‘Ik heb mijn hele leven vertaald maar ik heb niets te vertellen’    25-35

Leven en loopbaan van Nini Brunt

Cees Koster

Wanneer Nini Brunt (1891–1984) in de tweede helft van de jaren zeventig twee boekjes met memoires over haar Haagse jeugd uitbrengt,1 wordt daar in de literaire pers veel aandacht aan besteed. Niet alleen wordt het opmerkelijke feit besproken dat zij de tachtig al ruim gepasseerd is, ook gaat de aandacht uit naar haar reputatie. Illustratief is de opmerking van Ab Visser in de Leeuwarder Courant: ‘Niet velen zullen de naam van Nini Brunt kennen. De bekendheid die zij geniet, dankt zij aan haar voortreffelijke vertaalwerk (o.m. van Franz Kafka)’ (Visser 1977).

De huidige status van Nini Brunt als ‘vergeten vertaalster’ blijkt uit het feit dat zij in een aantal belangrijke naslagwerken wel genoemd wordt maar niet beschreven. In zowel de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren als de theaterencyclopedie van het Nederlands Theater Instituut is haar naam in de index opgenomen, maar is geen inhoudelijk lemma te vinden: haar naam is bekend, maar leidt niet tot een verhaal.

Maar hoe gaat dat met de conjunctuur van een reputatie? Wie vergeten is, moet ooit gekend zijn. Dit artikel vormt een poging het verhaal te vertellen van Brunt als vertaalster en daarmee een beeld, een profiel te geven van haar literaire leven en loopbaan. Een vertalersprofiel (zie Koster & Naaijkens 2010) omvat een aantal aspecten, relevant voor de studie van een vertalersloopbaan: het vertaaloeuvre zelf, de sociale, culturele en literaire achtergrond en opleiding van de vertaler, diens vertaalopvattingen en de receptie van de vertalingen. Wanneer voldoende materiaal te vinden is om diepte te geven aan dat profiel, kunnen we ook tot een uitspraak komen over zijn of haar positie(s) in het vertaalveld.

De reputatie die Brunt als vertaalster heeft, of heeft gehad, is vooral verbonden met haar vertalingen van het grootste deel van het verzameld werk van Kafka en van Mrs Dalloway van Woolf. Deze vertalingen maken echter maar een klein deel uit van haar oeuvre.

De actieve vertaalcarrière van Brunt beslaat een periode van ruim vijftig jaar. Haar eerst bekende vertaling dateert uit 1928 (ze was toen 37 jaar oud): Zeemans thuisvaart, van David Garnett, verschenen bij Stols in Maastricht, de eerste uitgave van haar laatste vertaling verscheen in 1980 (het jaar waarin zij de gezegende leeftijd van 89 jaar bereikte), bij uitgeverij Allert de Lange: De legende van de Heilige Drinker, van de Duitse exilauteur Joseph Roth. Een voorlopige inventarisatie van haar vertaaloeuvre laat zien dat zij tussen deze twee vertalingen nog 64 andere heeft geproduceerd, maar vermoedelijk zijn het er aanzienlijk meer.2 Tot 1960 gaat het vooral om kinderboeken en detectives, met een enkel boek van meer gecanoniseerde auteurs. Vanaf 1960 is het juist de laatste categorie die in de meerderheid is.

Hoe het begon
Brunt begon pas met professioneel vertalen op de leeftijd van 37. Hoe is Brunt ertoe gekomen te gaan vertalen, wat waren de omstandigheden waaronder zij dat deed en op wat voor manier was zij toegerust voor het vak van vertaler?

Nini Brunt groeide eind negentiende, begin twintigste eeuw op in Den Haag, in een wereld vol boeken. Een groot deel van het leven in haar jonge jaren draaide om de boekhandel van haar vader, De Liefde. Aanvankelijk woonde het gezin boven de winkel, later zou ze jaren in het bedrijf werken. In het intellectuele milieu waarin ze opgroeide, was het vanzelfsprekend dat meisjes een goede scholing kregen en na de lagere school bezocht ze, net als haar vier jaar oudere zus Aty, de hbs aan de Laan in Den Haag. Naar eigen zeggen was ze geen hoogvlieger en zat ze liever ‘te lezen of te tekenen of zo maar voor mijn raam naar de lucht te kijken’ (Brunt 1978: 12). Na drie moeizame leerjaren op de hbs deed ze een voorbereidend jaar voor de Tekenacademie, maar ook dat werd geen succes. Ze zakte voor haar toelatingsexamen en moest, achttien jaar oud, in de boekhandel van haar vader aan het werk. Dat was niet wat ze zich van het leven had voorgesteld: ‘ik had willen tekenen, ontwerpen, misschien schrijven’ (idem: 19).

De artistieke en literaire ontvankelijkheid die de vanzelfsprekende aanwezigheid van cultuur in het gezin met zich meebracht, heeft ze tijdens haar schooljaren verder ontwikkeld. Ze las veel, zo blijkt uit haar memoires, vaak samen met vriendinnen en haar zus. Moderne literatuur stond al vroeg op haar repertoire: de Vlamingen Buysse en Streuvels en de stadgenoten Couperus en Emants (die wel eens langskwam in de boekhandel). Ze las ook buitenlandse literatuur en, aangemoedigd door haar vader las ze, met enige moeite, Balzac en Flaubert in het Frans. Zus Aty droeg voor haar declamatielessen op het conservatorium waar ze studeerde thuis vaak verzen voor van Kloos en Verwey, die Nini dan met plezier aanhoorde en bekritiseerde.

Haar levendige belangstelling voor taal bracht haar op zestienjarige leeftijd naar de oprichtingsvergadering van de jeugdafdeling van het Algemeen Nederlands Verbond, dat zich richtte op het zuiver houden van de Nederlandse taal. Daar ontmoette ze de achttienjarige aspirant-dichter Jan Greshoff, met wie ze samen in het bestuur van het ANV terechtkwam. Er ontwikkelde zich een hechte vriendschap, waar algauw ook haar zus bij betrokken raakte (in 1917 kwam het tot een huwelijk tussen Aty Brunt en Jan Greshoff; zie ook Brunt 1973).

Haar zus en zwager speelden een belangrijke rol in het leven van Brunt. Zij voer als het ware mee op het netwerk dat Greshoff als dichter, criticus en journalist in de loop der jaren opbouwde. Via hem kwam ze in contact met jonge literatoren als Bloem en Van Eyck en later met Du Perron en Ter Braak. Via Brunt kwam ook Jan van Krimpen in de vriendenkring, later een beroemd typograaf en letterontwerper, die zij nog kende van de Tekenacademie. Met Greshoff richtte Van Krimpen De Witte Mier, klein maandschrift voor de vrienden van het boek op, waarvoor Brunt een aantal vignetten maakte. De Witte Mier werd mede uitgegeven door Sander Stols, die ook deel uitmaakte van het netwerk van Greshoff.

In 1916 trouwden Van Krimpen en Brunt, waarmee voor haar een einde kwam aan haar gehate betrekking bij de boekhandel. In 1917 kreeg het echtpaar een zoon, waarna Brunt het moederschap combineerde met literaire activiteiten, al namen die begrijpelijk genoeg vooralsnog geen hoge vlucht. Voor haar huwelijk had zij een prozatekst, ‘een enigszins sprookjesachtig verhaal’ (Lammers 1979), gepubliceerd in Elseviers Maandschrift. Echter: ‘de man met wie ik enige jaren later zou trouwen, noemde het […] “burgerlijk geschrijf” en die kritiek trok ik me zo aan, dat ik me niet meer aan het schrijven heb gewaagd, al zei Jan Greshoff […] ook nóg zo vaak, dat er een schrijfster in mij schuil ging’ (idem).

Greshoff, van 1920 tot 1923 hoofdredacteur van de Nieuwe Arnhemsche Courant, vroeg Brunt een vrouwenrubriek voor die krant te verzorgen. Niet alleen schreef ze zelf bijdragen, maar ook vertaalde ze: ‘Het meeste werd […] bijeen gegapt uit allerlei buitenlandse blaadjes maar daar werd in die tijd niet zo op gelet. Ik vond het leuk werk en kreeg op die manier de flair van het vertalen goed te pakken’ (Spoor 1980).

Het vertalen kwam dus bij toeval op haar weg, ze had nooit een gespecialiseerde talenstudie gevolgd, al had zij zich in haar jeugd al wel voor haar plezier met vertalen beziggehouden. Zo had ze bijvoorbeeld poëzie vertaald van Stefan George en werk van Hugo von Hoffmansthal – niet de minsten dus.

Naast haar werk voor de krant zocht ze naar meer vertaalwerk, wat haar aanvankelijk maar mondjesmaat lukte. Rond 1927 komt op haar initiatief de vertaling van David Garnetts The Sailor’s Return tot stand; de titel was haar aan de hand gedaan door dichter J.W.F. Weremeus Buning (Lammers 1979). In 1928 wordt deze onder de titel Zeemans thuisvaart door de bevriende uitgever Stols gepubliceerd. Ook haar tweede gepubliceerde vertaling komt voort uit eigen initiatief: ‘In het Literary Supplement van The Times dat we destijds altijd lazen, ontdekte ik dat [Edith] Nesbit was overleden en dat ze een kinderboek had nagelaten. Ik heb toen onmiddellijk Van Goor opgebeld en gevraagd of ze dat niet wilden hebben. Ze reageerden heel enthousiast’ (Spoor 1980). Datzelfde jaar nog verschijnt Wij met ons vijven en Madeleine.

In 1929 krijgt Brunt met grote persoonlijke tegenslag te maken als aan haar huwelijk met Jan van Krimpen een einde komt en ze als alleenstaande moeder verder door het leven moet. Dat Aty en Jan Greshoff in 1927 naar Brussel waren verhuisd en uit haar onmiddellijke omgeving waren verdwenen zal het extra zwaar gemaakt hebben. ‘Daarna […] was ik een hele tijd in de war. Ik leefde slechts van een kleine toelage […]. Het was moeilijk om weer aan de slag te komen. Tot ik opnieuw een opdracht van Sander Stols kreeg’ (idem).

Brunt legde zich meer en meer toe op vertalen. De meeste werken die zij voor de Tweede Wereldoorlog vertaalde waren detectives (meestal voor Stols) en kinderboeken, voor Van Goor maar ook voor Nijgh & Van Ditmar, Van Holkema & Warendorf en vooral Uitgeverij Ten Brink uit Meppel.

Vaak kwam Brunt zelf met ideeën voor uit te geven boeken, maar bij haar zoektocht naar werk kon ze ook rekenen op steun uit haar netwerk. In de uitgebreide briefwisseling tussen Jan Greshoff en uitgever Stols komen regelmatig passages voor waarin Greshoff aan Stols vraagt of hij niet nog een vertaling heeft voor zijn schoonzuster. ‘Nini snakt naar een vertaling. En ze doet het goed en zuiver, dat weet je,’ schrijft Greshoff op 13 oktober 1934 aan Stols, die in december antwoordt: ‘Het is niet uitgesloten dat ik binnenkort wat vertaalwerk voor Nini heb; in ieder geval zal ik haar feuilleton uit het Vaderland uitgeven.’ Dat feuilleton betrof een in vierendertig afleveringen gepubliceerde vertaling van Het gevaar dat nadert van Philip MacDonald (zie Chen & Van Faassen 1990–1992).

De kinderboeken en detectives vertaalde ze uit het Engels, maar voor de oorlog vertaalde ze ook uit het Duits. Opvallend genoeg waren juist dat werken van serieuzere auteurs. Voor uitgeverij Allert de Lange vertaalde ze Prozess ohne Richter van de Duitse exilauteur Bernard von Brentano (Proces zonder rechters, 1937). Samen met D.A.M. Binnendijk (een vriend uit wat inmiddels het netwerk van het tijdschrift Forum was geworden) bracht ze bij Querido Het dagboek van Malte Laurids Brigge uit, een prozatekst van Rilke. In 1943 volgde nog een bundel Duitse verhalen, eveneens samen met Binnendijk, Demonie en droom: vertellingen der Duitsche romantiek, uitgegeven bij Contact.

Gedaanteverwisseling
De redenen om zelf op zoek te gaan naar boeken om te vertalen, hebben ongetwijfeld gelegen in een door de omstandigheden ingegeven proactieve professionele houding en in het feit dat zij in kringen verkeerde waar tot ver over de grenzen werd gekeken naar literaire ijkpunten waardoor ze veel met onvertaald werk in aanraking kwam. Uit de documentatie blijkt dat ze bewust heeft geprobeerd een positie als literair bemiddelaar te verkrijgen. Ze las veel manuscripten voor uitgevers en in de jaren zestig gebruikte ze briefpapier waarop ze zichzelf literary agent noemde.

Regelmatig werd haar vertaalarbeid ook ingegeven door eigen plezier in de teksten. Ze maakte dan een vertaling en ging er vervolgens de boer mee op. Al voor de oorlog deed ze dat met een werk van een auteur die haar naoorlogse loopbaan als vertaler zou domineren: Kafka. In 1934 vertaalde ze diens verhaal ‘Die Verwandlung’, ‘zo maar voor haar plezier, omdat de inhoud haar zo aansprak’ (Lammers 1979). Volgens Willem van Toorn heeft Du Perron haar op het spoor van Kafka gezet: ‘Kafka, dat was een leuke, Duitse schrijver, dat kon ze best vertalen. En ze deed het, met een stapeltje schoolschriftjes, en een potloodje en Kramers’ woordentolk, of misschien ook nog een Duden’ (Van Toorn 2011).

Tot een uitgave kwam het echter niet: ‘Ik had Ter Braak gevraagd er een inleiding bij te schrijven maar die vond dat Vestdijk dat moest doen. Bij Querido zag men er echter niks in en dus bleef het liggen’ (Lammers 1979). Over het juiste jaartal van de vertaling bestaat nogal wat verwarring. In het interview met Margaretha Ferguson stelt Brunt dat zij het boek voor het eerst las in 1935 en pas in de oorlog ging vertalen. Volgens Hanssen, in zijn biografie van Menno ter Braak, zou Brunt de vertaling in 1938 hebben gemaakt,3 nadat Ter Braak bij Max Brod, beheerder van de nalatenschap van Kafka, om toestemming had gevraagd en deze had gekregen (zie Hanssen 2001: 423).

Hoe het ook zij, in 1944 wordt de vertaling voor het eerst gepubliceerd in een clandestiene uitgave, verzorgd door haar zoon, Huib van Krimpen, die als typograaf in het voetspoor van zijn vader was getreden. Op de vertaling van vijf zeer korte verhalen na, door Paul van Ostayen in 1925 gepubliceerd in het tijdschrift Vlaamsche Arbeid4, is De gedaanteverwisseling de eerste vertaling van een tekst van Kafka in het Nederlands.

In 1950 brengt De Wereldbibliotheek De gedaanteverwisseling uit. Vanaf dat moment houdt Brunt zich intensief met de vertaling van Kafka bezig en wordt ze een van de belangrijkste bemiddelaars van Kafka in Nederland. Op Der Prozess en Das Schloss na,5 heeft zij al het werk (fictie en egodocumenten) van Kafka vertaald voor uitgeverij Querido.

Amerika
In 1954 (Brunt is dan 63) verscheen haar vertaling van de roman Der Verschollene onder de titel Amerika. Voor haarzelf was het geen vanzelfsprekendheid dat ze na Die Verwandlung meer werk van Kafka ging vertalen. Ze werd daarvoor in augustus 1953 gevraagd door Alice van Nahuys, toentertijd directeur van Querido en zelf ook vertaalster van Kafka (zie elders in dit nummer). Aldus Brunt: ‘Dat vond ik een grote eer! Ik ben tenslotte niets bijzonders, en Kafka, dat is nogal wat! […] Eigenlijk vind ik mijzelf er niet knap genoeg voor, ik spreek mijn talen niet eens goed, maar ik heb wel feeling; als je er echt in bent lijkt het net of je het zelf hebt geschreven, je krijgt een soort tweede gezicht, later denk je: heb ik dat gedaan?’ (Ferguson 1968).

Brunts onzekerheid is ook af te zien aan de afspraken die ze met de uitgeverij had gemaakt. Ze wilde graag weten of de uitgever het wel goed vond wat ze deed. Op 18 augustus worden die in een brief van de uitgever bevestigd: ‘U zult ons het eerste hoofdstuk, als U zover bent, vooruit ter beoordeling sturen. Dit op Uw eigen verzoek. Wij vertrouwen dat Uw vertaling ons volledig zal voldoen en wij nemen aan dat U ook meteen verdergaat.’6 Al op 1 september vroeg de uitgever of ze het eerste hoofdstuk kan laten lezen.7 Het oordeel is gunstig en Brunt rondde de vertaling voor november af. Op 4 november komt zij persoonlijk, blijkens een gearchiveerde notitie, het afgesproken honorarium van vijfhonderd gulden op de uitgeverij afhalen. Dat ze zich niet al te zeer met moderne hulpmiddelen inliet, mag ook blijken uit het feit dat afgesproken was dat ze een ‘handgeschreven manuscript [zou] inleveren, dat goed duidelijk is’.

Na Amerika volgde in 1955 een bundel met de tijdens het leven van Kafka gepubliceerde verhalen, Een hongerkunstenaar. In 1963 kwam daarvan een uitgebreide versie uit en in 1965 een bundel met verhalen uit de nalatenschap, De Chinese muur en andere verhalen. Daarna volgden de vele boeken met correspondentie en dagboeken: Brieven aan Milena (1967), Brieven, deel 1 en 2 (1968) en Brief aan zijn vader (1969). In het jaar waarin de vijftigste sterfdag van Kafka werd herdacht, 1974, verschenen Brieven aan Felice en andere correspondentie uit de verlovingstijd en twee delen Dagboeken. In 1975 sloot ze haar Kafka-arbeid af met de publicatie van Huwelijksvoorbereidingen op het land. Zeker van het fictiewerk verscheen druk op druk, ofwel als afzonderlijke titel ofwel als onderdeel van het Verzameld werk (meest recente uitgave: twintigste druk uit 2011, bij Athenaeum – Polak & Van Gennep).

In 1968 verwachtte ze nog tot haar dood met Kafka bezig te zullen zijn (Ferguson 1968), maar de dood liet langer op zich wachten dan er werk van Kafka voorhanden was. Terugkijkend zegt Brunt in 1979 over de Kafkavertalingen: ‘Het is een vreselijk moeilijk karwei geweest. Daarom kun je rustig zeggen dat ik die Kafka-vertalingen als mijn levenswerk zie’ (Lammers 1979). En een jaar later: ‘Ik heb het weliswaar niet geschreven, maar ik was toch de machine waardoor Kafka voor veel mensen toegankelijk is geworden. Ik heb er achttien jaar8 aan gewerkt, ach hoe hou je dat vol, je doet het, daarvoor ben je vertaler. […] Het vertalen van Kafka heeft me ontzettend aangegrepen, de Brieven aan Felice bijvoorbeeld, daar zit je toch zo’n twee jaar aan te werken. Je leeft helemaal mee met die ellende van het weer aan- en uitmaken. Op den duur is het net of je Kafka kent’ (Spoor 1980).

De worsteling die het vertalen van Kafka soms met zich meebrengt, uitte ze in een (ongedateerde) brief aan haar vrienden Pierre en Simone Dubois: ‘Maar om dat allemaal [het betreft fragmenten uit de brieven aan Felice, CK] en nog veel meer in het Nederlands over te brengen dat precies – en net niet te veel – op het Duits zit is een hersen-gymnastiek die mij wel eens benauwt omdat ik bang ben dat ik het er niet feilloos (maar wat is feilloos?) afbreng – maar ja. Koppig volhouden maar en zo nu en dan breekt opeens het licht door en begrijp je dingen die een paar dagen geleden totaal duister waren – […].’9

Zoals dat gaat met vertalingen, kwam de openbare waardering mondjesmaat. Niels Bokhove vindt in zijn receptiegeschiedenis van Kafka alleen een recensie van Amerika door Hans van Straten waarin een opmerking over de vertaling staat: ‘De vertaling van Nini Brunt is boven alle lof verheven, op een enkele oneffenheid na’ (Van Straten 1954).

Er wordt pas weer uitgebreid gereageerd op de vertaling zelf bij het uitkomen van de Dagboeken in 1974. In de Revisor stelt Paul Beers dat Brunt ‘zich aan de vertaling van de dagboeken heeft vertild’. Hij wijt dat aan de specifieke aard van het taalgebruik in de dagboeken. Waar de romans en verhalen in ‘glashelder en “modern” proza’ zijn geschreven, is Kafka in zijn Dagboeken ‘moeilijker, geconstrueerder, abstracter’, waardoor de taal ‘behoort tot het lastigste en onvertaalbaarste (“Duitste”) Duits dat zich denken laat’ (Beers 1974). De verhalende passages in de Dagboeken vindt Beers wel goed vertaald.

Brunt heeft zelf altijd aangegeven dat ze de dagboeken zeer moeilijk vond. Querido had haar gevraagd met de dagboeken te beginnen, maar dat wilde ze niet. ‘“Begin maar met de dagboeken,” kreeg ik te horen. Maar toen ik die dagboeken ging lezen vond ik het wel een heel duistere tekst. Ik dacht meteen: dat kan ik helemaal niet’ (Spoor 1980). Bij vertaalproblemen wendde ze zich tot deskundigen en haar netwerk: ‘Allerlei mensen hebben me geholpen met de duiding van details en toen kwam ik er wel uit,’ zei ze naar aanleiding van het werk aan Brieven aan Milena (Ferguson 1968).

Een enkele keer kwam er ook kritiek van een lezer. In oktober 1976 ontvangt uitgeverij Querido een brief van ene Jurrian Leeflang, die de ‘aandacht wil vestigen op het aan [z]ijn gemoedsrust knagende feit dat de bundel “Een hongerkunstenaar en andere verhalen” van Kafka een verhaal bevat dat door een interpretatiefout van de vertaalster zo goed als om zeep geholpen is. Het betreft “Jozefine, de zangeres of het muizenvolk”, een verhaal dat […] over muizen handelt, hetgeen mevrouw Brunt geheel en al schijnt te zijn ontgaan te oordelen naar de hardnekkigheid waarmee zij “pfeifen” door “fluiten” vertaalt i.p.v. “piepen”.’10 Briefschrijver vraagt hoe het toch komt dat die fout vier drukken gelijkelijk ontsiert en stelt ‘Onwil uwerzijds om – eenmaal getipt – de fout te herstellen sluit ik uit.’ De volgende dag al stuurt uitgever Reinold Kuipers de brief door met het verzoek om de opmerking te bekijken. Kennelijk achtten Brunt en de uitgever het niet opportuun om de vertaling te wijzigen. Ook in de meest recente druk van het Verzameld werk is er nog altijd sprake van fluitende muizen.

De kritiek was echter incidenteel en binnen de beslotenheid van het privéleven kreeg ze regelmatig een hart onder de riem gestoken. Zelf maakte ze gewag van een opdracht van Herman Verhaar in een aan haar geadresseerd exemplaar van zijn studie Franz Kafka, of schrijven uit onmacht waarin hij haar dankt voor alles wat ze voor Kafka had gedaan (Spoor 1980). Na Brieven aan Felice krijgt ze een brief van Geert van Oorschot, die haar bedankt voor haar ‘meesterlijke vertaling’, waaraan hij toevoegt: ‘Weinig mensen weten hoe belangrijk het artistieke werk van de vertaler is. U hebt de brieven als een kunstenares vertaald.’11

De officiële erkenning van de Martinus Nijhoffprijs heeft ze niet gekregen. In 1979 zei ze: ‘Al jaren hoop ik de Nijhoff-prijs [….] te krijgen, niet om het geld, hoewel dat tegenwoordig een aardig bedrag is, maar omdat zo’n prijs zou onderstrepen dat wat ik heb gedaan niet niks is. Een poos geleden kreeg ik te horen dat ik op de lijst stond, maar ik heb er tot nog toe niets van gemerkt’ (Spoor 1980). In 1967 stuurde uitgever Reinold Kuipers aan het Prins Bernhard Fonds, beheerder van de Nijhoffprijs, een uitgebreide aanbevelingsbrief, waarin hij haar verdiensten als vertaalster en bemiddelaar prijst en op haar imposante oeuvre wijst. Hij voegt toe: ‘Wij hopen, dat u in de gelegenheid zult zijn, haar zo’n prijs bij de eerstvolgende gelegenheid toe te kennen [sic]. Zij behoort niet meer tot de jongsten. Naar menselijke berekening is enige haast hierom wel geboden.’12 De secretaris antwoordt dat Brunt bij de eerstvolgende vergadering van de jury op de agenda geplaatst zal worden, maar wijst er ook fijntjes op ‘dat er een relatief groot aantal vertalers op de candidatenlijst voorkomt, sommigen reeds enig jaren’.13 Van een bekroning is het niet gekomen. Misschien dat haar oeuvre daarvoor als te onevenwichtig werd beschouwd. Na 1960 omvat haar vertaaloeuvre weliswaar meer werken van gecanoniseerde auteurs (zij het geen met een status vergelijkbaar met die van Kafka, op Virginia Woolf na): Elie Wiesel, Eugene O’ Neill, Henri Calet, Mary McCarthy, Joseph Roth, maar, opvallend genoeg, gaat het daarbij alleen om losse werken. Ook in die periode blijft haar vertaaloeuvre een bonte mengeling van highbrow, middlebrow en lowbrow14 boeken, getuige non-fictie titels als Een medische revolutie van Ritchie Calder (De Arbeiderspers, 1965) en Het kijk hoe kwiek ik kook boek, Peg Bracken (eveneens De Arbeiderspers, 1963).

Opvattingen
Willem van Toorn, die na haar dood de romans en een aantal verhalen van Kafka zou hervertalen, is zeer over haar werk te spreken: ‘Vertalen was toen iets voor dames, voor erbij, maar de kwaliteit van Nini’s werk is uitzonderlijk, ze was haar generatiegenotes ver vooruit. Het is een verbluffend stuk werk, hoewel het wat stijl en opvatting betreft verouderd is’ (Van Toorn 2011: 47).

Nini Brunt was niet het soort vertaalster dat zich in het openbaar in debatten begaf of überhaupt als vertaler de openbaarheid zocht. In 1968 zegt ze, ‘Ik? Ik hoef helemaal niet in de krant – ik heb mijn hele leven vertaald maar ik heb niets te vertellen, ik voel geen behoefte aan het verkondigen van theorieën over hoe het moet, ik doe het gewoon zo goed als ik kan […]’ (Ferguson 1968). Dat hier allicht van enige koketterie sprake was, mag blijken uit het feit dat deze uitspraak haar niet weerhield om toch te spreken over haar opvattingen. In elk interview wijst ze erop dat haar toegerustheid voor het vertalen ligt in ‘haar makkelijke pen’: ‘ik schrijf goed in het Nederlands, dat is voor vertalen misschien wel het voornaamste!’ zegt ze in 1968 (idem). Later, in 1980, bevestigt ze nog eens het idee dat de taal waarin wordt vertaald belangrijker is dan de taal waaruit wordt vertaald: ‘Nini Brunt meent dat vertalen niet is te leren, je hebt het of je hebt het niet. “Ik heb natuurlijk een grote literaire ontwikkeling èn ik schrijf heel goed. Voor vertalen vind ik het belangrijk dat je goed Nederlands kent. Ik vertaal het liefst uit het Engels, maar ik doe ook wel Duits en Frans. Het is haast onmogelijk om al die talen zo perfect te kennen, maar al mankeert er iets aan een taal, je komt er altijd uit als je je maar goed kunt uitdrukken in je eigen taal”’ (Spoor 1980). In het verlengde daarvan ligt de eis die aan het product wordt gesteld: ‘Ik vind dat je een boek zo moet vertalen dat je niet merkt uit welke taal het komt’ (Ferguson 1968). Op de vraag hoe het dan zit met de typische stijl van auteurs, antwoordde ze: ‘Een typische stijl moet je natuurlijk zo veel mogelijk overnemen. Kafka bijvoorbeeld die maakt soms tussenzinnen van halve pagina’s, maar daar mag je niet aankomen’ (idem).

In hoeverre deze benadering overeenkomt met wat in het veld van vertalers in de jaren zestig en zeventig werd verwacht is moeilijk te zeggen. Ze lijkt in te gaan tegen de criteria die de Nijhoffprijs destijds hanteerde, die voornamelijk betrekking hadden op het primaat van de betekenis van originele teksten (zie Koster 1996), wat zou kunnen verklaren waarom haar vertalingen daar niet in de smaak vielen. Aan de andere kant lijkt de formulering die destijds in het standaard vertaalcontract was opgenomen, dat vertalers hun vertaling ‘in goed verzorgd Nederlands’ moesten aanleveren, te suggereren dat haar opvatting overeenkwam met de standaardnorm.

Voor haarzelf was er een duidelijk verband tussen de rol van schrijfster en die van vertaalster. ‘Ik heb altijd al willen schrijven,’ vertelt ze in 1968, ‘voor mij is vertalen een surrogaat-schrijven’ (Ferguson 1968). In 1980, na publicatie van haar memoires, blijkt dat beeld gekanteld te zijn. Ze zegt dan: ‘ik ben geen schrijfster, ik ben vertaler. In feite is dat een soort tweedehands schrijven’ (Spoor 1980).

Over de honorering en de status van het vertalen had Brunt zo haar opvatting. Bij alle aandacht die er kwam na de publicatie van haar boekjes met memoires, liet ze niet na narrig op te merken dat het haar stak dat er kennelijk met die boekjes meer eer viel te behalen dan met een leven lang vertalen.

In de loop van haar lange carrière zijn de omstandigheden en mogelijkheden in het vertaalveld ingrijpend veranderd. In combinatie met de ontwikkelingen in haar persoonlijk leven en in de maatschappij, heeft dat ertoe geleid dat zij zich steeds meer op het vertalen alleen kon toeleggen.

Vanaf 1929 was vertalen voor haar een middel om te overleven, een van haar voornaamste inkomensbronnen en kon ze niet zelf kiezen wat ze deed: ‘Ik heb ook allerlei uiterst onbelangrijke boeken moeten vertalen, dat deed ik wel met enige tegenzin […]’ (Ferguson 1968). En: ‘Ik heb met vallen en opstaan een vertaalloopbaan opgebouwd. Dat was beslist niet gemakkelijk, voor een detectiveroman kreeg ik aanvankelijk honderd gulden, dat was echt een hongerloontje maar het was in die tijd graag of niet’ (Spoor 1980). Na de oorlog en met name nadat ze de vaste vertaalster van de egodocumenten van Kafka werd, veranderde haar positie, werd ze minder afhankelijk en kon ze stellen: ‘Ik heb niet zonder meer aangenomen waarmee ze bij me kwamen. Ik wilde een zekere binding voelen met hetgeen ik vertaalde’ (Lammers 1979).

Hoewel het vertalen haar hoofdactiviteit was, was ze toch vooral wat men noemt een ook-vertaler, een vertaler die daarnaast ook andere al dan niet literaire activiteiten heeft. Bij haar varieerden die van haar krantenwerk tot het lezen van manuscripten voor uitgeverijen en het uitbaten van haar ‘eettafel’, waaraan ze twee à drie keer per week een aantal mensen uit haar netwerk ontving voor wie ze tegen betaling kookte (zie Ferguson 1968 en Zwartboek 1980: 15).

De ontwikkeling van de naoorlogse verzorgingsstaat met haar sociale en culturele voorzieningen maakte dat de omstandigheden voor Brunt danig verbeterden. In 1957 behoorde zij tot de eerste lichting burgers die gebruik konden maken van de AOW (destijds voor een alleenstaande 67 gulden per maand15), wat betekende dat ze de rest van haar nog lange carrière op een basisinkomen kon rekenen. Vanaf het moment dat het Fonds voor de Letteren in 1968 ook voor vertalers toelagen, werkbeurzen en additionele honoraria beschikbaar stelde, verbeterden haar omstandigheden verder. In 1974, bijvoorbeeld, ontving zij voor drie vertalingen (Kafka’s Dagboeken en Brieven aan Felice en Het nieuwe lijden van de jonge W. van Ulrich von Plenzdorf) in totaal 9.473 gulden (Jaarverslag Fonds voor de Letteren 1975).

Besluit
In termen van afhankelijkheid en autonomie (zie Koster & Naaijkens 2010) heeft de positie van Brunt in het vertaalveld een duidelijke ontwikkeling doorgemaakt. Aanvankelijk had ze een afhankelijke positie, dat wil zeggen was ze afhankelijk van opdrachten zonder zelf invloed te hebben op de werken die ze vertaalde en werkte ze voor veel verschillende opdrachtgevers zonder de relatieve zekerheid van een of meer vaste auteurs. De werken die ze vertaalde waren over het algemeen werken die niet tot het centrum van de literatuur behoorden.

Haar positie in deze periode was vergelijkbaar met die van vertaalsters als Elisabeth de Roos, de vrouw en later weduwe van Eduard du Perron, en Clara Eggink, twee keer getrouwd geweest met J.C. Bloem, die allebei in hetzelfde netwerk als Brunt zaten. Alle drie waren ze vrouwen die deels vanwege eigen verdiensten, maar deels ook dankzij hun relatie met auteurs die in het centrum van het literaire veld stonden voor zichzelf een positie verwierven, zonder zelf tot dat centrum door te dringen.

Na 1950 werd haar positie semi-afhankelijk en had ze meer mogelijkheden om haar eigen keuzes te bepalen. Ze werkte voor een beperkt aantal uitgeverijen, die haar meer zekerheid van werk gaven en had met Kafka een ‘eigen’ auteur, die haar naast zekerheid van werk, aanzien en prestige opleverde. In een tijd waarin het vertaalveld professionaliseerde en volwassen werd (zie Koster & Naaijkens 2010a), kreeg zij meer en meer de status van een volwaardig literair vertaler en werd haar zichtbaarheid groter.

In de vertaalwereld kreeg ze volop erkenning, zeker op het einde van haar carrière. Het Zwartboek ‘Geef ons heden’, dat door vertalers in 1980 werd uitgebracht om aan te tonen hoe bar de professionele en financiële omstandigheden van vertalers waren, was opgedragen aan Dolf Verspoor, Charles B. Timmer en Nini Brunt, die de ‘nestrix’ van de Nederlandse vertalers wordt genoemd.

Van relatieve onzichtbaarheid naar vergetelheid is maar een kleine stap. Voor vertalers net zo goed als schrijvers geldt dat men na de dood vroeg of laat uit beeld verdwijnt als het werk niet meer in druk verschijnt. Vertalers kunnen bij hervertalingen van door hen vertaalde teksten paradoxaal genoeg opnieuw in beeld komen omdat hun vertalingen als ijkpunt worden gebruikt. Bij Brunt is dat in het geval van Mrs. Dalloway en het werk van Kafka ook gebeurd. Bij de nieuwe vertaling van Woolfs klassieker door Boukje Verheij maakte recensent Rob van Essen een verhuld compliment wanneer hij stelt dat de vertaling van Verheij misschien wel te soepel is in vergelijking met die van Brunt (Van Essen 2013). Bij het uitkomen van Willem van Toorns Kafkavertaling De gedaanteverwisseling en andere verhalen in 2009, mat Wil Rouleaux Van Toorns vertaling af aan die van Brunt: ‘Willem van Toorns nieuwe vertaling is iets moderner in de woordkeus en letterlijker dan de soms vrije, maar zeker niet slechte vertalingen van Nini Brunt’ (Rouleaux 2009).

En misschien is het niet eens terecht om Brunt als vergeten te beschouwen. Wanneer we als criterium nemen dat wiens werk nog in druk verschijnt, voortleeft, dan leeft Nini Brunt nog voort. Hoewel zo goed als al het werk van Kafka inmiddels door Willem van Toorn opnieuw is vertaald, gebruikt uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep, in navolging van Querido, voor het Verzameld werk nog altijd de vertalingen van Nahuys, Sötemann en Brunt. Dat mag als compliment voor haar vertalingen worden opgevat.

 

Noten
1 Achtereenvolgens Het huis in de Gortstraat. Kind in Den Haag (1977) en Het huis in de Heemskerckstraat. Meisje tussen boeken (1978). Beide boeken zijn uitgegeven door Querido.
2 De reguliere catalogi (Koninklijke Bibliotheek en PiCarta) zijn notoir onbetrouwbaar (zie Gielkens 2007). Uit het onderzoek naar Brunts oeuvre blijkt dat zeer veel titels van haar vertalingen in geen van beide catalogi voorkomen. Aanvullende informatie is afkomstig van, onder meer, boekwinkeltjes.nl en dbnl.org.
3 Hij geeft daarvoor geen bronvermelding, maar De Jong noemt ook 1938 als het jaar waarin de vertaling tot stand kwam (De Jong 1978: 140).
4 Voor een overzicht van de Nederlandse vertaalgeschiedenis (tot 1984) van Kafka’s werken zie Bokhove 1984: 29–39.
5 De vertaling van Der Prozess van Alice van Nahuys, Het proces, werd in 1947 door de Amsterdamse Boek- en Courantmij. uitgegeven. Bij dezelfde uitgeverij verscheen in 1950 onder de titel Het slot, de vertaling door Guus Sötermann van Das Schloss.
6 Brief Amsterdamsche Boek- en Courantmaatschappij aan Nini Brunt, 18 augustus 1953. De correspondentie tussen Brunt en ABC/Querido berust bij het Letterkundig Museum, signatuur 12.901.
7 Brief Amsterdamsche Boek- en Courantmaatschappij aan Nini Brunt, 1 september 1953.
8 De bibliografische gegevens suggereren dat het om een periode van 21 jaar gaat, van 1953 tot 1974 (omgezet in termen van leeftijd: van haar 62e tot haar 83e).
9 Brief van Nini Brunt aan Pierre en Simone Dubois, s.d. Letterkundig Museum, signatuur 12.595.
10 Brief van J. Leeflang aan uitgeverij Querido. Aanwezig in correspondentie tussen Querido en Nini Brunt, zie boven.
11 Brief van Geert van Oorschot aan Nini Brunt, 17 februari 1975. Letterkundig Museum, signatuur 12.931.
12 Brief van Reinold Kuipers aan jury Martinus Nijhoffprijs, 10 januari 1967. Aanwezig in correspondentie Querido-Brunt, Letterkundig Museum.
13 Brief J.U. Priesman aan Reinold Kuipers, 13 januari 1967. Aanwezig in correspondentie Querido-Brunt, Letterkundig Museum.
14 ‘Snertboekjes,’ zo noemde zij die zelf, ‘die doe ik om den brode, ach, die schrijf je zo op, met de linkerhand’ (Ferguson 1968).
15 Zie http://www.vakbondshistorie.nl/dossiers/article/50-jaar-aow.html. Geraadpleegd 1 november 2013.
 

Bibliografie
Beers, Paul. 1974. ‘Kafka herdacht?’, De Revisor, 1:6, p. 51–52.

Bokhove, Niels. 1984. Reiziger in scheerapparaten: Kafka in Nederland en Vlaanderen. Overzicht, bloemlezing en bibliografie van de receptie van Franz Kafka's werk in het Nederlandse taalgebied. Amsterdam: Querido.

Brunt, Nini. 1973. ‘Jan Greshoff, lang geleden’, Tirade, 17:11, p. 567–569

Brunt, Nini. 1977. Het huis in de Gortstraat. Kind in Den Haag. Amsterdam: Querido.

Brunt, Nini. 1978.Het huis in de Heemskerckstraat. Meisje tussen boeken. Amsterdam: Querido.

Chen, Salma & S.A.J. van Faassen (eds.). 1990–1992. Briefwisseling J. Greshoff – A.A.M. Stols, drie delen. Den Haag: Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum. (http://www.dbnl.org/tekst/gres002svan02_01/)

Essen, Rob van. 2013. ‘Hun taal is weer gaaf; Mevrouw Dalloway’, NRC Handelsblad, 15 februari 2013.

Ferguson, Margaretha. 1968. ‘Je schuift net zolang met woorden heen en weer tot ze op hun plaats vallen’, Het Vaderland, 10 februari 1968 [interview met Nini Brunt].

Jaarverslag Fonds voor de Letteren 1975. Amsterdam: Fonds voor de Letteren.

Gielkens, Jan. 2007. ‘Ivanhoe en de verdwenen vertalingen’, Filter, 14:3, p. 50–57.

Hanssen, Léon. 2001. Menno ter Braak: 1902–1940, deel 2. Sterven als een polemist: 1930–1940. Amsterdam: Balans.

Jong, Dirk de. 1978. Het vrije boek in onvrije tijd. Schiedam: Interbook International.

Koster, Cees. 1996. ‘Over meesterlijke vertalingen. Veertig jaar Martinus Nijhoff Prijs’, in: Ton Naaijkens (ed.), Vertalers als erflaters. Staalkaart van een eeuw vertalen. Muiderberg: Coutinho, p. 86–105.

Koster, Cees & Ton Naaijkens. 2010. ‘Translators in Translation History – The Dutch Case’. Paper presented to The Fifth Biennial Conference of the American Translation & Interpreting Studies Association “The Sociological Turn in Translation and Interpreting Studies”. New York, NY, 24 april 2010.

Koster, Cees & Ton Naaijkens. 2010a. ‘Vertaling in de jaren zestig: het vertaalveld wordt volwassen’, Filter, 17:4, p. 3–6.

Lammers, Fred. 1979. ‘Nini Brunt schrijft geen derde boek met memoires’, Trouw, 8 januari 1979 [interview met Nini Brunt].

Rouleaux, Wil. 2009. ‘Een humor die niet lacht. De zeer ingewikkelde vrolijkheid van Franz Kafka’, Trouw, 19 september 2009.

Spoor, Corine. 1980 ‘“Vertalen is eigenlijk tweedehands schrijven.” De “voelhorens” van Nini Brunt’, De Tijd, 12 september 1980, p. 52–54 [interview met Nini Brunt].

Straten, Hans van. 1954. ‘Kafka kreeg in de bioscoop inspiratie voor de roman “Amerika”’, Het Vrije Volk, 27 maart 1954.

Toorn, Willem van. 2011. ‘De lichtheid van Kafka’, Kafka-Katern, 19:2/3, p. 47–49.

Visser, Ab. 1977. ‘Het verleden herleefd’, Leeuwarder Courant, 2 juli 1977.

Zwartboek ‘Geef ons heden’. Amsterdam: Instituut voor Vertaalkunde, 1980.
 

Websites
www.dbnl.org; geraadpleegd 1 november 2013

wiki.theaterencyclopedie.nl/wiki/Hoofdpagina; geraadpleegd 1 november 2013

Selectieve bibliografie vertalingen Nini Brunt
1928    David Garnett, Zeemans thuisvaart. Maastricht: Stols. (Engels)

1928    E. Nesbit, Wij met ons vijven en Madeleine. Den Haag: G.B. van Goor Zonen’s U.M. (Engels)

1936    Rainer Maria Rilke, Het dagboek van Malte Laurids Brigge. (vert. door D.A.M. Binnendijk en N. Brunt). Amsterdam: Querido. (Duits)

1937    Bernard von Brentano, Proces zonder rechters. Amsterdam: De Lange. (Duits)

1943    Demonie en droom: vertellingen der Duitsche romantiek. verzameld en vert. door D.A.M. Binnendijk en N. Brunt. Amsterdam: Contact. (Duits)

1948    Virginia Woolf, Mrs. Dalloway. Amsterdam: Van Oorschot. (Engels)

1949    Walter Farley, Black, de zwarte hengst en Satan. Meppel: H. ten Brink. (Engels)

1956    Barbara Cartland, 18 vrouwen wier liefde de geschiedenis beïnvloedde. Amsterdam: Becht. (Engels)

1956    Vicki Baum, Vrouwen en haaien. Amsterdam: De Lange. (Engels)

1959    Catherine Marshall, Als je een negermeisje bent. Amsterdam; Meppel: H. ten Brink. (Engels)

1960    Mary Norton, De leentjeburen. Amsterdam; Meppel: H. ten Brink. (Engels)

1961    Elie Wiesel, De nacht. Amsterdam: Querido. (Frans)

1966    Mary McCarthy, Herinneringen aan mijn roomse jeugd. Amsterdam: De Arbeiderspers. (Engels)

1970    Katherine Mansfield, Verrukking en andere verhalen. Amsterdam: Querido. (Engels)

1974    Ulrich Plenzdorf, Het nieuwe lijden van de jonge W. Amsterdam: Meulenhoff. (Duits)

1980    Joseph Roth, De legende van de Heilige Drinker. Amsterdam: De Lange. (Duits)

Lees meer over: