Hotelbijbels, betrouwen en Alphen a/d Rijn    16-18

Arnon Grunberg

In zijn overlevingshandboek Reizen langs de frontlijn geeft oorlogsjournalist Arnold Karskens tips aan journalisten, hulpverleners en avonturiers die ook langs de frontlijn willen reizen. Een van die tips luidt: ‘Je beheerst minstens twee van de wereldtalen Engels, Spaans, Arabisch, Frans en Russisch.’

De bijbel lezen is makkelijker en goedkoper, zij het ook misschien iets minder opwindend, en je hoeft niet minstens twee van de wereldtalen te beheersen om ongeschonden uit de strijd te komen. Een vertaling is altijd wel aanwezig tenzij je slechts een praktisch uitgestorven indianentaal beheerst, die met behulp van Nederlandse ontwikkelingssamenwerking in leven moet worden gehouden. Wat vooral neerkomt op het in leven houden van uitgerangeerde Nederlandse academici op exotische locaties. Het kunstmatig beademen van stervende talen is moeilijker dan het rekken van de levensduur van een terminale patiënt. Men lijkt soms bezorgder om de neveneffecten van genocide dan om de genocide zelf. Maar dat terzijde.

In de meeste hotelkamers, zelfs in moderne hotels die in toeristengidsen worden omschreven als hip, kun je goed verstopt, onderin in de nachtkastjes een bijbel vinden. Nog altijd, misschien weer opnieuw. Wat dat betreft is er niets veranderd. In de lokale taal uiteraard. En anders dan telefoonboeken in hotelkamers waar altijd wel een of meerdere bladzijden uit zijn gescheurd, verkeren die bijbels meestal in ongeschonden staat. Je zou ze kunnen verkopen als nieuw. Ik vrees dat deze eigenaardigheid niet voortkomt uit de diepe achting die de reiziger voor de bijbel voelt. Dit moet te wijten zijn aan gebrek aan gebruik.

Er zou een aardig kunstobject te maken zijn van uit hotels gestolen bijbels, helaas heb ik er geen tijd voor. Wel blader ik geregeld in die hotelbijbels als de slapeloosheid zijn hoogtepunt bereikt. Mooie maar eenzame momenten zijn dat. Vooral wanneer je de bijbel tot je neemt in een taal die je maar matig of helemaal niet beheerst. Zoals ik ooit een Israëli kende die het Nederlands machtig probeerde te worden door advertenties van slijters in het Amsterdams Stadsblad te bestuderen, zo zou het theoretisch mogelijk moeten zijn een vreemde taal te leren met behulp van de bijbel. Wellicht dat je op weinig spreektaal stuit maar dat kan ook een voordeel zijn, tenzij je toevallig met een zeer progressieve bijbel te maken krijgt. Ook is het mogelijk dat de hotelier een kinderbijbel in je kamer heeft verstopt.

Hoe meer de bijbel zich beweegt in de richting van de spreektaal, hoe moderner en hedendaagser, om niet te zeggen hipper, de bijbel klinkt, hoe meer de bijbel gaat lijken op een bijbelsatire. Alsof een aftandse cabaretier meent dat het oude en nieuwe testament nog belachelijk gemaakt dienen te worden. Maar daar valt, als bekend, geen eer meer aan te behalen.

God en Zijn profeten spreken niet tot je als de slager om de hoek. Daar is geen religieus gevoel voor nodig, alleen wat zeer basale literaire intuïtie.

Waarmee ik niet wil beweren dat ik een voorstander ben van wat archaïsch taalgebruik heet.

Mijn collega-schrijver Thomas Rosenboom heeft bij mijn weten nog nooit de bijbel vertaald, toch ruiken zijn romans, met alle respect, hier en daar naar een onhandige bijbelvertaling.

Om een voorbeeld te geven uit zijn laatste roman De nieuwe man: ‘Mettertijd was Bepol een baken van betrouwen geworden...’

Niet alleen meende ik een fractie van een seconde met een zetfout te maken te hebben, zelfs nu ben ik nog niet zeker dat ik precies begrijp wat een baken van betrouwen is. En dan dat mettertijd. Goed, je roman speelt honderd jaar geleden, de bijbel speelt een paar duizend jaar geleden, dat is geen excuus. God zei tegen Abraham: ‘Laat dat mes vallen.’ In ieder geval zo heb ik het onthouden, en dat lijkt me voor God ook een bijzonder plausibele woordkeus gezien de omstandigheden. Al te archaïsch woordgebruik, zeker in dialogen, is dodelijk voor de anekdote.

De geur van een heer van stand, van de heer Bommel en de Markies met een achternaam die ik maar niet kan onthouden, dringt dan tot ons door, zie dat mettertijd, maar dan zonder de ironie die wij de schepper van dat universum, de heer Toonder, niet mogen ontzeggen. De bijbel en Tom Poes verdragen elkaar slecht.

Zodra de lezer het gevoel krijgt dat de bijbel ieder moment ‘parbleu’ tegen hem kan zeggen, verliest het woord van God aan literaire kracht. En zelfs een oprecht gelovige in de Almachtige verlangt, lijkt mij, naar die literaire kracht. Zijn geloof moet immers besproeid worden als een moestuintje. En het vehikel van het geloof is nog altijd eerst het woord, en pas dan het beeld.

Een reden waarom wij bijvoorbeeld televisiedominees als een perversie van de religie kunnen beschouwen. Zodra de bijbel en zijn interpretaties niet meer te onderscheiden zijn van zelf-helpboeken houdt de bijbel op literatuur te zijn en hoeven we hem wat mij betreft niet meer serieus te nemen.

Naipaul beweerde dat de beste stijl een stijl is die niet opvalt. Daar zit veel in, en van een vertaling kan hetzelfde worden gezegd. Daarvan mag je eigenlijk alleen hopen dat een vertaling niet leest als een vertaling. Of als een hervertelling voor mensen die niets meer weten en niets meer hoeven te weten.

Dit dient voor alle zekerheid even te worden vastgesteld: Een boek leest men in vertaling omdat men de taal waarin dat boek oorspronkelijk is geschreven niet of niet afdoende beheerst. Een uitzondering moet misschien worden gemaakt voor recensenten die vertalers op vertaalfouten willen betrappen, een uitstervende maar vrolijke sport, en vertalers die willen kijken in welke valkuilen hun collega’s zijn getrapt. Gekken met te veel vrije tijd.

Een vriend van mij leest Franse romans uitsluitend in Engelse vertaling omdat hij meent dat een boek in het Nederlands zich per definitie afspeelt in Zuid-Holland, maar dat kan ook licht snobisme zijn.

Neem nu deze woorden van Prediker: ‘IJl en vluchtig, zonder zin, nutteloos is alles, zegt hij. Volkomen zinloos is het leven. De mens zwoegt en tobt heel zijn leven lang, maar wat bereikt hij ermee?’

Ik denk bij het lezen van deze woorden totaal niet aan Alphen a/d Rijn.

Met die woorden is niets mis. Die zijn nu goed, en over vijftig jaar zijn ze nog steeds goed. Die gaan net zo lang mee als de beste romans van W.F. Hermans.

Lees meer over: