Over Translation and relevance. Cognition and Context van Ernst August Gutt    57-59

Lourens de Vries

Ernst August Gutt, Translation and Relevance. Cognition and Context. Manchester: St. Jerome Publishing, 260 p., 2000, ISBN 1-900650-22-3, £ 22,50.

Dit boek is een licht aangepaste heruitgave van Gutt’s dissertatie uit 1989, aangevuld met een naschrift van 35 pagina’s waarin Gutt ingaat op de reacties op zijn dissertatie. Gutt past in zijn boek de Relevantietheorie van Sperber en Wilson (1986) toe op vertalen en vertaaltheorie.

Het boek begint met een kritisch overzicht van de stand van zaken in de vertaalwetenschap anno 1989. Jammer dat deze heruitgave niet is aangegrepen om dit eerste hoofdstuk te actualiseren. Wie zit in 2000 te wachten op een nogal partijdige schets van de vertaalwetenschap aan het eind van de tachtiger jaren van de vorige eeuw?

Hoofdstuk 2 probeert uit te leggen wat de Relevantietheorie inhoudt. En dat is een hele toer, want Sperber and Wilson (1986) hebben de centrale principes van hun communicatietheorie geformuleerd in een ondoorzichtig jargon. Neem deze formulering van het relevantieprincipe: ‘Every act of ostensive communication communicates the presumption of its own relevance’ (Sperber en Wilson 1986: 158). Gutt heeft vele bladzijden nodig om dergelijke beweringen toe te lichten. Wanneer een theorie een uitwerking is van inzichten uit eerder werk, is een historische presentatie vaak de helderste. Sperber en Wilson 1986 vormt een uitwerking van de fundamentele inzichten ontwikkeld in het briljante werk van Grice en het is jammer dat Gutt niet start bij Grice die in het hele hoofdstuk slechts één keer, in een tussenzin, genoemd wordt.

Grice (1975) maakte een scherp onderscheid tussen de betekenis en de interpretatie van taaluitingen. De uiting ‘het regent en ik ben kletsnat geworden’ geeft aanleiding tot de interpretatie dat de spreker door de regen nat is geworden maar deze causale relatie is een inferentie gebaseerd op het combineren van uiting en kennis van de wereld. De uiting zelf drukt de causale relatie niet uit. De luisteraar neemt aan dat het vermelden van de regen relevant is voor het nat worden en vult die relevantie causaal in op grond van zijn kennis van de wereld. De causale relatie is niet gecodeerd in de uiting en behoort niet tot de betekenis, tot de semantiek van de uiting. Grice werd gefascineerd door de regels of principes die taalgebruikers volgen als ze interpretaties afleiden uit taaluitingen en als ze taaluitingen formuleren om bepaalde inferenties te bewerkstelligen bij de luisteraar. Het basisprincipe was voor Grice het Cooperative Principle: gesprekspartners zullen zich coöperatief opstellen om de communicatie goed te doen verlopen. Dit nogal vage samenwerkingsbeginsel werkte Grice nader uit in een viertal afgeleide principes die hij maxims noemde, de maxims van Quantity, Quality, Relevance and Manner. Deze principes zijn even voor de hand liggend als wezenlijk: gebruik niet meer woorden dan nodig is voor het doel van je communicatie (Quantity), zeg dingen die slaan op het doel van je communicatie (Relevance),enzovoorts. Sperber en Wilson bouwen nu voort op Grice en proberen de vier pragmatische maxims van Grice tot één terug te brengen, tot het principe van relevantie. Sinds het boek van Sperber en Wilson verscheen is het in de pragmatiek niet tot een consensus gekomen over de vraag of zij inderdaad geslaagd zijn in deze reductiepoging. Levinson (2000) bijvoorbeeld betoogt op empirische en theoretische gronden dat er meerdere maxims nodig zijn en keert wat dit betreft terug tot Grice.

Grice, en in zijn voetspoor Sperber en Wilson, zijn vooral geïnteresseerd in de cognitiepsychologie van de individuele taalgebruiker: welke mentale processen liggen ten grondslag aan informatieuitwisseling en kennisvorming door talige communicatie? Door dit begrippenkader toe te passen op vertalen neemt Gutt de cognitiepsychologische gerichtheid mee. Zo’n kader geeft weinig impulsen om naar vertalen en vertalingen te kijken vanuit een sociaal, institutioneel en historisch perspectief, ook al vallen deze aspecten van vertalen wel in te passen in Gutt’s benadering.

Gutt ziet het vertalen als ‘interlingual quotation’ (p. 132). Mensen blijken niet alleen binnen een taal te kunnen weergeven wat iemand anders heeft gezegd maar ze kunnen hetzelfde doen over taalgrenzen heen. Net zoals er directe en indirecte rede is bij het aanhalen binnen een taal, zo zou er ‘direct translation’ zijn, vergelijkbaar met directe rede, en ‘indirect translation’, de analoog van indirecte rede. Deze analogie versluiert wat mij betreft de aard van het vertalen meer dan dat ze die verheldert: door taalstructurele verschillen kun je nooit iemands woorden in een andere taal direct aanhalen, dat is nu juist het probleem. Als vertalen al ‘quotation’ is, dan is ze altijd ‘indirect’. Terwijl je binnen één taal blijvend maar op één manier direct kunt citeren, ontstaat over taalgrenzen heen altijd onmiddellijk het probleem van de keuze uit meerdere mogelijke manieren om iemands uitingen weer te geven in de andere taal.

In de hoofdstukken 3 tot 7 onderzoekt Gutt allerlei visies op vertalen en allerlei verschijnselen in vertalingen vanuit de Relevantietheorie met zijn onderscheidingen tussen codering en inferentie, betekenis en interpretatie, explicaturen en implicaturen. In dat onderzoek blijken zowel de sterke als de zwakke kanten van het leunen op het neo-Griceaanse kader van Sperber en Wilson.

Sterk en belangrijk is Gutt’s analyse van het betekenisbegrip van vertaalbenaderingen als die van Nida en Taber 1969 en Beekman en Callow 1974. Deze theoretici, die een enorme invloed hebben gehad op de praktijk van het vertalen van de Bijbel, maken geen systematisch onderscheid tussen betekenis en interpretatie (in de Griceaanse zin) en Gutt laat helder zien tot welke problemen dat leidt. Zwak is het ontbreken van een historisch en sociaal-institutioneel perspectief in Gutt’s analyse. Immers, waarom onderscheidden juist vertaaltheoretici uit de kring van de missionaire bijbelvertalers onvoldoende tussen betekenis en interpretatie? Dat was vanwege de sociale en institutionele functie van deze bijbelvertalingen: missionering van mensen in een totaal andere culturele context dan die van de bijbelse bronteksten. Deze bijbelvertalingen, die het christelijk geloof en haar boodschap wilden overbrengen aan ongekerstende Indianen of Papoea’s, hadden een sterke tendens de bedoelingen van de bijbelse uitingen (zoals opgevat door de missionaire vertaler) weer te geven binnen de vertaling. Nida en Taber 1969 is het beste te begrijpen als een theoretische onderbouwing van bijbelvertalingen met een missionaire skopos in de historische context van de naoorlogse, Amerikaanse zendingsbeweging

Ook Gutt theoretiseert in een bepaalde sociale context: hij is een bijbelvertaler van de Wycliffe-organisatie die de uitleggerige uitwassen van het missionaire bijbelvertalen van dichtbij heeft gezien en begrippen als semantische representatie (betekenis) en inferentie/implicaturen (bedoelingen) aangrijpt om kritisch te reflecteren op deze vertaalpraktijk. De impulsen voor deze kritische reflectie komen uit de veranderde sociale context van bijbelvertalingen in Azië, Zuid-Amerika en Afrika waar de inmiddels al lang zelfstandige kerken steeds minder uit de voeten kunnen met vertalingen van het missionaire type en verlangen naar vertalingen die goed functioneren in kerk en liturgie.

Daarmee raken we ook aan het belang van het werk van Gutt. Zijn dissertatie heeft een belangrijke functie in kringen van bijbelvertalers. Voor de algemene vertaaltheorie ligt het belang van zijn werk vooral in het opnieuw centraal stellen van de onderscheidingen van Grice in de reflectie op vertalen.

In het naschrift gaat Gutt kort in op enkele critici van zijn dissertatie en vat hij de hoofdpunten van zijn boek nog eens samen. Het polemische deel van het naschrift is zwak. Tot een echt debat komt het nergens. Gutt laat andere visies onvoldoende aan het woord komen. De ‘skopos benadering wordt in een noot afgedaan als ‘hollow at the core’ (p. 220). De ‘Translation Studies’ zijn nuttig als encyclopedische feitenverzamelingen (p. 235).

De samenvattende delen van het naschrift zijn gelukkig een stuk beter. Gutt probeert vooral te laten zien waar hij winst heeft geboekt, onder meer wijzend op de analogie van ‘translation as interlingual quotation’ (p. 211) en op de aanscherping van het betekenisbegrip zodat vertalers zich beter bewust worden van zaken als ‘the difference between the (linguistically) expressed meaning and the intended interpretation’ (p. 225). Deze delen van het naschrift maken het ook voor de lezer goed mogelijk voor zichzelf na te gaan waar de toepassing van de Relevantietheorie op vertalen echt iets bijdraagt en waar niet.

 

Bibliografie
Beekman, John en John Callow. 1974. Translating the Word of God. Dallas: Summer Institute of Linguistics.

Grice, H.P. 1975. ‘Logic and Conversation’. In: P. Cole and J.L. Morgan (eds.). Syntax and Semantics, vol. 3: Speech Acts. New York: Academie Press, 41–85.

Levinson, Stephen. 2000. Presumptive Meanings. The theory of generalized conversational implicature. Massachusets: MIT Press.

Nida, Eugene en Chr. R. Taber. 1969. The Theory and Practice of Translation. Leiden: E.J. Brill.

Sperber, Dan en Deirdre Wilson. 1986. Relevance: Communication and Cognition. Oxford: Basil Blackwell.

Lees meer over: