'Traduire, écrire'    81-85

Nawoord bij Blanchot

Annelies Schulte Nordholt

Abstract: 'Weten we alles wat we de vertalers, en nog meer de vertaling, verschuldigd zijn? We weten het slecht.' In een vertaling van Matthijs Bakker is opgenomen een essay van schrijver-filosoof Maurice Blanchot over de mogelijkheden en onmogelijkheden van vertaling (zie 'Vertalen', p. 77-80). Annelies Schulte Nordholt schreef een uitleiding.

 

Maurice Blanchot (*1907) heeft in zijn nu ruim vijftig jaar lange schrijversloopbaan vele literaire genres beproefd. In de jaren dertig begon hij als romanschrijver (Thomas l’Obscur), maar vanaf de oorlog legt hij zich vooral toe op literair-kritische essays. Zijn grootste faam heeft hij te danken aan zijn omvangrijke essaywerk (L’Espace littéraire, Le Livre à venir, L‘Amitié). Het zijn essays die in de loop der jaren inhoudelijk steeds beschouwender en qua vorm steeds vrijer worden om tenslotte, in de jaren zeventig en tachtig, uit te monden in een aforistisch, fragmentarisch schrijven (Le Pas au-delà, L’Ecriture du désastre). In deze latere bundels wisselen kritische en fictionele fragmenten elkaar af, zodat de grenzen tussen essay en fictie vervagen. Daaruit blijkt Blanchots overtuiging dat literaire creativiteit niet uitsluitend aan de romanschrijver, maar ook aan de essayist toekomt.

Op het eerste gezicht vormen de gebundelde teksten een disparaat samenstel. Toch vertoont een werk als L’Amitié een opmerkelijke eenheid, net als het essay-oeuvre als geheel. Die eenheid zit hem in de vraag die, in ieder essay, in elke bundel opnieuw, op haast obsessieve wijze aan de orde wordt gesteld: de vraag naar literaire creativiteit, naar het schrijfproces. Blanchots werk is een bezinning op het schrijven zelf en daarmee op het schrijverschap. Hij stelt niet de (aloude, moeilijk te beantwoorden) vraag naar het wezen van de literatuur, maar de vraag naar de ervaring waar de literatuur uit voortkomt en waardoor zij gedragen wordt, de vraag naar ‘de ervaring van het schrijven’ (‘l’expérience de l’écriture’).

Deze notie ervaring staat haaks op de empirische ervaring. Literair schrijven speelt zich niet af binnen de zichtbare, tastbare wereld van alledag, maar in een wereld van woorden, waar andere wetten gelden dan in de empirische wereld. De romanwereld die in het schrijven (en ook in het lezen) wordt betreden, is een imaginaire wereld, die de wereld van alledag op losse schroeven zet. Natuurlijk kan een roman niets aan de wereld veranderen. Maar hij kan misschien de vanzelfsprekendheid van deze wereld ontwrichten, of de exclusieve autoriteit ervan ondergraven. Zonder enige expliciete ‘maatschappijkritiek’ uit te oefenen, heeft het literair schrijven ‒ alleen al door zijn bestaan ‒ een kritische dimensie, aldus Blanchot.

Als we ons de wereld van het handelen voorstellen als een in zichzelf gesloten bol ‒ een figuur die reeds in de Oudheid als de meest volmaakte, want in zichzelf voltooide vorm werd beschouwd ‒ is het schrijven een ordeverstoorder van buiten, die spleten, barsten aan het licht brengt in de gladde, perfecte korst van de bol en zo de continuïteit komt verstoren. Schrijven betekent: steeds opnieuw een leemte, een leegte ontdekken, een niet thuis te brengen discontinuïteit. Die leemte of leegte, dat niets, is waar het Blanchot in laatste instantie om gaat. Hij noemt het ‘le neutre’, het neutrum, omdat het noch tot de ene, noch tot de andere zijde behoort, het is het ‘onzijdige’, de tussenruimte, het strekt zich uit tussen het ene en het andere, het is kortom wat Derrida later de differentie zal noemen.

Blanchots onderzoek naar het schrijven impliceert vanzelfsprekend een reflectie op taal, op literaire taal in het bijzonder. Zijn taalopvatting alleen kan ons doen begrijpen waarom het schrijven een leemte opent en openhoudt. Taal wordt hier opgevat volgens het Hegeliaanse model van de negatiebeweging. Iets benoemen is het in zijn particuliere bestaan ontkennen, om het vervolgens te herstellen, te herbevestigen op het algemene vlak van de betekenis, van het woord. Door dat ontkennen ontstaat er even een leegte (de leeg achtergelaten plek van de benoemde zaak), die echter even snel weer wordt opgevuld door het woord. Deze relatieve ontkenning ziet Blanchot als typerend voor de omgangstaal, die in de eerste plaats uit is op communicatie, op het overbrengen van een boodschap.

Eigen aan de literaire taal, aan het schrijven is daarentegen dat deze leemte niet direct wordt opgevuld door een ‘laatste woord’, want in een gedicht bijvoorbeeld verwijst ieder woord alleen al door zijn klank weer naar een ander woord, waardoor de betekenis steeds wordt uitgesteld. Zo blijkt de ontkenningsbeweging die de taal eigen is in wezen eindeloos: het ontkennen gaat door, ook wanneer er niets meer te ontkennen valt. Er ontstaat een loze, dolgedraaide negativiteit (Bataille noemde het ‘la négativité sans emploi’), die een onherleidbare, want niet op te vullen leegte opent. Het is deze dolgedraaide negativiteit die volgens Blanchot aan het werk is inhet oeuvre van bijvoorbeeld Mallarmé. De gelouterde werkelijkheid (‘l’Absolu’) waarnaar zijn poëzie streeft valt immers samen met ‘le Néant’, het is de stilte en afwezigheid van de werkelijkheid. Maar die afwezigheid kan alleen bereikt worden door iets anders, namelijk de woorden, de taal, even sterk aanwezig te stellen als de dingen zelf.

In tegenstelling tot de omgangstaal, die de leemtes ontkent en zo snel mogelijk opvult, is het schrijven dus een openstaan voor de stiltes binnen de taal, een openstaan voor het neutrum, voor de differentie. Het schrijven moet deze differentie tot klinken brengen, de ervaring ervan overbrengen.           

Met het woord ‘differentie’ zijn we terug bij de hier in vertaling aangeboden tekst van Blanchot: ‘Traduire’.1 In dit korte essay betoogt hij namelijk dat de vertaler ‘le maître de la différence des langues’ is (‘de meester van het verschil tussen de talen’). ‘Différence’, ‘altérité’, ‘étranger’ ‒ en hier geeft Blanchot ons weer gevoel voor het vreemde van ‘vreemde talen’ (‘langues étrangères’) ‒ zijn de sleutelwoorden van deze tekst. Gaat het eigenlijk wel over vertalen (‘traduire’), of eerder over dat lievelingswoord van Blanchot, dat erop rijmt: ‘écrire’?

Op het eerste gezicht is Blanchots benadering zeer klassiek. Zijn essay is een commentaar op het beroemde, maar moeilijk toegankelijke stuk van Walter Benjamin: ‘De taak van de vertaler’ (1923).2 Net als Benjamin wijst Blanchot erop dat schrijvers en vertalers er sinds mensenheugenis naar streven de veelheid van talen op te heffen en terug te keren naar de mythische oertaal van voor Babel. Het terugverlangen naar één enkele, oorspronkelijke taal heeft ons nooit verlaten en daarom beschouwen we vertalers, die bemiddelen tussen de talen, als figuren die de oorspronkelijke eenheid weer enigszins proberen te herstellen. De vertaler ‘werkt eraan de talen te doen groeien in de richting van die uiteindelijke taal’. Vandaar dat er steeds weer schrijvers en filosofen opstonden die een zogenaamde universele taal ontwierpen, van Dante tot Comenius en van Leibniz tot Zamenhof, die het Esperanto ontwierp.3

Maar Benjamin zou Benjamin niet zijn, en Blanchot zou zijn reputatie geen eer aandoen, als zij niets zouden toevoegen aan deze aloude opvatting van vertalen. Zeker, de vertaler streeft ernaar het verschil tussen talen op te heffen. Maar leeft hij tegelijkertijd niet van dat verschil? Hij leeft ervan in de banale zin dat hij er zijn brood aan verdient. Een terugkeer naar de paradijselijke voor-Babelse tijden zou alle vertalers brodeloos maken. Tevens streeft hij ernaar om, in het vertalen, vast te houden aan het verschil tussen talen, in plaats van te proberen dit verschil uit te vlakken. Dit betekent in concreto dat de vreemdheid van de vreemde taal in de vertaling niet afgezwakt moet worden, dat de vertaler het vreemde niet moet herleiden tot het bekende, maar dat hij die vreemdheid juist zoveel mogelijk moet doen uitkomen in de vertaling. De eigen taal moet de vertaler ‘door de vreemde taal heftig in beweging laten brengen’ (Pannwitz geciteerd door Benjamin en Blanchot), totdat de eigen taal bijna uit zijn voegen barst. Als voorbeeld daarvan noemt Blanchot de Sophocles-vertalingen van Hölderlin. In onze eigen tijd kan men denken aan de Tenach-vertaling van André Chouraqui, die kiest voor een extreme hebraïsering van de Franse zinsbouw, waardoor de tekst een ongekende directheid krijgt.4

Van waar nu Blanchots interesse in de paradoxale vertaaltheorie van Walter Benjamin? In zijn omvangrijke essaywerk is dit de enige plaats waar over vertalen gesproken wordt. Niet voor niets rijmt het ‘traduire’ uit de titel met het woordje ‘écrire’, waar het in al Blanchots essays om gaat. En hier stuiten we ook precies op het punt waar Blanchot Benjamin achter zich laat, of liever gezegd een eigen wending geeft aan diens beschouwingen. Niet om het vertalen zelf is het hem namelijk te doen, maar om wat vertalen ons leert over schrijven. Want vertalers, zo betoogt Blanchot herhaaldelijk, zijn schrijvers pur sang. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, is de vertaler niet minder creatief en oorspronkelijk dan een romancier of een dichter, hij is ‘een schrijver van een ongewone originaliteit’. Vertalers zijn ‘schrijvers van de zeldzaamste soort’ en ‘waarlijk onvergelijkbaar’.

Waarom wordt de vertaler zo verheerlijkt? Omdat deze, zoals gezegd, het verschil tussen de talen in stand houdt. En daarmee onderstreept hij de differentie, de andersheid, kortom de vreemdheid van het vertaalde werk. Vertalen is ‘een aanwezigheid wekken van wat er, van oorsprong, aan verschil in het oorspronkelijk zit’. In Blanchots ogen verwijst het verschil tussen talen onderling dan ook naar die differentie, die leemte of leegte die inherent is aan de taal zelf, aan de literaire taal. De vreemdheid van een in een vreemde taal geschreven werk ‒ een vreemdheid die in een goede vertaling voelbaar blijft ‒ geeft de lezer besef van de andersheid die in het vertaalde werk zelf, in de literaire taal besloten ligt. Daarom is de vertaler de grote bondgenoot van de schrijver en is het vertalen ‘een oorspronkelijke vorm van ons literaire bedrijf’.

Vertalen-schrijven is de differentie overbruggen en tegelijkertijd openhouden. Een even onmogelijke taak, zegt Blanchot, als die van Herkules die de twee oevers van de zee bijeen probeerde te brengen. Vandaar de conclusie van het essay: ‘vertalen is uiteindelijk waanzin’. In die waanzin is ‘traduire’ dan ook weer verwant met ‘écrire’, want elders herneemt Blanchot graag de woorden van Mallarmé: ‘ce jeu insensé d’écrire’. Schrijven-vertalen als een waanzinnig, riskant spel, en ook als een spel dat de betekeniskaders van de omgangstaal (‘le sens’) ontwricht. Zo is vertalen in laatste instantie bij Blanchot niet meer dan een ‒ zeer sprekende ‒ metafoor van de ‘écriture’, van schrijven.5

 

Noten
1 ‘Traduire’ in L’Amitié, Gallimard Nrf 1971, p. 69-73. Voor het eerst gepubliceerd in artikelvorm, onder de titel ‘Reprises’, in: La Nouvelle Revue française no. 93, 1960, p. 475-479.
2 ‘Die Aufgabe des Übersetzers’, in: Charles Baudelaire, Tableaux parisiens, Deutsche Übertragung mit einem Vorwort über die Aufgabe des Übersetzers von Walter Benjamin. Heidelberg, 1923; geannoteerde Nederlandse vertaling in Yang nr. 2-3, aprilseptember 1990.
3 Voor Benjamin zelf is deze ‘reine Sprache’ overigens niet een natuurlijke of artificiële taal, maar meer een metafysische vooronderstelling die aan alle talen ten grondslag ligt. Over de diverse ontwerpen van een universele taal, zie het onlangs verschenen boek van Umberto Eco: La Ricerca della lingua petfetta (Laterza 1993).
4 Men denke bijvoorbeeld aan Chouraqui’s vertaling van Bereshith 1.3: ‘Elohim dit: “La lumière sera”. Et la lumière est’ (La Bible traduite et présentée par André Chouraqui, Desclée de Brouwer 1974).
5 Voor een recent, glashelder inleidend essay over het denken van Blanchot, zie Patricia de Martelaere: ‘Om niets te zeggen, of De nieuwe kleren van de keizer’, in: id., Een verlangen naar ontroostbaarheid (Amsterdam/Leuven: Meulenhoff/Kritak 1993).

Lees meer over: