiek artikel gezien over het vertalen bijvoorbeeld van filosofische teksten, van romans, of van verfilmde literatuur. Het spook van selectiviteit en onvolledigheid kan je bij een project als dit allicht nooit helemaal bezweren.

Dan volgt Part II dat ‘Translated literature’ heet en dat met zijn 500 bladzijden het leeuwenaandeel van dit boek voor zijn rekening neemt. Het introduceert een vierde perspectief: de aanpak is historisch, maar, anders dan in delen van Part I, wordt de analyse hier bepaald door de chronologische en andere categorieën van de verscheiden brontalen en -culturen, eerder dan door deze van de Engelse ontvangende cultuur. Geleerder gezegd, de gemaakte onderverdelingen zijn doxologisch eerder dan crenologisch georiënteerd.

Ik citeer hier, in de alfabetische orde van de Guide, de titels van de hoofdstukken van Part II: ‘African languages’, ‘Arabic’, ‘the Bible ‘, ‘Celtic languages’, ‘Central and East European languages’, ‘East Asian languages’, ‘French’, ‘German’, ‘Greek’, ‘Hebrew and Yiddish’, ‘Hispanic languages’, ‘Indian languages’, ‘Italian’, ‘Latin’, ‘Northern European languages’, ‘Russian’ en ‘West Asian languages’.

Elk van deze zeventien hoofdstukken bestaat uit een aantal onderverdelingen, die telkens ook besloten worden met een bibliografie van de vertalingen en een doorgaans nogal summiere lijst van secundaire referenties. Het langste hoofdstuk, ‘French’, bevat aldus zestien onderverdelingen. Van ‘Introduction’, ‘Troubadours and Trouvères’, ‘Medieval Literature’, ‘Poetry 1450-1620’ gaat het onder meer via ‘Classical Drama’ en ‘Thinkers 1630-1780’ ‒ naar ‘Twentieth-Century Fiction’, ‘Proust’, ‘Beckett’ en ‘Twentieth-Century Thinkers’, om te besluiten met de eerder aangehaalde ‘Francophone Writing outside France’. De meeste Franstalige schrijvers en hun Engelse vertalingen worden samen met genre- of generatiegenoten onder een algemene hoofdkop besproken. Slechts de allergrootsten of vaakst vertaalden krijgen een eigen artikel toegewezen: La Fontaine, Baudelaire, Proust, Beckett. Tussen de pakweg veertig auteurs of teksten in het hele Part II die deze vipbehandeling te beurt valt, vinden we verder Dante, Dostojevski, Freud, Homeros, de Koran, Leopardi, Mahfouz, Ovidius, Rilke, Strindberg, de Vertellingen van Duizend en één Nacht,en meer van dat fraais.

Vertaalbeschrijving
Voor de meeste brontalen, bronteksten, bronauteurs in Part II wordt telkens een algemene situering of bepaling verstrekt vóór er wordt ingegaan op de Engelse vertalingen. De vertaalbeschrijvingen zelf geven telkens aan welk type van equivalentierelatie de vertaling vertoont. Soms worden korte passages geciteerd in verschillende vertalingen en met elkaar vergeleken. Doorgaans echter moet de beschrijver zich omwille van de beperkte ruimte tevreden stellen met een beknopte karakterisering, waarbij niet zelden geput wordt uit een vrij traditioneel kritisch vocabularium: accessible, accurate, awkward, bold, breezy, close, clumsy, competent, distinguished, energetic, faithful, flaccid, flat, fluent, idiomatic, insipid, literal, literalist, lively, lucid, neat, painstaking, pedesirian, precise, quaint, readable, reliable, resourceful, serviceable, skilful, squeamish, staid, stiff, terse, unexciting, unpretentious, unreadable, verbose, vigorous, wooden, workmanlike, enzoverder. Heel wat van deze termen zijn evaluatief gekleurd, maar het normatieve blijft steeds ondergeschikt aan het beschrijvende. Sterk geladen termen zoals ‘disaster’ (p. 370) of ‘dreadful version’ (p. 430) worden zeer spaarzaam gebruikt en hun schrilheid valt daardoor des te meer op. Hoe compact en approximatief de vertaalbeschrijvingen ook zijn, doorgaans zijn de enkele penseelstreken zo raak en zeker getrokken dat ze volstaan om het beeld van een vertaling op te roepen. Een voorlopig beeld althans, want één van de verdiensten van dit werk is natuurlijk dat het een massa materiaal ter beschikking stelt voor verder onderzoek. Vele honderden papers, scripties, dissertaties en publicaties zitten embryonaal vervat in deze Guide.

Op tal van momenten verbreden de auteurs in Part II hun blik en verschuift het hoofdaccent van tekst naar context, van het equivalentietype naar de vertalers en de omstandigheden waarin ze werkten. De veelheid aan beschreven culturele situaties laat zich hier uiteraard onmogelijk samenvatten (en dwingt lezer en recensent overigens tot diepe nederigheid: geen enkel individu bezit voldoende eruditie om de juistheid van ook maar de helft van alle gemaakte culturele analyses correct in te schatten). De complexiteit van de vertaalrealiteit is natuurlijk niets minder dan de complexiteit van onze culturen zelve: zie hieromtrent ook de bundel Translators Through History (Delisle & Woodsworth 1995), waarnaar mijns inziens te weinig verwezen wordt. De geschiedenis ontvouwt zich daarbij steeds in een dialectiek van het individuele en het collectieve.

De Engelse literaire vertaalgeschiedenis speelt zich af in een zich steeds wijzigend krachtenveld van objectief bepaalde of althans collectief functionerende factoren die bepalen wat mogelijk is en die voorschrijven wat ‘normaal’ of ‘wenselijk’ is. Behalve het effect van de vertaalnormen en van de taalstructurele (grammatica, fonologie...) en literair-esthetische factoren (genres, prosodische systemen...) waarop het vertaalonderzoek reeds langer de aandacht heeft gevestigd, tonen heel wat artikelen in deze Guide het belang van allerlei etnische (migraties...), taalsociologische (centralisering/marginalisering...), institutionele (mecenaat, auteursrecht...), economische (literaire herdenkingen en prijzen...), ideologische (de Koude Oorlog...), filologische (de beschikbaarheid van brontekstedities...) en andere factoren.

Zo schuilt achter elke vertaling een eigen verhaal. Maar de Guide leert ons dat, behalve objectieve en collectieve factoren, ook heel wat meer individuele factoren een cruciale rol spelen in dat verhaal. Het zijn telkens individuen die in de gegeven culturele context een positie kiezen en de vertalerspen ter hand nemen, die zich conformeren of zich verzetten, die de trends volgen of de bakens verplaatsen. Het bewustzijn van deze individuele agency komt in veel artikelen sterk naar voren. Vertalingen worden geschreven en uitgegeven omdat individuen ‒ soms migranten of bannelingen, reizigers, diplomaten of missionarissen, soms academici, soms gewoon gepassioneerde liefhebbers ‒ op een bepaald ogenblik en om een bepaalde reden hun nek uitsteken voor een bepaalde taal, auteur of tekst. Soms krijgen ze daarbij de symbolische steun van een aanzienlijk schrijver uit de ontvangende literatuur die zich als een soort peetvader achter de vertaalde auteur(s) schaart en er bijvoorbeeld in een voorwoord zijn prestige aan leent: W.H. Auden deed dit voor een marxistisch geïnspireerde Hongaarse anthologie uit 1963; Ted Hughes voor de Serve-Kroatische dichter Vasko Popa; Walter de la Mare voor Cassell’s Anthology of French Poetry van 1950; T.S. Eliot voor Paul Valéry; W.B. Yeats voor Rabindranath Tagore... en niemand minder dan D.H. Lawrence schreef een voorwoord voor W. Siebenhaars vertaling van de Max Havelaar (1927). Normen en systemen tellen altijd mee, maar ook het strikt particuliere claimt onze aandacht.

Met bijzondere aandacht ga je natuurlijk op zoek naar het artikel over de vertalingen uit het Nederlands. Voor dat artikel werd een beroep gedaan op Theo Hermans, die als gereputeerd vertaalspecialist én neerlandicus extra muros ‒ werkzaam te London dan nog ‒ uiteraard perfect geschikt was voor deze klus. Zijn bijdrage valt nogal kort uit (p. 562–566). Dit is een gevolg ongetwijfeld van redactionele beperkingen, maar deels ook van het feit dat de literaire vertaling van het Nederlands naar het Engels nooit veel zaaks is geweest: ‘a trickle at best,’ zoals Hermans zegt.

Er zijn af en toe wel eersterangsfiguren bij betrokken geweest. Bijvoorbeeld Engelands eerste drukker, William Caxton, zoals bekend ook een belangrijk vertaler, die verschillende jaren in Brugge werkte en daar genoeg Nederlands opstak om Vanden Vos Reinaerde in het Engels te zetten (1481). Grosso modo uit dezelfde periode dateert de anonieme moraliteit Everyman en het wordt nu algemeen aangenomen dat deze een vertaling is van onze Elckerlijc (al verkozen vorige generaties anglisten te geloven dat het net omgekeerd was!). Heel wat later werd de Max Havelaar tot drie maal toe vertaald. En Louis Couperus was zo wel gediend door zijn vertaler Teixeira de Mattos dat hij zich in Engelse kringen een behoorlijke literaire reputatie wist op te bouwen (al ging het daarmee na de Eerste Wereldoorlog spoedig bergaf). Anne Franks Dagboek was en blijft een wereldwijd succes.

Maar dit soort verhalen blijft uiterst beperkt in aantal. Vaker krijg je het wat ontluisterende zicht van literaire monumenten van bij ons die onvertaald of onbemind blijven in het Engels. Er werd enige tijd beweerd dat Milton Vondels Lucifer had gelezen en gebruikt als inspiratie voor zijn Paradise Lost, maar deze heerlijke hypothese werd nooit bewezen. John K. Hale vermeldt Vondel niet eens in zijn studie over Milton’s Languages (1997) en Lucifer moest tot 1989 wachten voor zijn eerste vertaling... Cats en Huygens werden in de adelstand verheven door koning Charles I zelve, en Huygens vertaalde Donne, maar zelf bleven ze grotendeels ongelezen in de Engelstalige wereld... Dichter bij ons heb je het geval van Louis-Paul Boon, die wel een vertaalster vond (Adrienne Dixon) maar amper geïnteresseerde lezers. Met een volgende generatie (Bernlef, Claus, Minco, Mulisch en Nooteboom) is het klaarblijkelijk beter gesteld, maar de indruk die overblijft na de lectuur van Theo Hermans’ artikel is dat de Nederlandse letteren ondervertegenwoordigd zijn in het Engels, en dus onder hun waarde geschat. Het is bekend dat werk wordt gemaakt van een actieve exportpolitiek en die is voorwaar geen luxe.

Teamwork
Peter France heeft zich voor dit herculisch project laten omringen door een eminente advisory board bestaande uit Mona Baker, Stuart Gillespie, André Lefevere (†), Anthony Pym, Douglas Robinson, Daniel Weissbort en Janice Wickeri. Samen hebben ze leiding moeten geven aan nog een stuk of honderd medewerkers die mee instonden voor de verschillende rubrieken. Dat was allicht geen geringe taak want die medewerkers (meerderheid Brits, minderheid Amerikaans, plus nog een kleine restgroep niet-Anglo-Amerikaans) zijn van diverse pluimage. Ze kunnen grosso modo onderscheiden worden in vier grote groepen, die op verschillende wijzen complementair zijn en elkaar in een aantal fortuinlijke gevallen overlappen:

(1) vertaalspecialisten;
(2) specialisten van de onderscheiden bronliteraturen en -culturen;
(3) comparatisten, evenals Engelse literatuurhistorici met een internationale blik;
(4) actieve vertalers.

Men kon vrezen dat de vertegenwoordigers van de tweede groep (de slavisten, de hispanisten, de germanisten...) zich zouden onderscheiden van de andere door een sterkere affectieve binding met de broncultuur en een lagere tolerantie voor (of zelfs een ontoereikend begrip van) de door de ontvangende cultuur opgelegde selecties en manipulaties. Deze vrees blijkt al met al ongegrond. Wel merken we bij de ‘vertegenwoordigers’ van enkele minderheidsliteraturen (bijvoorbeeld de Armeense) sporen van frustratie omtrent de ‘miskenning’ ervan door de Anglo-Amerikaanse cultuur.

De vertalers zelf ‒ de vierde groep ‒ kennen de te behandelen problematiek zo intens van binnenuit dat een nuchtere behandeling van buitenaf hen misschien voor problemen had kunnen stellen, maar ook dat valt mee. Adam Czerniawski (Pools), George Szirtes (Hongaars), Anthony Vivis (Spaans) en enkele anderen vonden het misschien wat onwennig over zichzelf te moeten schrijven in de derde persoon, maar ze spelen het spel uiterst correct, al lijkt Hiroaki Sato (Japans) er wel wat moeite mee te hebben gehad zijn eigen vertaalwerk uit de schijnwerpers te houden.

Het team van medewerkers werd met vrij vaste hand geleid. Het aantal storende overlappingen of contradicties is dan ook zeer beperkt. Ik noem er toch enkele. De homofone Catullus-vertaling van Celia en Louis Zukofsky ‒ een boeiend curiosum maar toch ook niet meer dan dat ‒ wordt vermeld of besproken in maar liefst vijf (!) van de inleidende essays van Part I, terwijl ze het in het deeltje over Latijnse lyriek met een enkele zin moeten stellen. Op p. 59 geldt Tobias Smollet’s onderhandse herwerking van de Don Quichote van Charles Jarvis als ‘a spirited revision’, op p. 418 heet het dat deze versie ‘tends to broaden the tone, and for the most part is wordier in its solutions’. Op p. 20 en p. 78 nemen Douglas Robinson respectievelijk Anthony Pym de fluency/foreignizing dichotomie van Venuti op de korrel, terwijl die op enkele andere plaatsen als conceptueel model dient.

Selectiviteit
Het te bestrijken domein is schier eindeloos en de bedoeling was ‘a manageable single-volume work’ te maken eerder dan een encyclopedie (p. xxi). Om dit mogelijk te maken moesten een aantal keuzes gemaakt worden.

Evenementen en publicaties van na 1996 worden slechts selectief behandeld. Het oude cliché dat een naslagwerk verouderd is op het ogenblik van zijn verschijning is hier dan ook onvermijdelijk van toepassing. De Beowulf van Seamus Heaney kon enkel aangekondigd worden en inmiddels is hij al gecanoniseerd. Van de pas verschenen tweetalige Homeros (Iliad, door Simon Pulleyn, nochtans ook bij Oxford UP) is er nog geen spoor. En zo kunnen we voorbeelden blijven citeren, in een oefening die natuurlijk volkomen oneerlijk is, maar die wel de legitieme vraag oproept naar de follow-up. De eerder vermelde Oxford Companion to English Literature gaat terug tot de vroege jaren 1930 en heeft al heel wat revised and updated edities gezien. Is daar met betrekking tot deze Guide een planning voor voorzien? Is de tijd stilaan niet rijp voor flexibelere (bijvoorbeeld digitale) publicatievormen om de blijvende actualiteit te bevorderen... en om deze Guide gelijk interactief te koppelen aan de andere Oxford Companions?

Ook de lay-out met zijn compact lettertype en dubbelkolommen moet de economie dienen, maar de tekst blijft aangenaam leesbaar. Alleen de bibliografische lijsten kunnen de verziende lezer in dat opzicht voor moeilijkheden stellen.

Overigens vermelden de referenties de plaats van uitgave, maar niet de uitgever. Vertalers hebben er voornamen, onderzoekers alleen maar initialen. De secundaire bibliografieën zijn soms erg genereus, maar vaker nog ontoereikend en soms blijven ze zondermeer afwezig. Zo is er geen enkele referentie met betrekking tot de Engelse Dantevertalingen! Er zijn geen internet-adressen. Het register, dertig pagina’s in drie kolommen, is helaas enkel een namenindex: hij omvat ook titels van anonieme of collectieve werken, maar geen andere, en ook geen thematische verwijzingen.

Een aantal historische domeinen kon slechts selectief gedekt worden. Dat leidt soms tot een gevoel van frustratie en machteloosheid, bijvoorbeeld in opmerkingen van het type ‘recent translations are toonumerous to discuss individually’ (in verband met Machiavelli). De omvang van de vertaalproductie uit het Frans was zo aanzienlijk dat de gedwongen selecties, zo lijkt het, hier meer pijn doen dan elders. Villon en Voltaire worden karig bedeeld, de discussie van Zola moet zich beperken tot Germinal en L’Assommoir,enzovoort. Al te lacunair is vooral de behandeling van de moderne Franse poëzie. Verlaine, Rimbaud, Valéry, Apollinaire en Éluard (helaas gespeld als Eluard, zonder accent op de hoofdletter) krijgen elk een alinea en bijhorende bibliografische lijst en Baudelaire ziet zichzelf een heel artikeltje toegewijd. Maar over de vertalingen van toch belangrijke dichters als Aragon, Breton, Bonnefoy, Char, Lautréamont, Michaux en anderen is er nagenoeg niets. Bekaaider nog komt het moderne Franse theater er vanaf. Behalve een artikeltje over Beckett, is er één enkele alinea die vooral als schaamlap moet dienen. Geen woord over dramaschrijver en romancier Jules Romains.

Wat ook opvalt is dat vertalen vooral interlinguaal beschouwd wordt. Zogenaamde intralinguale hertalingen vanuit het Oud-Engels komen wel aan bod, maar die vanuit het Middel-Engels of uit latere periodes niet meer. Terwijl hele generaties studenten hun Canterbury Tales leerden kennen via de Penguin-versie van Nevill Coghill of de Bantam Dual-Language editie van A.K. & C. Hieatt. En terwijl Shakespeare zonder parafraserende annotaties zoals in de New Swan-edities of zonder herschrijvingen van het Shakespeare Made Easy-type ook in de Engelstalige wereld moeilijker en moeilijker leesbaar wordt. Niets hierover, helaas. Ook amper wat over intersemiotische vertaling: bijvoorbeeld film- en tv-adaptaties van literaire werken, de import van buitenlandse film- en tv-adaptaties door middel van ondertiteling, nasynchronisatie, remake of op andere wijze. Gezien de enorme mediatisering van de moderne literatuur, was een artikel hierover, hoe summier ook, met probleemstelling en verdere bibliografie, best op zijn plaats geweest.

De zonet vermelde lacune heeft ook wel met een andere keuze te maken: de traditionele canon wordt geprivilegieerd ten opzichte van meer ‘populaire’ literatuurvormen. Ondanks een aantal verwijzingen (p. 59, 67-68, 77, 111, 251, enz.) komt deze laatste niet echt uit de verf. Auteurs als Kotzebue en Eugène Sue en genres als de strip (Astérix, Tintin)worden slechts oppervlakkig behandeld. Een publicatievorm als Reader’s Digest, een schrijver van het formaat van Georges Simenon en een toch hoog gewaardeerde bestseller als Perfume van Patrick Süskind worden over het hoofd gezien.

Maar de druk om de omvang van de Guide te beperken is tegelijk ook een zegen: hij dwingt telkens tot een synthetische behandeling. De medewerkers moeten steeds op zoek naar het kritische moment, naar de hoofdtendens. Nooit kunnen ze zich verliezen in details of verschuilen achter breedvoerigheid. Daardoor maakt het boek zijn rol als guide zeker waar.

Structuur
Storend is wel de ingewikkelde thematische structuur van het boek. Liever had ik een alfabetische ordening gezien: met langere of kortere artikelen en verwijstrefwoorden allemaal simpelweg geschikt in een enkele alfabetische reeks, eventueel met thematische indexen achteraan in het boek. En dit om drie redenen.

Ten eerste zouden méér alfabet en minder systeem het gebruiksgemak verhogen. Een enkel voorbeeld: op p. 51 wordt de Schotse Eneados (1553) van Gavin Douglas vernoemd, met als kruisverwijzing: ‘I.a.6.ii; II.n.3.i’. Nu even aandachtig zijn: I staat voor Part I, a voor ‘theoretical issues’, 6 voor ‘varieties of English’ en ii voor ‘translations into Scots’, terwijl II verwijst naar Part II, n naar ‘Latin’, 3 naar ‘Virgil’ en i naar de ‘Aeneid’. Dergelijke onelegante en on transparante verwijzingen zijn een aanfluiting van de cognitieve ergonomie. (Lezersonvriendelijk is terloops ook de lijst van medewerkers op p. xv-xviii die de initialen moet verklaren waarmee de bijdragen in Part II zijn gesigneerd.)

Ten tweede omdat de thematische ordening als zodanig weinig toegevoegde waarde bezit. De classificatie is bijzonder hybride door de vermenging van tekstgebonden, auteursgebonden, generische, geografische, chronologische, taalkundige, etnische en culturele criteria. Men ziet het nut dat de taxonomie ongetwijfeld had bij de planning van het project, en de gemaakte keuzes zijn allicht wel te verdedigen op pragmatische gronden (bijvoorbeeld de lengte van de hoofdstukken), maar Peter France had ze niet op de lezer mogen afsturen zonder een grondige problematisering. Wat ons wordt voorgehouden als een natuurlijke of probleemloze taxonomie van brontalen, -tradities en -auteurs verbergt in werkelijkheid een fascinerende reeks vragen en keuzes ten aanzien van de culturele cartografie (zie hierover bijvoorbeeld Lambert 1990). Zo wordt het Afrikaans besproken onder het hoofdstuk ‘African Languages’. Onder de merkwaardige kop ‘Hispanic Languages’ vinden we onder meer de Catalaanse literatuur, de Portugese literatuur en zelfs de Braziliaanse. Het Nederlands staat samen met onder meer het Oud-Engels (!) en het Fins (!) in de reeks ‘Northern European languages’, waar het Duits dan weer ontbreekt, omdat het een eigen hoofdstukje heeft. De Limburger Henric van Veldeke (onvertaald gebleven overigens in het Engels) wordt geruisloos bij de Duitse literatuur ingeschoven, wat kan, maar niet zondermeer. Algemeen erkende onderverdelingen (Germaans, Romaans, Slavisch...) worden dan weer niet gebruikt.

Ten derde is het alfabetische model flexibeler. Het zou met name hebben toegelaten om een aantal interessante thema’s te bespreken die moeilijk in het taxonomische model ingeschoven kunnen worden. Ik denk daarbij aan twee types van problemen waaraan men gerust enkele lemmata had mogen wijden: methodologische en taaloverschrijdende.

Wat betreft de wenselijke methodologische lemmata denk ik aan het daarnet geciteerde probleem van de veelheid en diversiteit van mogelijke criteria om de bronteksten en bronsystemen te identificeren en te classificeren. Daarbij had men onder meer kunnen putten uit de bibliografische ervaring verzameld in het gigantische project Bibliographie des traductions françaises (1810-1840) (Van Bragt 1995), tot dusver de meest uitvoerige en technisch verfijnde poging om bibliografisch en statistisch greep te krijgen op de complexiteit van de vertaalproductie in een gegeven periode. Dat statistische perspectief op zich is, behalve in incidentele opmerkingen, amper aanwezig in de Guide. Hoe wijzigen zich de verhoudingen tussen productie (bijvoorbeeld nieuwe werken), traditie (blijvende actualiteit bijvoorbeeld door heruitgave) en import (bijvoorbeeld vertaling), en hoe zit het binnen het domein van de import met de distributie tussen verschillende brontalen, -auteurs, -genres. enz.? Op het nut en ook de beperkingen van dergelijke analyses werd al eerder gewezen door bijvoorbeeld Lawrence Venuti en Anthony Pym, en, in een andere context, door Rob Heilman. Daarom is het jammer dat er in de Guide geen sterkere aanzetten in die zin worden gegeven.

Perspectief
Wat betreft de wenselijke taaloverschrijdende lemmata denk ik aan een aantal fenomenen dat niet verbonden is met deze of gene specifieke brontaal of brontekst, maar veeleer eigen is aan het algemene functioneren van literaire vertaling in de doelcultuur.

Bedenk hierbij dat vijf zesde ‒ het hele Part II ‒ van deze Oxford Guide is gedacht en geschreven vanuit de logica van de onderscheiden brontalen en bronliteraturen. Dit had ook anders gekund: men had systematisch kunnen werken met een logica die uitging van de vertaalrealiteit in het ontvangende systeem. Dat had een alfabetisch, chronologisch en/of systematisch geschikt naslagwerk van vertalers, vertalerscollectieven, uitgevers, reeksen, verenigingen, vertaalprijzen, vertaalcritici, vertaalonderzoekers, enz. kunnen opleveren. Met bijvoorbeeld langere artikelen over vertalers als Chaucer, Walter Scott, Ezra Pound, Charles Tomlison, enzovoort. Met een lemma over de Iowa Translation Workshop. En met kortere lemmata over een Arnold J. Pomerans ‒ wiens vertaaloeuvre zowel The Sorrow of Belgium omvat als The Letters of Sigmund Freud to Eduard Silberstein ‒ en over zoveel andere boeiende figuren. Met de flexibele formule van een alfabetische presentatie ware het overigens mogelijk geweest om bron- en doelperspectief volgens bepaalde doseringen met elkaar te combineren: artikelen over Rilke, Rousseau en Racine (vertaalde auteurs) én over Gregory Rabassa of Craig Raine (vertalers). Deze laatste vertaalde Racine (wat voor een anagram trouwens: C. Raine/Racine) maar ook Ovidius en Oud-Engelse poëzie, en hij is verder ook academisch criticus, dichter, echtgenoot van Ann Pasternak Slater, enzovoort. Dit kleine voorbeeld moge aantonen welk een boeiende wereld zich ontvouwt als men van invalshoek verandert.

Voor zover het om vertalers gaat, helpt de index van namen ons natuurlijk al een eind op weg. Voor Pomerans, Rabassa en Raine zijn er telkens twee of drie verwijzingen, wat bladerbaar is. Voor Tomlison twaalf, voor Chaucer en Walter Scott elk zeventien, voor Pound maar liefst dertig. Wie zich vanuit de index een beeld wil vormen van deze vertalers, zal veel ijver en geduld aan de dag moeten leggen.

Maar vaak wil je meer weten over Engelse literaire vertaalfenomenen die je niet zondermeer met een opzoekbare naam kan verbinden. Een voorbeeld: de anthologie. Die speelt een cruciale rol in het definiëren en verspreiden van buitenlandse literaturen. Van deze Guide verwacht je dan misschien een eerste analyse, een historische contextualisering, een aantal besprekingen van (of kruisverwijzingen naar) bekende voorbeelden, en enkele bibliografische hints naar gepubliceerd onderzoek (bijvoorbeeld Frank 1998). Wat de Guide biedt zijn tientallen, honderden voorbeelden, verstrooid over de talloze brontalen en -auteurs, maar nergens beschikbaar gemaakt als een interessant, reeds bestudeerd of nog te bestuderen vertaalfenomeen op zich. Hetzelfde geldt voor het verwante verschijnsel van de literaire reeksen. De Bohns Classical Library, Everyman’s Library, Heinemann’s African Writers Series, Loeb Classical Library, Norton Critical Edition, Oxford Medieval Texts, Penguin Classics, Temple Classics, Thinker’s Library, Tudor Translation, Twayne World Author Series, Universal Library, World’s Classics, Writing from India, en zoveel andere: ze worden terloops vermeld, maar nergens grondig besproken.

Nog een voorbeeld: de literaire Nobelprijs, waarnaar meer dan dertig keer wordt verwezen. Maar in de index staat hij niet gerepertorieerd en de vanuit de brontalen gedefinieerde thematische taxonomie laat geen ruimte voor een lemma erover. Jammer, want enige reflectie over deze ongemeen belangrijke hefboom in de internationale vertaalproductie ware welkom geweest. Met enige verwondering wordt op p. 495 gezegd dat ‘[a]lthough Montale received the Nobel Prize in 1975, the watershed volume in his English canonization appeared a decade earlier’, maar zijn het niet vaak de vertalers die een auteur tot bij het Nobel-comité brengen?

Zonder al te veel commentaar citeer ik hieronder nog enkele fenomenen uit de ontvangende cultuur die misschien in aparte lemmata belicht hadden mogen worden: censuur; de Engelse Esperanto-beweging; indirecte vertaling; internationale instituties als UNESCO of PEN; Latijn als doeltaal voor Engelse literaire vertaling (Beowulf, Shakespeares Sonnets); literaire tweetaligheid; mecenaat; namen van auteurs (waarom St John of the Cross, maar Sor Juana Inés de la Cruz? waarom Ovid en Petrarch, en niet Ovidius en Petrarca?); niet-vertaling van teksten of tekstgedeeltes; onderwijs van vreemde talen en literaturen; opleiding van (literaire) vertalers; pseudo-vertaling; reader’s guides (van het type what to read in English); tijdschriften; titels van literaire werken in vertaling; verenigingen van (literaire) vertalers; vertaalprijzen.

Hoe knap ze ook zijn, graag had ik heel wat van de theoretisch geïnspireerde pagina’s uit Part I opgeofferd aan een expliciete behandeling van enkele van deze vertaalfenomenen. De bedoeling was toch niet een Oxford Guide to Translation Studies te maken?

Kapers op de kust en een uitdaging aan de einder
Vlak voor het ter perse gaan van deze regels, landde met een aanzienlijke plof de Encyclopedia of Literary Translation into English op mijn leestafel: twee volumes in kwartoformaat, samen 1714 bladzijden dik, ruim 5 kilo zwaar en 185 pond duur. De leiding over dit project berustte bij Olive Classe, die, net zoals Peter France, romanist is en vanuit de Celtic fringe opereert (University of Glasgow resp. University of Edinburgh). De Encyclopedia is globaal ambitieuzer dan de Guide, hij volgt een meer alfabetisch presentatiemodel en is toegerust met vollediger indexen, maar de basisopties van beide werken zijn amper verschillend. De samenloop van beide projecten is in meer dan één opzicht veelzeggend, maar ik voel me er niet onverdeeld gelukkig mee. De Encyclopedia is gedetailleerder dan de Guide, maar enkele steekproeven tonen dat deze laatste heel wat interessant materiaal bevat dat ontbreekt bij de grote broer en dat beide werken sowieso heel wat gemeenschappelijke grond hebben. Competitie werkt prima voor de consument als het gaat om mobiele telefonie of supermarkten, maar hier waren we misschien beter af geweest als beide teams hun bibliografieën, expertise en energie hadden kunnen samenvoegen. En dan wachten we ondertussen ook nog op Übersetzung ‒ Translation ‒ Traduction. Ein Internationales Handbuch zur Übersetzungsforschung (Frank et al., forthcoming), met ook heel wat historische overzichten.

De vraag die zich schuilhoudt achter deze lange bespreking is natuurlijk: wanneer komt er een gelijkaardig naslagwerk dat de literaire vertaling in het Nederlands in kaart brengt? We beschikken met The Oxford Guide to Literature in English Translation en met de Encyclopedia of Literary Translation into English over mogelijke modellen. Dat de rijkdom van de Nederlandse vertaalgeschiedenis en de rol van vertaling in de cultuur van de Lage Landen daar alle aanleiding toe geven, lijdt geen twijfel. Dat er in het Nederlandse taalgebied voldoende deskundigheid bij vertaalwetenschappers, literatuurwetenschappers en vertalers voorhanden is kunnen we ook veilig aannemen. Heel bruikbare bibliografische vertrekpunten zijn er ook al (onder meer Hermans 1991 en De Rynck & Welkenhuysen 1992/ 1997). Waar wachten we nog op? Een initiatief hiertoe ligt binnen de mogelijkheden, het probleem is uiteraard de financiering. Toch moeten er in Nederland en Vlaanderen voldoende instellingen zijn die er belang bij zouden kunnen hebben dat een dergelijke onderneming tot stand komt: De Taalunie, de organisaties voor wetenschappelijk onderzoek, de letterenfondsen, particuliere fondsen wellicht. Het voorbeeld van de Guide geeft aan dat een dergelijk boek op zich al een enorme verrijking zal zijn. Misschien moeten we niet te lang wachten.
 

Peter France (ed.). 2000. The Oxford Guide to Literature in English Translation. Oxford & New York: Oxford University Press. ISBN 0-19-818359-3, xxii + 656 p., £ 60 (hardcover).

 

Bibliografie
Bragt, Katrin van. 1995. Bibliographie des traductions françaises (1810-1840). (Avec Ia collaboration de Lieven D’hulst en José Lambert. Conception technique: Ludo Meyvis.) Leuven: Leuven University Press. [CD-ROM versie 1996.]

Classe, Olive (ed.). 2000. Encyclopedia of Literary Translation into English. 2 vols. London/Chicago: Fitzroy Dearborn.

Delisle, Jean & Judith Woodsworth (eds). 1995. Translators Through History. Amsterdam/Philadelphia: John Benjamins.

Drabble, Margaret (ed.). 1995. The Oxford Companion to English Literature. Oxford (etc.): Oxford UP.

Frank, Armin Paul. 1998. ‘Anthologies of Translation’, in: Baker, Mona (ed.). 1998. Routledge Encyclopedia of Translation Studies. London/New York: Routledge, p. 13-16.

Frank, Armin Paul et al. (eds). Forthcoming. Übersetzung ‒ Translation ‒ Traduction. Ein Internationales Handbuch zur Übersetzungsforschung. Berlin/New York: De Gruyter.

Hermans, Theo. 1991. Studies over Nederlandse vertalingen. Een bibliografische lijst. ’s Gravenhage: Bibliographia Neerlandica.

Hoof, Henri van. 1991. Histoire de la traduction en occident. Paris/Louvain-la-Neuve: Duculot.

Lambert, José. 1990. ‘A Ia Recherche de cartes mondiales en littérature’, in: Janos Riesz & Alain Ricard (eds), Semper Aliquid Novi. Mélanges offerts à Albert Gérard. Tübingen: Narr, p. 109-121.

McArthur, Tom (ed.). 1992. The Oxford Companion to the English Language. Oxford (etc.): Oxford UP.

Runck, Patrick de & Andries Welkenhuysen. 1992. De Oudheid in het Nederlands. Repertorium en bibliografische gids voor vertalingen van Griekse en Latijnse auteurs en geschriften. Baarn: Ambo. [supplement in 1997]

Lees meer over: