De Odyssee verdient een nieuwe vertaling     22-09-2026

Ramon Selles

In het kielzog van Christopher Nolan doet Homerus het goed. In de weken na het verschijnen van de film maakte de Odyssee een opleving door in de boekwinkels. Met name de Engelse vertaling van Emily Wilson (2017) was even niet aan te slepen, deels omdat Nolan zich op deze versie zou hebben gebaseerd. In het Nederlands zijn de meest voor de hand liggende, want nu in de boekhandel verkrijgbare, versies die van Imme Dros (1991) en Patrick Lateur (2016). Ten slotte speelde uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep handig in op de hype door in de aanloop naar de film een bewerkte versie van de oude prozavertaling van M.A. Schwartz (1951) uit te brengen.

Helaas illustreert juist deze laatste uitgave waarom het tijd wordt voor een volwaardige nieuwe Odyssee in het Nederlands – iets wat door dit soort uitgaven juist verder uit zicht raakt. Deze bewerkte Schwartz is in alle opzichten een gemiste kans. Dat zit hem vooral in een onduidelijke relatie tot de brontekst, een dubieuze visie op vertalen en – als gevolg daarvan – twijfelachtige vertaalkeuzes. Hieronder eerst iets over de vage status van deze uitgave en de aannames erachter, gevolgd door een aantal voorbeelden van gemiste kansen die illustreren wat hier ontbrak: de hand van een vertaler.

 

Vertaling, hertaling of bewerking?
Om te beginnen is onduidelijk wat voor uitgave dit precies is en hoe die zich verhoudt tot de oorspronkelijke vertaling van Schwartz en, belangrijker, tot Homerus. Op de cover staat duidelijk ‘Vertaling M.A. Schwartz’, maar op de achterflap blijkt het om een ‘bewerkte, gemoderniseerde versie’ van die vertaling te gaan. Helemaal achterin het boek zit een korte verantwoording, waar het opnieuw over een bewerking gaat, al blijft in eerste instantie een beetje in het midden waarvan.

Die verantwoording zegt tegelijkertijd heel weinig en heel veel. Er zou een poging zijn gedaan ‘Schwartz te eren en met behoud van betekenis het proza te laten klinken zoals het klonk’, op zichzelf al een wonderlijke doelstelling. Ook heeft de bewerker ‘rijm en assonantie en alliteratie toegepast’ en heeft de tekst nu ‘waar mogelijk het ritme van de zee, zoals bij Homerus’. Wat dat laatste betekent zal iedere classicus een raadsel zijn. Verder zou ernaar gestreefd zijn ‘zo dicht mogelijk bij het Grieks te blijven’, alsof dat niet het minste is wat je van een vertaling zou verwachten. Wat betekent zo dicht mogelijk bij het Grieks blijven voor deze vertaler of bewerker? Gaat het over de woorden, de stijl, de karakterisering, de emotionele lading, het metrum, de poëzie, het klankspel, de spelling? En is het te rijmen met een andere doelstelling van de bewerking: het schrappen van elementen die ‘mogelijk onbegrijpelijk’ zouden zijn voor hedendaagse lezers? Wat acht deze uitgave onbegrijpelijk, en waarom? Waar bestond het ‘moderniseren’ nog meer uit?

Wat opvalt is de nadruk op eerbied, niet alleen voor Schwartz maar ook voor Homerus: ‘Onvermijdelijk verdwijnt er in vertaling en hertaling iets van de brille van de blinde dichter – dat is in deze versie nog sterker het geval. Er is met alle verschuldigde respect geprobeerd een leesbare, zo tijdloos mogelijke bewerking te maken van een van de grootste klassiekers van de moderne westerse literatuur.’ Dit leest als een verontschuldiging voor het feit dat het wel degelijk – zoals hier pas duidelijk wordt – om een bewerking van Homerus gaat, niet alleen van Schwartz. Maar de schade wordt wel meteen beperkt door een beroep te doen op de zogenaamd inherente beperkingen van vertaling (of hertaling, of bewerking?) en door te steunen op een tijdloze pretentie en op de culturele status van de brontekst (blijkbaar een ‘moderne’ klassieker). Dat roept de vraag op waarom er überhaupt voor deze aanpak gekozen is. Een vertaler met respect voor Homerus en haar vak had zich in elk geval niet op deze manier hoeven indekken.

Ook steunt de uitgave op de naam van een vertaler, terwijl de tekst in feite weinig meer met het poëtische proza van Schwartz te maken heeft maar veelal bestaat uit korte, opgeknipte zinnen in een vlotte, spreektalige (en daardoor misschien juist verre van tijdloze) stijl. Daarmee maakt deze bewerking wel degelijk eigen stilistische én vertaalkeuzes, maar gaat dus niet voor deze keuzes staan en lijdt aan gebrek aan een eigen identiteit. Waarom dan niet een geheel nieuwe vertaling laten maken, in plaats van een oude vertaler te ‘eren’? Zou Schwartz zich door deze bewerking wel geëerd hebben gevoeld?

De visie achter de uitgave lijkt toch vooral te zijn geweest mee te liften op Nolan, met een omslagbeeld dat het promotiemateriaal van de film imiteert en een Nolan-quote op de achterflap. Veelzeggend is het publiek waarop de uitgave mikt: ‘Een modernisering is bedoeld voor een zo breed mogelijk publiek, van alle leeftijden’. Het is kortom moeilijk je aan de indruk te onttrekken dat deze handig getimede uitgave vooral met één doel op de markt is gebracht. Het feit dat de flaptekst trouwens losjes lijkt te zijn overgenomen van Patrick Lateur draagt niet bij aan een authentieke indruk.

 

Gemiste kansen
Het boek presenteert zich dus dubbelzinnig als vertaling of bewerking, maar laten we hem gezien de cover als vertaling beoordelen. Helaas valt er als weergave van de Odyssee van alles op af te dingen. Nog los van stilistische keuzes of het (gebrek aan) poëtisch gehalte, en alles waar in een vertaling over te twisten valt, maakt de nieuwe versie zich namelijk van vertaalproblemen af waar een vertaler juist nog eens goed naar Homerus had kunnen kijken en duidelijke keuzes had kunnen maken. Juist het soort keuzes dat een vertaling respectvol en modern maakt.

Dat begint al bij de openingszin: ‘Vertel me, Muze, over de slimme held…’. Hier past de nieuwe uitgave ‘de listige held’ (Schwartz) aan naar ‘de slimme held’. Je kunt je al afvragen of het doel van ‘behoud van betekenis’ ten opzichte van Schwartz hier gehaald is. Bovendien gaat het hier om een inmiddels berucht Grieks woord (polytropon) waar iedere vertaler wel even haar hoofd over moet breken. Emily Wilson wijdt in een essay over haar vertaling tien pagina’s aan dit ene lastige, listige woord. Het betekent zoiets als ‘wendingrijk’ en slaat op Odysseus’ wendbaarheid, listigheid, ongrijpbaarheid, zijn ‘twists and turns’ (Fagles). In de Nederlandse vertaaltraditie wordt dat iets als ‘van velerlei wegen’ (De Roy van Zuidewijn), ‘van duizend listen’ (Imme Dros) of ‘van vele listen’ (Lateur). Wilson kwam in haar vertaling uit 2017 uit op: ‘Tell me about a complicated man’. Dat ‘complicated’ is ook maar een interpretatie, waar over te discussiëren valt, maar het zet in ieder geval vanaf vers één onze verwachtingen van de man, het gedicht én de vertaling op scherp. Wij moeten het doen, in de meest recente uitgave van de Odyssee in het Nederlands, met ‘de slimme held’, wat verder van het Grieks staat, niet begrijpelijker is dan wat er stond en de man om wie het gaat afvlakt.

Afvlakking van de tekst is een patroon en gaat bijvoorbeeld ten koste van karakterisering. Wanneer Odysseus met de meeste van zijn mannen weet te ontkomen aan de Cycloop, die hij net met een list en een brandend stuk hout blind heeft gemaakt, kan hij het niet laten de Cycloop nog iets na te roepen. In de nieuwe ‘Schwartz’ (2026) roept Odysseus:

'Luister, Cycloop. Als ooit iemand vraagt wie je verblind heeft: ik was het, Odysseus.'

In Schwartz (1951) zei Odysseus:

'Cycloop, als ooit een van de mensen je vraagt, hoe je oog zo afschuwelijk verblind is, zeg dan, dat de stedenverwoester Odysseus het uitstak, de zoon van Laërtes, die in Ithaka woont.’

Dat is een mond vol, maar niet zonder betekenis. Odysseus identificeert zichzelf als een ‘stedenverwoester’, wat doet denken aan een eerdere truc, het paard waarmee hij Troje innam. Hij wil bekendheid onder ‘de mensen’, en hij komt uit Ithaka, het thuis waar hij naar terug moet. Ook wrijft hij er nog even in hoe ‘afschuwelijk’ toegetakeld de Cycloop eruitziet, iets wat de Cycloop voor zijn leven zal tekenen. Deze aspecten van het personage gaan verloren in een tekst die al te gemakkelijk versimpelt. Een vertaler had de verschillende elementen uit Homerus juist op een straffe en prima begrijpelijke manier een plek kunnen geven, zoals Wilson:

‘Cyclops! If any mortal asks you how
your eye was mutilated and made blind,
say that Odysseus, the city-sacker,
Laertes’ son, who lives in Ithaca,
destroyed your sight.’ 

Dat is leesbaar, modern en ook nog eens poëtisch.

Ogenschijnlijk onschuldige redactie-ingrepen kunnen ook potentieel beladen vertaalkeuzes met zich meebrengen. In een tegenwoordig beruchte passage tegen het einde van het epos, als de vrijers in het huis van Odysseus zijn afgeslacht, hangt Telemachus een aantal vrouwelijke tot slaaf gemaakten op die met die vrijers naar bed zijn geweest. Bij Schwartz (1951) zijn die vrouwen ‘slavinnen’, in ‘Schwartz’ (2026) zijn ze op het cruciale moment gewoon ‘de vrouwen’ geworden. Ook heeft de bewerking het over ‘trouweloze vrouwen’ waar dat niet staat in het Grieks of in Schwartz; daarmee wordt het perspectief van Telemachos/Odysseus op die vrouwen ten onrechte overgenomen in de vertellerstekst. Ook is in Telemachos’ beschuldiging weggelaten waar hij deze vrouwen precies van beschuldigt. Dit soort versimpelingen poetsen problematische dimensies van de tekst weg, zoals de ondergeschikte status en daarmee mogelijk beperkte inspraak van de vrouwen zelf. Dat is geen neutrale modernisering, maar het ontwijken van een actueel vertaalprobleem.

Soms voegt de bewerking juist iets toe waar de tekst niet beter van wordt. Het gruwelijke moment waarop de ‘slavinnen’ aan hun einde komen werd bij Schwartz (1951) afgesloten met: ‘Even nog – niet lang – spartelden de voeten.’ ‘Schwartz’ (2026) maakt daarvan: ‘Even nog, maar niet lang, spartelden ze met hun voeten. Toen was het voorbij.’ Laat dat laatste bij Homerus nu net niet zijn uitgespeld. Een ander voorbeeld uit het begin van het epos: als Athene vermomd als vreemdeling Telemachos opzoekt, wil Telemachos zijn gast vragen of hij iets weet over zijn vader Odysseus. De bewerker expliciteert: ‘Hij [Telemachos] wilde hem, want hij dacht dat hij een man was, vragen naar zijn al lang geleden verdwenen vader.’ Ook zonder de knullige uitleg van het voornaamwoord snapt de lezer wel dat Athene eigenlijk geen man is maar dat we hier even door de ogen van Telemachos kijken (en had het niet ‘want hij dacht dat zij een man was’ moeten zijn?).

Een vertaling is een optelsom van dit soort kleine keuzes en compromissen die bepalend zijn voor onze beleving en interpretatie van een tekst. Het maakt dan ook uit welke Odyssee we lezen en wiens Odyssee we lezen. Niet omdat we allemaal de enige ‘juiste’ vertaling moeten lezen, die bestaat niet, maar omdat een vertaling nooit neutraal is, altijd eigen accenten legt en een bepaalde visie weerspiegelt op wat leesbaar, begrijpelijk en ‘dicht bij het Grieks’ is. Deze nieuwe uitgave lijkt zich maar half bewust van dat soort aannames.

 

Een nieuwe vertaling
Op zich is er natuurlijk niets mis met hertalingen of bewerkingen om een oude tekst toegankelijk te maken, als ze zich zo presenteren. En ook een vertaling mag toegankelijk zijn. Dat geldt zeker voor de Odyssee: iedere classicus die zijn Homerus-woordenschat een beetje op orde heeft leest het Grieks van de Odyssee vrij makkelijk weg. Dan is het zonde als de vertaling stroever of ouderwetser is dan het origineel. En er is wel degelijk ruimte voor een frisse, toegankelijke vertaling van de Odyssee, zoals er in het Engels Wilson is. Imme Dros (1991) is heel leesbaar maar juist in de vlotheid van toen wat verouderd (Telemachos noemt bovengenoemde slavinnen bij Dros nog ‘teven’); Patrick Lateur (2016) is briljante vertaalkunst, maar schuwt wringende zinsconstructies en woorden als ‘makkers’, ‘dwazen’ en ‘spijzen’ niet; je kunt je best afvragen of dit een publiek aanspreekt dat de Odyssee nog niet kent. Vergelijk voor de verschillen tussen vertalers eens drie versies van dezelfde scène, de ontmoeting met Nausikaä en haar vriendinnen. Odysseus is net aangespoeld en moet de zee van zich afspoelen. Hij zegt tegen de meisjes:

‘Ik baad niet waar jullie bij staan, ik vind het gênant me
naakt te vertonen aan zulke keurig gekapte meisjes.’
(Dros 1991)

‘Maar baden wil ik niet in jullie bijzijn,
ik schroom me te ontbloten in de kring
van dienaressen met de mooie vlechten.’
(Lateur 2016)

‘Please let me wash in private. I am shy
of being naked with you—pretty girls
with lovely hair.’
(Wilson 2017)

De Odysseus van Imme Dros is uitgesproken humoristisch, die van Lateur bijna heilig, die van Wilson heel direct en zelfs lichtelijk creepy. Wat voor Odysseus zou er aanspoelen als er weer een nieuwe vertaler met een frisse blik probeert grip te krijgen op het Grieks, op de taal, de vorm, op Odysseus, op woorden als polytropon?

Helaas maakt een uitgave gericht op marketing en gemak de kans op zo’n vertaling alleen maar kleiner. In plaats van een oude vertaler te ‘eren’, kunnen we beter het vak vertalen in ere houden. De onsterfelijkheid van de Odyssee is namelijk niet vanzelfsprekend. Om de tekst levend te houden moet werk worden verzet. Dat vergt aandacht voor het Nederlands én voor de brontekst. In een ideale wereld konden we uitkijken naar weer een volwaardige Nederlandse Odyssee, die nieuwe lezers helpt, maar ook serieus neemt. Dat vereist dat uitgevers ruimte geven aan nieuwe vertalers. Als we te gemakkelijk aan de haal gaan met oud werk, dan gaat de muze ons niet snel nog eens over die ongrijpbare man vertellen in een taal die rechtdoet aan haar eerste tolk.

 

Bronnen
Emily Wilson, Crossing the wine-dark sea. Journeys through ancient literature (2026, Profile Books).