Galerij: 4 Mark Twain in spe    3-6

Barber van de Pol

Stel je een enquête onder vertalers voor met als kernvraag: welke schrijver heeft u níétin de wacht kunnen slepen, terwijl u toch zeker weet dat hij u op het lijf is geschreven? Ik zou het wel weten. Ik zou meteen antwoorden: Mark Twain! Die is zo grappig en spannend, en, durf ik rustig te beweren: zo wijs!

Bij Twain denk ik persoonlijk altijd automatisch aan De avonturen van Tom Sawyer, of liever aan de hoofdpersoon in dat boek, Tom, want hij en niemand anders is mijn levenslange imaginaire vriendje geweest, de pestkop, de lieverd. Ik zou hem nog steeds m’n mooiste knikkers geven als hij erom vroeg. Tom Sawyer is m’n hartenlapje onder de boeken en hartenlapjes leg ik graag op de ontleedtafel om ze van alle kanten te bewonderen en liefdevol te onderzoeken.

In z’n voorwoord uit 1876 onthult Twain dat Tom in tegenstelling tot Huck niet op één bepaald individu is geënt maar is samengesteld uit de eigenschappen van wel drie verschillende echte jongens die de schrijver heeft gekend, een product van compositie dus. Ik heb in het verlengde daarvan prompt wel eens gelezen dat je Tom niet van binnenuit meemaakt. Bij zijn maat Huck (De avonturen van Huckleberry Finn) kijk je via Hucks eigen ogen, bij Tom kijk je via die van de schrijver.

O ja? En dus zou Tom buitenkantig zijn? Niet complex genoeg? Daar voel ik me als onvoorwaardelijke Tom-aanbidster heel ongemakkelijk bij, en ik niet alleen. Ik las in diverse bewoordingen eveneens protest op dit punt bij anderen. Tom belichaamt om te beginnen herkenbaar het nog net niet gefnuikte zelfvertrouwen van de pre-puber, die in zijn eigen wereld domineert, ondanks het web van regels en wetmatigheden dat steeds stroperiger zal blijken te zijn. Zijn branie en moed der wanhoop soms zijn emblematisch voor de meeste kinderen van zijn leeftijd, maar ze hebben in het boek een persoonlijke stem: die van Tom. De slimheid en veinskunst waarmee hij op anderen, tegen beloning nog wel, het schilderen van een schutting – straf voor kattenkwaad –afschuift is erg des Toms en niet des iemand anders.

Nee, ik laat me mijn papieren kinderliefdes niet afpakken. Tom was voor mij echter, nu vooruit: completer, dan alle jongens om me heen en dan was ík Becky (zie boek) en waren we samen verwikkeld in de wanhopige kalverliefde die de enig haalbare is op die leeftijd. Ik was tien of elf toen ik hem leerde kennen, ongeveer zo oud als hij, ik zat in gedachten bij hem in de klas. Van seksualiteit is nog niet sprake, wel van constante, hormoonbepaalde broeierigheid en elkaar in het vizier hebben. Het is het niveau van een vlecht in de inktpot dopen (hij) en juist als het bijna aan is nuffig doen (zij) en dan toch samen op het laatst zo’n veel te groot avontuur meemaken, verdwaald in een grottenlabyrint – het lijkt wel een metafoor voor het leven. Toen knipperde ik toch even met m’n ogen, iets dieper wegduikend in de luie stoel bij de kachel waarin ik dit bloedstollends ongetwijfeld las.

Het boek waarin Tom leeft was mijn eerste literaire kaakslag. In z’n schaduw maakte Huckleberry Finn zijn entree, maar eerst was er Tom. Tom en Huck zijn de junioren titaantjes van Amerika, aardige jongens, doe-jongens met een dromerige geest, een soort schelmen, dat zijn het ook, uit principe denk ik. Ze lijken iets te vrijgevochten, maar Tom zit tamelijk veilig onder de knoet van z’n tante Polly, die vaak met haar handen naar haar hoofd grijpt vanwege hem, en naar de zweep, maar die het gelukkig ook vaak genoeg uitschatert.

Tom, T-ó-h-ó-m! Waar zit die dekselse jongen toch! (Ik vat even samen.)

Klinkt dit oubollig? Je kunt van ‘dekselse’ ‘verdomde’ maken, of ‘vervelende’, maar we zitten wel ook in de negentiende eeuw, in een fictief dorpje aan de Mississippi. Laat die sfeer vooral waar mogelijk tot z’n recht komen, het is prima wat vertaler Peter Bergsma heeft gedaan.

Tom is zich aan het losmaken van tantes gezag. Dit is een coming of age-boek dat híj, een jongen uit één stuk, dat houd ik vol, bezielt. Hij bevindt zich nog net in het bitterzoete paradijs van zijn jeugd. De spiegel waarin we kijken is onze eigen jeugd, met veel vanzelfsprekende euforie en ook al wat melancholie. Er komt in Toms wereld gratis en voor niets een heleboel amper te beheersen natuur bij, dat is wel heel erg van vroeger: vlotten bouwen voor op de rivier, dat deden mijn broertjes aan de Rijn al niet meer.

Ach, Amerika. Hier en daar hebben de moraalridders er Twains boeken laten kuisen van het woord ‘negro’. Alsof de wereld klaar is wanneer de oppervlakte wordt gezuiverd van vermeende smetten. Alsof het politiek correcte blazoen ook maar voor een spat geloofwaardig is bij een mensheid die een vat vol tegenstrijdigheden is. Alsof literatuur daartoe zou dienen. Je laat je trouwens wel kennen als je zo wantrouwend bent. Historisch gezien is het hoe dan ook uiteindelijk gewoon vervalsing, een brutale retouchering van de feiten, een zouteloze hertaling.

Je leest door zoiets te doen bovendien de schrijver en Tom zelf de les, je maakt ze verdacht, en, hiervoor steek ik mijn hand in het vuur: Twain cq Tom deugt. ‘Von Missetaten weiss er nicht’ – het is Passietijd terwijl ik dit schrijf. Twain, trouwens alom geliefd, had zelf al eens van ‘nigger’ ‘negro’ gemaakt, hij was een politiek, en steeds meer een links politiek dier, om in termen van later te spreken. Hij ageerde tegen imperialisme en voor vrouwenkiesrecht, en raakte via zijn schoonfamilie actief betrokken bij de anti-slavernijbeweging.

En Tom? Tom was gewoon te jong om schuldig te zijn, net als Huck. Zij waren gefascineerd door de zwarte gevangene Jim. Hun fascinatie is de fascinatie van ieder kind voor iedereen die afwijkt, of het nu een prinses, een ernstig zieke of een drop out is. Als kind wou ik tbc hebben, net als de bakkersdochter, die een halfjaar lang achter het venster van haar huis bijzonder lag te zijn. Een kind met een dode ouder werd benijd, al vermoedde je dat het iets heel ergs was. Een jongen (Tom) die fluitend een schutting staat te schilderen is zoiets verrassends, dat de jaloezie toeslaat.

Wat een verwarring. En sinds Twelve years a slave, een heel Amerikaanse film, ligt het onderwerp voorlopig nog gevoeliger, vrees ik.

Mijn reële bemoeienis met Tom Sawyer is al met al gering geweest, al schreeuwde ik mijn liefde voor het boek bij gelegenheid kennelijk wel van de daken. ‘Tom wist met slimheid en lef zijn leven behoorlijk aangenaam te maken,’ schreef ik op 20 april 2001 in m’n column toen in de Volkskrant – mijn oog viel er onlangs toevallig nog op. In NRC Handelsblad had ik al eens Tom Sawyer m’n beslissende boek genoemd, want je kunt op zo’n moment wel Don Quichot noemen, maar een eerste kaakslag is beslissender dan een latere, al is die wel degelijk bepalend voor mijn leven geweest, met concretere en reëlere gevolgen. Beide boeken zijn het product van iemand die de toneelwereld in het topje van z’n vingers aanvoelt en alle scènes en dialogen die hij schrijft op een podium zet.

Je denkt dat niemand het merkt, dat je hooguit per ongeluk af en toe iets idolaats zegt, maar dan reken je buiten de opmerkzaamheid van de anderen. In 2007 werd me gevraagd om een voorwoord bij een nieuwe uitgave van Peter Bergsma’s vertaling, waarmee ik zowaar officieel als Tom-adept werd erkend. Dank daarvoor; een liefdesverklaring in boekvorm heeft iets bezegelends.

Ongeveer in die tijd gaf mijn oudste dochter me de enige antieke bibliofiele boeken die ik heb, regelrecht uit het Mississippigebied. Het was het innigste cadeau dat ze voor me kon bedenken, kilo’s zwaar. Je valt je kinderen niet lastig met je voorkeuren, maar ondertussen. Het gaat om een heel erg fijne Tom Sawyer met tekeningen en kleurenillustraties van Norman Rockwell (die van de voorplaten van Life en de Panorama, die hadden wij vroeger thuis) én een tweetalige uitgave van Twains autobiografie, een eerste (!) druk, uit 1924. Ik had wel biografieën van Twain gelezen, maar niet dit niet-chronologische pak zelfreflecties, die geen opgewarmde prak of zo vormen, maar een spiegelzaal waarin je steeds het gevoel kunt hebben dat je er zelf bij bent, ook door de parlandotoon.

Op die autobiografie heb ik als vertaler beslist een oogje gehad, niet lang geleden, misschien was het wel het laatste oogje dat ik in die rol zal hebben.

Helemaal vooraan staat, als introductie of motto, zo’n verzuchting die me juist ook om z’n lichte en toch behoorlijk dramatische toon verrukt: ‘What a wee little part of a person’s life are his acts and his words! His real life is led in his head, and is known to none but himself. All day long, and every day, the mill of his brain is grinding, and his thoughts, not those other things, are his history. His acts and his words are merely the visible, thin crust of his world, with its scattered snow summits and its vacant wastes of water…’1 (ca. 1870).

Even leek de logica te gebieden dat ik die zou gaan vertalen in plaats van Tom Sawyer, want dat boek was dus voor Peter Bergsma geweest, met goed gevolg. Wou ik nog iets met Twain, dan misschien het eigen levensverhaal van deze zo humoristische en achtenswaardige schrijver, door Faulkner ‘de vader van de Amerikaanse literatuur’ genoemd. Voor Twain zelf is het boek misschien de dunne, zichtbare korst van zoveel meer, en toch moedigden die woorden en daden in de verzuchting me prompt aan er kennis van te nemen en meer dan dat: me erin te verliezen en met de hele inhoud – ‘zijn gedachten’– weer boven te komen. Die korst roept alles eronder op, wist ik, wist hij waarschijnlijk zelf ook wel, of hij hoopte het, anders begin je niet aan zoiets. Ik wou hem met korst en al veroveren. Ik wou intellectueel verkeren met Twain, de maker van de leukste papieren jongen die ik ken, minstens zo leuk als Kees de Jongen – sorry Kees – en net zo ondernemend en innemend als Alice.

Twain is hoe dan ook een van die zeldzame schrijvers die vanwege hun wendbare perspectief op het breukvlak tussen jeugd en volwassenheid lezers van 8 tot 108 weten te boeien.

Mag ik de autobiografie van Mark Twain vertalen, vroeg ik daarom drie of vier jaar geleden op zo’n moment dat er ook om het geld iets nieuws moest worden bedacht – de vraag was gericht aan Frits van der Meij van Athenaeum – Polak & Van Gennep. Er was zojuist een nieuwe, wetenschappelijk verantwoorde uitgave verschenen, de aanleiding kon niet beter. Ik had Twains opmerkelijk gezellige huis, thans museum, in Hartford (Connecticut) bezocht en was er in gedachten van de heuvel gesleed en dikkopjes aan het vangen geweest in de vijver beneden. Je zit dan buiten het werk van de auteur in zijn leven, en voelt deernis vanwege het leed dat hem op persoonlijk vlak zou treffen.

Frits?

Maar de tijden waren aan het veranderen, de kansen in uitgeefland verslechterden snel en voor Engelstalig werk bestonden geen uitgeverssubsidies, kreeg ik te horen. Er is sindsdien tot op heden geen enkel verzoek meer van deze uitgever mijn kant uit gekomen en de vertaalborrels waren al eerder afgeschaft, wat achteraf een veeg teken bleek te zijn. Gelukkig is de kennis van het Engels in Nederland eigenlijk zo algemeen en zo goed, dat wie het wil gewoon rechtstreeks kennis kan nemen van dit wonderbare, zelf geboekstaafde leven van Samuel Langhorne Clemens (1835–1910), zich noemende Mark Twain.

 

Noot
1 ‘Wat een fluttig klein beetje van een mens z’n leven zijn z’n handelingen en woorden! Zijn echte leven wordt in z’n hoofd geleid, en is niemand behalve hemzelf bekend. De hele dag lang, en iedere dag, maalt de molen van zijn brein, en zijn gedachten, niet die andere dingen, zijn z’n geschiedenis. Zijn handelingen en zijn woorden zijn louter de zichtbare, dunne korst van zijn wereld, met z’n verspreide sneeuwtoppen en open/lege, onbevaren wateren…’

Lees meer over: