Deze motherfucker laat zich niet zomaar vertalen    39-43

Jonathan Reeder
Vertaling: Koen Boelens

In haar roman De laatste dichters beschrijft Christine Otten, voor een groot deel vanuit het ik-perspectief, de levens van een groep Afro-Amerikaanse muzikant-dichters vanaf de jaren zestig. Mede door hun actieve rol in de Black Power-beweging worden ‘The Last Poets’ tegenwoordig gezien als de geestelijke vaders van de hiphop.

De acht mannen hebben verschillende achtergronden: de grote stad tegenover het platteland, het Noorden tegenover het Zuiden, achterstandswijk tegenover de suburbs. Een aantal van hen is in hun jeugd in aanraking gekomen met drugs, criminaliteit, religie en rellen. Sommigen hebben zich later meer conventionele maatschappelijke rollen aangemeten, zoals die van politicus of hoogleraar. Ze treden nog steeds op, samen dan wel alleen, als ‘The Last Poets’.

Gezien de diversiteit in achtergrond zou je verwachten dat de dichters ook verschillende varianten van Amerikaans-Engels spreken. De auteur heeft hun taalgebruik (afkomstig uit transcripties van opgenomen gesprekken) in het Nederlands echter noodgedwongen gladgestreken zodat er een min of meer ‘algemeen’, ‘correct’ Nederlands ontstond. Ze had weinig keus: het gebruiken van slang is één ding, maar met het omzetten van niet-standaard taalgebruik van de ene taal in de andere steek je jezelf algauw in een wespennest. (Om de tekst kleur te geven heeft ze hier en daar wel gebruikgemaakt van amerikanismen en onvertaalbare obsceniteiten als motherfucker of het controversiële N-word.)

Ik besloot – ook min of meer noodgedwongen – om in mijn vertaling van De laatste dichters het oorspronkelijke taalgebruik te herstellen. Hierdoor stond ik als vertaler voor verschillende uitdagingen: (1) hoe ik de waarschijnlijk zeer gevarieerde stemmen en zegswijzen van de dichters in ere kon herstellen, (2) hoeveel vrijheid ik mij kon veroorloven bij het toedichten van niet-standaard spreektaal aan de sprekers (en aan welke), maar bovenal (3) hoe ik hen realistisch kon weergeven zonder te beledigen. Let wel: het gaat hier om een witte Nederlandse auteur en een witte Amerikaanse vertaler die geen van beiden wezenlijke ervaring hebben met African American Vernacular English. Het risico dat een goedbedoeld etnisch vleugje algauw riekt naar een stuitende karikatuur behoeft geen verdere uitleg. Op één na leven alle hoofdpersonages nog en sommigen waren ook erg benieuwd naar het boek. Met het huidige debat omtrent culturele toe-eigening in mijn achterhoofd was ik mij zeer bewust van de gevaren en doodsbenauwd dat ik er een minstrel show van zou maken.

Tijdens het vertalen kwam ik algauw een andere valkuil tegen: zo nu en dan had de auteur, ondanks haar doorgaans goede beheersing van het Engels, de gesprekken verkeerd verstaan, waardoor sommige passages volstrekt bizar werden. (In een latere druk van De laatste dichters zijn deze missers overigens gecorrigeerd.) Een groot deel van de gesprekken was opgenomen in rumoerige diners, op drukke straten of met allerlei andere soorten ruis en onderbrekingen. Het ontcijferen van de tekst had dan ook wat weg van het doorfluisterspelletje dat je op de lagere school speelt. Pas na veelvuldig hardop schakelen tussen de twee talen wist ik te achterhalen wat de spreker daadwerkelijk had gezegd.

Hij kon een akkoord op achthonderdvijftig verschillende manieren spelen, herhalen, achterstevoren spelen, binnenstebuiten, uitrekken en de onzichtbare kracht daarvan...

He could play a chord in eight hundred different ways: repeat it backward, inside out, expand it, make use of its invincible power...

Ik had het geluk, en met mij de Engelse lezer en de dichters zelf, dat Otten de opnamen van de gesprekken met de dichters en hun vrienden en familie uit 2001 had bewaard. Ik heb de bandjes eindeloos afgespeeld (en wat was ik blij dat ik mijn oude cassettespeler niet had weggegooid!). Dan hield ik de bandteller, de spreker en mogelijke elementen die zijn of haar taalgebruik kleur gaven nauwkeurig bij, zodat ik die elementen kon laten terugkomen in de vertaling op plaatsen waar ze leken te passen.

Disclaimer: ik ben absoluut geen taalkundige. Het enige wat ik voor ogen had was om de personages op een realistische maar respectvolle manier tot leven te brengen en hun stemmen zoals ik ze had gehoord op de bandjes te reconstrueren, maar ook om hun manier van spreken op een weloverwogen wijze aan te brengen in andere, fictieve passages.

Zoals gezegd blijft in het Nederlandstalige origineel een aantal termen die bij uitstek onvertaalbaar zijn, motherfucker (of muthafucka) en nigger, simpelweg in het Engels staan. Het spreekt voor zich dat de vertaler hier spaarzaam mee moet omgaan (en tot op het allerlaatst huiverde ik als ik ze moest typen of dicteren), maar in de gesprekken worden ze door sommige sprekers achteloos gebruikt. Hetzelfde geldt overigens voor fuckin’ (als bijvoeglijk naamwoord); één spreker gebruikte dat woord zo vaak dat de kracht van de term met iedere herhaling leek af te nemen.

Een ander taalkundig obstakel voor Otten was de uitdrukking ain’t. Het Nederlands kent geen equivalent, dus de inschatting van de momenten waarop een spreker het in de vertaling zou kunnen zeggen was een veredelde vorm van iene miene mutte: ain’t-je hier, ain’t-je daar, maar niet overal.

‘Uncle Nathaniel, how come we’re not eating steak?’
  ‘You want steak, go fetch a rifle,’ Uncle Nathaniel said. ‘’Nuf steak walking around out there.’
  Jake looked at me. ‘Let’s go,’ I said. We went out to the barn. The hunting rifle was too big and heavy for Jake—he put it to his shoulder and tumbled backwards. I told him to hide in the tall grass. Hide and watch. I shot two rabbits and a hare. Uncle Nathaniel said: ‘Still ain’t no steak.’ 

[‘Oom Naftaniel, waarom eten we geen sirloin steak?’
  ‘Als je steak wilt, pak je maar een geweer,’ zei oom Naftaniel. ‘Daarbuiten loopt genoeg steak rond.’
  Jake keek me aan. ‘Kom op,’ zei ik. We gingen naar de stal. Het jachtgeweer was te groot en te zwaar voor Jake. Hij legde het op zijn schouder en tuimelde omver. Ik zei dat hij zich moest verstoppen in het hoge gras. Verstoppen en kijken. Ik schoot twee konijnen en een haas. Oom Naftaniel zei: ‘Krijgt-ie nog geen steak.’]

Daarnaast heb ik, daar waar het paste bij de spreker en de dialoog, de vrijheid genomen gebruik te maken van elisie, ook op plaatsen waar in het Nederlands een standaarduitdrukking stond. Zo werd ‘ik ga’ I’m  gonna, ‘ik weet het niet’ dunno, ‘wat ben je aan het doen’ watcha doin’, ‘geef mij’ gimme, ‘kom eens hier’ c’mere en ‘vol’ fulla.

Naast elisie komt in slordig gesproken Amerikaans-Engels ook het weglaten van de persoonsvorm en het bepaald lidwoord veel voor (What you doin’ here? en Faucet’s back here). Hetzelfde gebeurt met de g aan het eind van een tegenwoordig deelwoord (sittin’ up on the roof, pickin’ off as many cops as he could) en ook de dubbele ontkenning wordt vaak gebruikt (You don’t have to tell nobody en I don’t sell no weapons). Ook deze heb ik laten terugkomen in de vertaling waar het gepast leek en de tekst kleur zou geven.

‘I gotta get something to drink.’
  ‘Got any money?’
  ‘Why wouldn’t I?’
  ‘Dunno.’

‘A Coke, please.’
  ‘No Coke,’ the man said. He went behind the glass counter and stood with his back to Jerome.
  ‘I’d like something to drink.’
  ‘Faucet’s back here, next to the men’s room.’
  ‘I’m looking for a jackknife.’
  The man didn’t respond.
  ‘A jackknife. Do you sell jackknives?’ Jerome did his best to sound casual.
  The man turned to him. ‘You ain’t old enough to drive. Whatcha doin’ here?’
  ‘I’m in the Boy Scouts and need a pocketknife.’
  ‘Boy Scouts? You?’ He laughed.
  ‘Everybody’s got one.’
  ‘And you don’t.’
  Jerome shook his head. His mouth was so dry it was as though he was breathing dust instead of air.
  ‘C’mere.’
  Jerome went over to the counter.
  ‘I don’t sell no weapons. You get my drift?’
  Jerome looked at the scissors and knives and chisels and screwdrivers displayed under the glass countertop. In the middle of all that glistening steel he saw a dull hatchet with a carved wooden handle shaped like an eagle’s head. It made him think of Indians.
  ‘I like that one.’
  ‘Three dollars.’
  Jerome dug the money out of his pants pocket and laid it on the counter.
  ‘Thought you wanted a jackknife.’

[‘Ik moet wat drinken,’ zei Jerome.
  ‘Heb je geld dan?’
  ‘Hoezo niet?’
  ‘Weet ik veel.’

‘Een coke graag.’
  ‘Geen coke,’ zei de man. Hij stond achter de toonbank, zijn rug naar hem toe.
  ‘Ik wil iets drinken.’
  ‘De kraan is hierachter, bij de wc.’
  ‘Ik zoek een zakmes.’
  De man reageerde niet.
  ‘Een zakmes, verkoopt u zakmessen?’ Jerome probeerde zijn stem zo gewoon mogelijk te laten klinken.
  De man draaide zich om. ‘Jij rijdt nog geen auto. Wat kom je doen?’
  ‘Ik ben bij de padvinderij en ik heb een zakmes nodig.’
  ‘De padvinderij? Jij?’ Hij begon te lachen.
  ‘Iedereen heeft een zakmes.’
  ‘En jij niet?’
  Jerome schudde zijn hoofd. Het was alsof hij stof hapte in plaats van lucht, zo droog was zijn mond.
  ‘Kom eens hier.’
  Jerome liep naar de toonbank.
  ‘Ik verkoop geen wapens. Begrijp je wat ik bedoel?’
  Jerome keek naar de scharen en messen en beitels en schroevendraaiers die onder het glas van de toonbank uitgestald lagen. Temidden van al het blinkende staal zag hij een dof bijltje met een houten sierhandvat waarin de kop van een adelaar was gesneden. Het deed hem aan indianen denken.
  ‘Die is mooi,’ zei hij.
  ‘Drie dollar.’
  Jerome graaide zijn geld uit zijn broekzak en legde het op de toonbank.
  ‘Een zakmes wou je toch?’]

Een van de meest intrigerende en in mijn optiek meest sympathieke personages is van gemengd Latijns-Amerikaanse en Afro-Amerikaanse afkomst. Hij is trots op beide en de culturen zijn dan ook allebei vertegenwoordigd in zijn taalgebruik. Tegelijkertijd is hij een van de meest welbespraakte van de ‘Poets’. Nadat ik hem op de bandjes en opnamen van zijn optredens had horen spreken, voelde ik me geroepen om de Spaanse termen en terzijdes opnieuw hun intrede te laten doen op plaatsen waar ze in het Nederlands waren weggewerkt, ze toe te voegen waar hij ze mogelijk zou hebben gebruikt en ze te verbeteren waar ze er in het Nederlands wel stonden maar verkeerd waren geïnterpreteerd.

Let me tell you a story. When I was born, in ’47, Puerto Ricans were considered honorary whites. So they would put White on your birth certificate; it didn’t matter if you were blue, you were ‘white’. My maternal grandmother, Margarita Olmo, was there when I came into the world. I was lighter-skinned than most of the rest of the family. I was considered the golden child. To this day my brothers and sisters say I was given privileges that they didn’t have. That might well be true.
  Anyway, the doctor comes to our house in East Harlem to check me out. He goes to fill in ‘white’ on the birth certificate, and my grandmother, indignant, says, ‘Are you blind? This kid is black.’
  And so the doctor writes ‘Negro’ on my birth certificate. Margarita Olmo was an incredible person. She really loved me. She’d call me over to her, and I’d have to lay my head in her lap and she would run her hands through my curls—she twisted them into dreads, slowly and meticulously. That was way before dreadlocks were in vogue. She loved the shape of my head, the shape of my lips, my nose, my ears, my voice. ‘Tu eres el negrito mas lindo en este mundo’, she’d say—you are the most beautiful black child in the whole wide world. She would have me sit and just read out loud to her in English. She loved the fact that I could speak English.

[Laat me je een verhaal vertellen. In 1947, het jaar waarin ik werd geboren, werden Puerto Ricanen automatisch als blanken geregistreerd. Al was je blauw, dan nog stond er ‘blank’ in je geboortebewijs. Mijn grootmoeder, Marguarite Olmo, de moeder van mijn moeder, was erbij toen ik ter wereld kwam. Ik was lichter dan de meeste anderen in de familie. Ik was het gouden kind, zo noemden ze me. Tot op de dag van vandaag zeggen mijn broer en zus dat ik daardoor privileges had die zij niet hadden. Dat zal ook wel zo zijn geweest.
  In ieder geval, de dokter komt naar ons huis in East Harlem en ziet mij. Hij wil ‘blank’ invullen op de geboorteakte. ‘Bent u kleurenblind?’ roept mijn grootmoeder verontwaardigd. ‘Ziet u niet dat dit kind zwart is?’
  En dus schreef de dokter ‘neger’ in mijn geboortebewijs. Marguarita Olmo was een ongelooflijke vrouw. Ze hield echt van me. Ze hield ervan om me bij zich te roepen en dan moest ik op haar schoot gaan zitten en zij streelde met haar handen door mijn krullen, ze draaide er dreads in, heel langzaam en precies. Dat was jaren voordat dreadlocks in de mode kwamen. Ze hield van de vorm van mijn hoofd, mijn neus, mijn oren, mijn stem. ‘Je bent het mooiste zwarte kind op de hele wereld,’ zei ze. Ze wilde altijd dat ik haar voorlas in het Engels. Ze vond het prachtig dat ik goed Engels kon praten en lezen.]

Een laatste uitdaging was een hoofdstuk dat wordt verteld vanuit het perspectief van een familielid van een van de hoofdpersonages: een hoogopgeleide vrouw die werkte als verpleegkundige. Haar taalgebruik was flexibel: ze wisselde moeiteloos tussen ‘correct’ Engels en de spreektaal die veelal wordt geassocieerd met Afro-Amerikanen. Dit geslalom is de auteur waarschijnlijk niet opgevallen, dus in het oorspronkelijke werk spreekt de vrouw algemeen beschaafd Nederlands. Het reconstrueren van dit kenmerkende trekje bleek zo’n lastige opgave dat ik heb besloten het ook in de vertaling bij standaardtaal te laten, waardoor de ontspannen charme van haar taalgebruik enigszins verloren gaat.

So then we lived in a mixed neighborhood for the first time, with Italians and blacks. And anyway, back then white people didn’t come into our neighborhoods. Our businesses were black-owned. There weren’t even any white kids at school. And believe it or not, it was much better that way. There was more cohesiveness, no confusion. Everybody seemed to get along. My father used to talk about white people. ‘Don’t trust them,’ he’d say. He grew up in Birmingham, Alabama, and down there you didn’t look white people in the eye when you talked to them. My father had some racist ideas, but his ideas gave me self-confidence. I’m very outspoken. Whatever I have to say, I say it. As a matter of fact, some of the kids I went to school with thought I would become a politician rather than a nurse.

[Voor het eerst woonden we in een gemengde wijk met Italianen en zwarten. In onze oude buurt kwamen geen blanken. Alle winkels waren eigendom van zwarten. De scholen waren zwart. En geloof me of niet, het was beter. Er was meer eenheid en minder verwarring. Mijn vader had het altijd over blanken. ‘Don’t trust them.’ Hij groeide op in Birmingham, Alabama en daar was het gewoon dat je blanken niet aankeek, dat je niet met ze sprak. Hij had racistische ideeën, maar die gaven mij juist zelfvertrouwen. Ik ben erg uitgesproken. Als ik iets te zeggen heb, zeg ik het hoe dan ook. Sommige jongens vroeger bij mij op school dachten dat ik politicus zou worden in plaats van verpleegster.]

Tot op heden heeft nog niemand ons aangeklaagd of op Twitter beticht van racisme of culturele toe-eigening. De eerste reactie van zowel de auteur als de ‘Poets’ zelf was: ‘Damn, motherfucker, dat zijn wij!’
 

Christine Otten, De laatste dichters. Amsterdam: Atlas, 2004; Amsterdam: Olympus, 20166.

Christine Otten, The Last Poets. Translated from the Dutch by Jonathan Reeder. London [Breda]: World Editions, 2016.

Lees meer over: