De zaadstorting van Sara    27-30

Sijbolt Noorda

In een Amsterdamse tram zit een bijbelvertaler te mijmeren. Hij piekert over een vertaalkwestie. Een ongewone woordcombinatie: de zaadstorting van Sara. Dan ziet hij een moeder en een dochter die als twee druppels water op elkaar lijken, met zo op het eerste gezicht geen spoor van een genetische bijdrage van de vader. ‘Alsof er geen man aan te pas gekomen is.’ Het alledaagse tafereel zet de vertaler aan het denken.

Van het gewone, alledaagse moeten vertalers – ook in het geval van de bijbel – het evenzeer hebben als van het diepzinnige en vreemde. Ze moeten de valkuilen van teveel diepzinnigheid en beter weten even dikwijls ontwijken als die van oppervlakkigheid en versimpeling. Dat lukt niet altijd. Een illustratief voorbeeld is de hardnekkige traditie die doet alsof de treffende gelijkenis tussen een moeder en haar dochter een modern verschijnsel is. Alsof kinderen uit enkel mannelijk zaad geboren worden, alsof men op dit punt in vroegere tijden onnozeler was dan wij nu en dacht dat de baarmoeder een soort broedplaats was waarin mannelijk zaad werd gedeponeerd en tot ontwikkeling kwam zonder dat vrouwelijk zaad een rol speelde. 

Waar gaat het om? In het nieuwtestamentische geschrift Aan de Hebreeërs wordt in het elfde hoofdstuk de kracht van het geloof gedemonstreerd aan de hand van een reeks historische voorbeelden. Abraham is in deze serie een van de belangrijkste getuigen. Er staat van hem dat zijn geloof zo sterk was dat hij het aangedurfd heeft weg te trekken van zijn erfdeel zonder te weten waar hij terecht zou komen, naar een land waar hij vreemdeling zou zijn in een ver buitenland. Dan volgt in vers 11 een zin over de wonderlijke verwekking van een kind van de twee bejaarden Abraham (100) en Sara (90). Die bijzondere gebeurtenis wordt toegeschreven aan het geloof van Abrahams vrouw Sara en de kracht van haar zaad, maar menig bijbelvertaler kan zijn ogen niet geloven en vat deze zin op als zou ook die over het geloof en het zaad van Abraham gaan. Zo vertaalde in 1925 de geleerde A.M. Brouwer: 'Door het geloof ontving hij ook met Sara kracht, om nageslacht voort te brengen, en dat ver na den tijd van zijn levensbloei, daar hij Hem die de belofte gegeven had, voor getrouw hield.' De Nije Fryske Bibeloersetting, die dit jaar haar vijfentwintigjarig jubileum viert, deed met enige kleine variaties hetzelfde: 'Om ’t er leaude krige er de krêft om by Sara sels bern te krijen, al wienen se dêr te âld foar, want hy wist dat er Him dy ’t it tasein hie, fertrouwe koe.' De moderne en doorgaans lofwaardige vertaling van het Zuid-Afrikaanse Bijbelgenootschap expliciteerde nog duidelijker Abrahams rol: 'Omdat Abraham geglo het, het hy, hoewel Sara onvrugbaar was en hy al te oud, krag ontvang om ’n kind te verwek, omdat hy God wat dit beloof het, getrou geag het.' En ook de eerste Nederlandse vertaling in de omgangstaal uit 1974 gaf de hoofdrol aan Abraham in plaats van aan Sara: 'Door zijn geloof heeft hij van God de kracht gekregen om ook bij Sara zelf een kind te verwekken ondanks haar hoge leeftijd. Hij geloofde dat God zijn woord zou houden.'

Dit zijn vertalingen van een Griekse zin die woord voor woord vertaald zo luidt: 'Door het geloof kreeg ook Sara, die onvruchtbaar was, kracht voor een zaadstorting, ook al was ze voorbij de geschikte leeftijd, omdat zij degene die het beloofd had betrouwbaar achtte.'

Het idee dat Sara’s zaad krachtig werd en op die manier aan haar onvruchtbaarheid ver na haar menopauze een einde kwam kunnen sommige vertalers kennelijk maar moeilijk aanvaarden. En dat vertalersongeloof brengt hen tot gekunstelde opvattingen van de Griekse tekst of zelfs tot de gedachte dat de tekst in de loop van de overlevering gecorrumpeerd is en door de vertalers gerepareerd moet worden.

Deze gang van zaken is een sprekend voorbeeld van de misleidende kracht van vooroordelen, minstens in drieërlei opzicht. 

In de eerste plaats veronderstellen vertalers die een zaadstorting van Sara onwaarschijnlijk achten bij de auteur van de tekst ten onrechte een gebrekkige kennis van de menselijke voortplanting. Het mag zo zijn dat er in de oudheid over de genetica veel meer gespeculeerd moest worden en veel minder experimenteel vastgesteld kon worden. Dat neemt niet weg dat men op grond van de feitelijke verscheidenheid in de praktijk van de procreatie tot een heel redelijk kloppend inzicht kwam in de gang van zaken. Wie zich verdiept in de wetenschapshistorie op dit punt vindt bij talrijke klassieke auteurs evenals bij de joodse en christelijke uitleggers van verwante teksten ampele bewijzen daarvan. Zo is de waarneming dat kinderen even vaak een sprekende gelijkenis met de moeder als met de vader vertonen ver voordat men de fysiologische kennis had die onderzoekers vanaf de negentiende eeuw bezitten voldoende reden voor een genetische theorie die zowel de vader als de moeder rechtstreekse invloed op de vrucht toeschrijft. De Utrechtse bijbelgeleerde Piet van der Horst heeft sinds 1990 in een aantal artikelen over deze kwestie ruimschoots overtuigende documentatie voor deze theorieën aangevoerd zodat het misleidende vooroordeel eens en voor al in de archieven van het misverstand bijgezet zou kunnen worden. Maar vertalers die in Hebreeërs 11:11 moeite hebben met de zaadstorting van Sara en de neiging hebben de tekstoverlevering te corrigeren, hadden al veel eerder beter kunnen weten. Ze zouden bij de Byzantijnse tekstverklaarder Theophylactus uit de elfde eeuw al hebben kunnen lezen hoe het zit. Over ‘zij kreeg kracht voor een zaadstorting’ schreef hij: 'dat wil zeggen dat zij de kracht ontving om het zaad van Abraham dat in haar werd uitgestort te ontvangen en vast te houden; of, omdat de deskundigen zeggen dat een vrouw ook op de een of andere manier eigen zaad voortbrengt, dat mogelijk de’ zaadstorting’ opgevat moet worden in de zin van ‘om ook zelf zaad te storten’.' 

Het tweede vooroordeel dat in dit en dergelijke gevallen op de loer ligt is de voorrang van het mannelijk perspectief in antieke teksten respectievelijk bij de vertalers. Laat er geen misverstand over bestaan: die voorrang is in de bijbel onmiskenbaar aanwezig op talloze plaatsen en in velerlei opzicht. Maar dat geeft nog geen vrijbrief hem ook daar te laten gelden waar het mannelijk stempel in de teksten ontbreekt of juist gecorrigeerd wordt. 

Elders in de bijbelse overlevering wordt Sara niet bepaald om haar geloof en godsvertrouwen geprezen. In Genesis 18 lacht ze om de goddelijke boodschapper die haar op haar oude dag een kind voorzegt. Abraham staat er wat dat betreft beter op. Krachtens zijn gangbare imago als geloofsheld en de belangrijke rol die hij speelt in heel het elfde hoofdstuk van de Hebreeërs wordt dan door sommigen ook het vers, dat voor de verandering Sara nu eens in een positief licht zet, aan haar ontnomen en op zijn conto gezet. De auteur van deze tekst varieert het negatieve beeld van Sara, maar zijn originele opvatting dreigt door de ingreep van sommige vertalers achteraf alsnog genormaliseerd te worden. Curieus detail is bij dat alles dat in Genesis 17 bij de eerste voorzegging van de geboorte van een zoon op zijn stokoude dag met minstens evenveel nadruk melding wordt gemaakt van Abrahams ongelovig lachen als bij de tweede keer ten aanzien van Sara. Met wat meer bijbellezen was het bevooroordeeld voortrekken van Abraham boven Sara dus te voorkomen geweest. Bovendien vergeten degenen die Hebr. 11:11 normaliseren de gebruikelijke tekstkritische stelregel dat een vermeend minder gebruikelijke gedachte juist ‘verbeterd’ - dat wil zeggen: genormaliseerd - pleegt te worden in de loop van de teksttraditie, en zich niet – zoals in dit geval - handhaaft als lezing van de overgrote meerderheid van de handschriften. Waar van een onaangevochten ‘abnormale’ tekst sprake is, mag men ervan uit gaan dat men met een originele traditie te maken heeft.

Er is mijns inziens nog een derde factor in het geding, niet alleen in de besproken passage, maar ook elders in de bijbelstudie. Bijbeluitleggers en vertalers zijn dikwijls zo geconcentreerd bezig met die ene verzameling geschriften dat ze licht vergeten dat deze teksten niet op zichzelf staan, maar in de loop van vele eeuwen zijn ontstaan in rechtstreekse en drukke interactie met hun culturele context. Vooral theologische geleerde interesse in bijbelteksten doet gemakkelijk vergeten dat ze gevormd zijn in een alledaagse sociaal-culturele omgeving en daarvan danig de sporen dragen. De vrijwel uitsluitend religieuze benutting van deze teksten trekt ze als het ware uit het lood. De verhouding tussen taalconventies, culturele eigenaardigheden en specifiek religieuze inhoud en strekking wordt scheefgetrokken. Alsof iedere mededeling en ieder aspect ervan een heilig-boekkarakter heeft. Die – vaak onbewuste – leeshouding belemmert het zicht op het gewone, het conventionele dat je scherp in het oog moet houden om elke tekst goed te vatten. 

De zaadstorting van Sara, kent u die uitdrukking? Nee, de woordcombinatie is ongebruikelijk, er is geen precieze parallel bekend. Maar in het alledaagse ligt de sleutel.

Kierkegaard beschreef eens een alledaags tafereel in de studeerkamer van een geleerde Hollandse oriëntalist. De man zit maar te turen op zijn teksten. Wanneer zijn vrouw hem roept voor het middagmaal, hoort hij haar niet. En wanneer zij in arren moede naar boven komt om hem te halen voor het eten, beduidt hij haar dat van eten geen sprake kan zijn voordat hij zijn raadsel heeft opgelost. Hij heeft een ongewone vocalisatie bespeurd in een overbekende tekst en moet weten hoe het zit. Dan buigt de vrouw zich met een glimlach over het zwarte puntje dat de huiselijke orde verstoort en blaast het stofje weg van het papier. En opgelucht staat de geleerde op en zet zich aan de maaltijd.

Lees meer over: