Waaier: Alice in Vertalië     28-58

Of hoe een meisje krimpt en groeit

Cees Koster

Abstract: In deze Waaier gaat het, zoals eigenlijk in elke Waaier, over gedaanteverwisseling. De voortdurende vormverandering doet zich ditmaal voor aan de gedaante van Alice in Wonderland en Alice uit Wonderland. Al vergelijkend onderwerpt Babette Cillekens de gedaanteverwisselingen die het personage Alice ondergaat aan een nader onderzoek en beschrijft zij de vertaalinterpretaties die daaraan verbonden kunnen worden; Anthony Paul zet zijn bewondering voor Nicolaas Matsiers vertaling van Carolls werk om in een pleidooi voor de gedaanteverwisseling van literair vertaler tot literair auteur en Matthijs Bakker transformeert zijn ergernis over de luiheid in Matsiers metaboekje Alice in Verbazië tot een onrechtvaardig vonnis, en vindt ondertussen het syndroom van de Cheshire Cat uit. Hier omheen en tussendoor diverse illustraties en acht Alice-variaties, waaronder een Zuid-Afrikaanse van André Brink, een Alice als 'Frysk famke' en een wel zeer magerzuchtige Disney-versie.

 

ALICE UIT WONDERLAND: HET KIND IN DE TIJD
Babette Cillekens

Aanpassen of jezelf blijven is een vraag waarmee niet alleen Opzij-lezeressen van dubbeldikke zomernummers worstelen, maar ook romanpersonages, vooral in vertaling. Bijna tien jaar geleden was Alice uit Wonderland in een Opzij-column van Renate Dorrestein de ideale heldin voor de hedendaagse feministe: ‘Met het vertrouwen van de droomster gelooft ze in wat op het eerste gezicht onmogelijk lijkt. Ze is ondernemend en nieuwsgierig, ze laat zich niet kisten, ze treedt soepschildpadden en koninginnen met dezelfde mengeling van hoofsheid en onverstoorbaarheid tegemoet, ze is kortom zowel moedig als zachtmoedig, ze is net zo yin als ze yang is, en ze houdt ook erg veel van poezen. Geen wonder dat dit bijzondere kind het tegen het einde van Through the looking-glass tot de hoogste graad van vrouwelijk management weet te schoppen: zij wordt koningin’ (Dorrestein 1988: 19). Volgens Dorrestein heeft Alice het pakket menselijke eigenschappen dat feministen hun medemensen toewensen, geheel binnen haar bereik. Over die eigenschappen straks meer.

Lewis Carrolls geesteskind is van alle markten thuis, want niet alleen feministen lopen met Alice weg. Ook historici, hippies en psychoanalytici zien haar wel zitten. De avonturen van Alice zijn op velerlei wijze geduid. Sommige interpretatoren leggen de nadruk op de typisch Engelse setting en zien in het verhaal de geheime geschiedenis van de religieuze conflicten in het Victoriaanse Engeland, waarbij de pot sinaasappelmarmelade geldt als symbool voor de protestantse William of Orange, of lezen in de avonturen de biografie van de jeugd van Koningin Victoria, in opdracht van haar door Carroll geschreven met het Witte Konijn als Victoria’s vader. Anderen zien in de avonturen van Alice een psychedelische ervaring (hiervan getuigt nog het nummer ‘White Rabbit’ van Jefferson Airplane), met de visuele hoogstandjes van de Cheshire Cat die verschijnt en verdwijnt, met de waterpijp van de rups en natuurlijk de magic mushroom waaraan Alice knabbelt. Surrealisten beschouwen de wederwaardigheden van Alice als het ultieme voorbeeld van de combinatie van werkelijkheid en droom. En de zielknijpers? Ook zij vinden Alice voor velerlei uitleg vatbaar: Alice als anima van Carroll, helemaal in de lijn van Jungs archetypen en Alice als nieuwe versie van de Oedipusmythe. Een klassieke Freudiaanse interpretatie mag in dit rijtje ten slotte niet ontbreken, fallische symbolen genoeg, zoals bij het groeien en krimpen van Alice.

Carroll zelf zou om zoveel (on)begrip zijn schouders hebben opgehaald: ‘I’m afraid I didn’t mean anything hut nonsense,’1 liet hij ooit weten, hoewel hij daaraan later, met ware Aliciaanse logica, heeft toegevoegd dat ‘words mean more than we mean to express them; soa whole book ought to mean a good deal more than the writer meant’2.

Spookvertalingen
Het nonsensverhaal dat Lewis Carroll schreef voor Alice Liddell verscheen in 1865 en is inmiddels ‘waarschijnlijk het meest vertaalde, meest geïllustreerde, het meest geparodieerde en het meest geciteerde boek dat er bestaat ‒ als we de Bijbel, de Koran en Das Kapital niet meerekenen’ (Schuckink Kool 1990: z.p). Of het nu gaat om Esperanto, Fries, Latijn, Pitjantjatjara (de taal van de Aboriginals) of steno, in bijna elke ‘taal’ is wel een Alice-vertaling te vinden.

Ook in Nederland mag het boek zich, in literaire kringen en daarbuiten, in een grote belangstelling verheugen. Nieuwe vertalingen, biografieën en herdenkingen van het geboorte- of sterfjaar van Lewis Carroll of het zoveel jarig bestaan van het boek vormen keer op keer aanleiding tot paginagrote artikelen in kwaliteitskranten en weekbladen als NRC Handelsblad en Vrij Nederland.

Wanneer je uitgaat van de criteria dat een vertaling een goeddeels integrale weergave van het origineel moet zijn, de vertaling niet alleen in het Nederlands geschreven maar ook in Nederland uitgegeven is en de vertaler als zodanig bekend of op zijn minst vermeld moet zijn, kom je alleen al in Nederland op een totaal van negen vertalingen, waarvan de eerste verscheen in 1890 en de laatste in 1989. Daarnaast is het verhaal zeker honderd keer bewerkt en werd het opgenomen in verhalenbundels en reeksen. Alice in Wonderland verscheen in tijdschriften of kranten als Margriet, Donald Duck, Okki en De Telegraaf, meestal in stripvorm. Alice viel ook op het witte doek en op de planken te bewonderen, bijvoorbeeld in de beroemde Walt Disney-tekenfilm uit 1953 en in het stuk ALICE, ALICE van het Zuidelijk Toneel in 1990.

Ook in economische zin is Alice van, of liever op, alle markten thuis. Er bestaan bijvoorbeeld bewerkingen van het boek op LP en cassette en Alice is ook verkrijgbaar in de vorm van kleurboeken, kookboeken en uitklapboeken. Verder zijn er puzzels, poppetjes en toiletartikelen met de beeltenis van Alice te koop en bood de Hema aan het begin van dit schooljaar een complete Alice-lijn, met agenda’s, schriften en andere Alice-schrijfwaren. Dat Alice met haar tijd meegaat mag blijken uit het feit dat zij zich inmiddels ook op CD-ROM en CD-I vertoont en tevens is gesignaleerd in een computerspelletje waarin zij zoveel mogelijk Wonderland-belagers van zich afslaat.

Aan alle receptievormen kan in het geval van Alice ook nog het fenomeen van de ‘spookvertaling’ worden toegevoegd. In de catalogus Alice 100+ in Nederland (in 1982 uitgegeven ter gelegenheid van de honderd vijftigste geboortedag van Carroll) wordt een vertaling vermeld (verzorgd door Sjoerd Schnwitters en geïllustreerd door Hans Brouwer), die in 1943 bij N.V. Mag. de Bijenkorf in Amsterdam zou zijn verschenen. De gegevens zijn bekend, maar niemand, zelfs niet de meest verwoede Alice-verzamelaar, die het boek ooit werkelijk onder ogen heeft gehad. Ook is er lang sprake geweest van een Alice-vertaling die Gerrit Komrij zou verzorgen voor de Arbeiderspers, waarbij Joost Roelofsz de illustraties voor zijn rekening zou nemen. Het is er nooit van gekomen, hoewel Komrij en Roelofsz wel een begin zouden hebben gemaakt en er aankondigingen in uitgeversbladen zijn verschenen.

Meisjesbeeld
Als er iets is wat al deze bestendige belangstelling aantoont, dan is het wel hoezeer Alice al die tijd tot de verbeelding is blijven spreken. De oorzaak daarvan kan mede gezocht worden in het soort meisje dat Alice is. Alice, zo lazen we al bij Renate Dorrestein, is een bijzonder kind, en dat is ze. Een van de meest interessante kanten van het boek is dan ook het meisjesbeeld dat eruit naar voren komt. Bij de eerste publicatie, midden in het preutse en conformistische Victoriaanse tijdperk, was het boek een vreemde eend in de bijt. Het was een van de eerste humoristische kinderboeken en diende eerder tot vermaak dan tot lering. Het ging in tegen alle verwachtingen die er destijds bestonden van kinderboeken, en van het meisjesbeeld daarin. Het stereotiepe meisje uit die tijd was ‘een engelachtig meisje dat een vroege dood te wachten stond’, een ‘onmogelijk deugdzaam kindvrouwtje’ of een ‘ondeugend kind dat zich uiteindelijk onder zware druk van volwassenen aanpast’ (Leach 1971: 123). De ondernemende Alice was dus geenszins een stereotiep meisje.

De verwachtingen die er ten aanzien van de inhoud van een boek bestaan, zijn natuurlijk niet in alle tijden en culturen hetzelfde. Zo heeft Alice zelf ook bijgedragen aan de verandering in het verwachtingspatroon ten aanzien van meisjes- en jeugdboeken. In vertaalhistorisch opzicht is het dan een interessante vraag of het meisjesbeeld dat uit het boek spreekt, veranderingen heeft ondergaan in de verschillende vertalingen die er in de loop van de tijd van zijn verschenen. In dit artikel wil ik die vraag proberen te beantwoorden aan de hand van drie vertalingen, die door hun tijdstippen van verschijning en door hun grote bekendheid en invloed een representatief beeld van de Nederlandse vertaalreceptie van Alice vormen. De vroegste van de drie is Alice’s Avonturen in Wonderland, naar het Engelsch van Lewis Carroll, vertaald door R. ten Raa en verschenen in 1899. De tweede vertaling die in dit artikel belicht wordt, is De Avonturen van Alice in het Wonderland en het Spiegelland, vertaald door het duo C. Reedijk en Alfred Kossmann en verschenen in 1947. Jarenlang is deze uitgave de standaardvertaling in het Nederlands geweest, eigenlijk totdat in 1989 de derde vertaling verscheen die hier onderzocht wordt: De Avonturen van Alice in Wonderland, van de hand van Nicolaas Matsier. In de eerste twee uitgaven werd gebruik gemaakt van de illustraties van John Tenniel, die ook het oorspronkelijk sierden; Matsiers vertaling is van illustraties voorzien door Anthony Browne3.

Uiterlijk en lengte
Dat veranderingen die optreden in een vertaling gevolgen kunnen hebben voor het beeld dat de lezer van een personage kan krijgen, ligt redelijk voor de hand. In het geval van Alice uit Wonderland laat zich dat goed illustreren aan de hand van haar uiterlijk en lengte.

Uit een analyse van de brontekst blijkt dat er, op een aantal terloopse opmerkingen na, niet veel fragmenten zijn waarin het uiterlijk van Alice wordt beschreven. Alleen in het slothoofdstuk, in de namijmeringen van Alice’s oudere zuster, krijgt de lezer een realistisch, alledaags, zij het wat romantisch beeld van het uiterlijk van Alice, maar dat is dus pas aan het einde van het boek. Kennelijk wordt het uiterlijk van Alice door de auteur als bekend verondersteld, hetgeen natuurlijk niet in de laatste plaats komt door de illustraties, die in belangrijke mate het beeld bepalen dat de lezer van Alice krijgt. Interessant is het hierbij te weten dat Carroll nauw betrokken is geweest bij de totstandkoming van de illustraties. Hij had duidelijke ideeën over de manier waarop Alice en de andere personages eruit moesten zien en de tekeningen van John Tenniel zijn in nauw overleg met hem gemaakt. In de tekst hoefde daaraan nog maar weinig te worden toegevoegd. Het belang van de illustraties ging kennelijk zo ver, dat Carroll besloot een hoofdstuk uit Through the Looking-Glass and What Alice Found There (‘The Wasp in the Wig’) te schrappen, omdat Tenniel niet zag hoe hij er een tekening bij moest maken.

De lengte van Alice wordt in het verhaal wel uitgebreid belicht. Gedurende het hele verhaal wordt Alice al dan niet gewild groter en kleiner en dit groeien en krimpen loopt als een rode draad door het boek. Speciaal dit groei- en krimpproces is voer voor psychologen. Men heeft er bijvoorbeeld de ontwikkeling in gelezen die een meisje in de puberteit doormaakt op weg naar de volwassenheid en hierboven hebben we al gezien wat freudianen ervan maken.

In twee van de drie vertalingen vinden belangrijke verschuivingen plaats in de beschrijving van het uiterlijk. Bij Ten Raa en bij Reedijk & Kossmann ontbreekt een aantal alinea’s aan het slot, waardoor de lezer het alledaagse beeld wordt onthouden dat van Alice’s uiterlijk wordt geschetst in de mijmeringen van haar zuster. Deze mijmeringen aan het eind van het verhaal hebben een rustgevend effect: na alle veranderingen die Alice’s uiterlijk en lengte hebben ondergaan, kunnen de kinderen rustig gaan slapen. Doordat het slotwoord is weggelaten, krijgt de lezer een eenzijdig ‘sprookjes’ -beeld van Alice voorgeschoteld.

In het oorspronkelijke verhaal krijgt Alice het groeien en krimpen op een gegeven moment onder controle. In hoofdstuk 5, ‘Advice from a Caterpillar’, wordt zij door de Rups gewezen op de heilzame werking van een paddenstoel: wanneer zij van de ene kant een hapje neemt zal zij groeien, wanneer zij van de andere kant een hap neemt zal zij kleiner worden. Pas door deze kennis is Alice in staat zich vrijelijk door Wonderland te bewegen en kan ze haar nieuwsgierigheid ten volle bevredigen. Bij Ten Raa en bij Reedijk & Kossmann is de eigen inbreng van Alice in het groei- en krimpproces niet overgebracht, doordat zij op een aantal plaatsen van een actieve zin een passieve zin hebben gemaakt, zoals bijvoorbeeld in:

And growing sometimes taller, and sometimes shorter, until she had succeeded in bringing herself down to her usual heigth (p. 77).

daardoor nu eens wat langer, dan weer wat korter wordende, tot ze eindelijk haar gewone lengte had herkregen (Ten Raa, p. 63).

werd soms groter en soms kleiner, tot ze haar gewone lengte weer bereikt had (Reedijk & Kossmann, p. 58).

en:

So she began nibbling at the right-hand bit again, and did not venture to go near the house till she had brought herself down to nine inches high (p. 78).

Daarom knabbelde ze wat aan het stukje in haar rechterhand en waagde het niet bij het huisje te komen voor ze ineengekrompen was tot een lengte van negen duim (Ten Raa, p. 64).

Dus begon ze weer aan het rechter stukje te knabbelen en ze dorst niet naar het huisje te gaan voor zij twintig centimeter groot was (Reedijk & Kossmann, p. 59).

In de vertaling van Matsier zijn de slotalinea’s wel gehandhaafd, en ook wat betreft de actieve zinnen is zijn vertaling adequaat:

zodat ze nu eens groter, dan weer kleiner werd, tot ze erin geslaagd was zichzelf weer op haar gewone lengte te krijgen (p. 58).

Dus begon ze weer te knabbelen van het stuk in haar rechter hand en waagde zich niet meer in de buurt van het huis voor ze zichzelf terug had gebracht tot dertig centimeter (p. 58).

Eigenschappen
Carroll zelf omschreef zijn hoofdpersoon eens als: ‘loving and gentle... courteous to all, high or low, grand or grotesque, king or caterpillar, even though as she were a king’s daughter, and her clothing of wrought gold: trustful, ready to accept the wildest impossibilities with all that utter trust that only dreamers know; and lastly, curious-wildly curious, with the eager enjoyment of life that comes only in the happy hours of childhood’ (Lancelyn Green 1969: 58).

Of Carroll zelf het beste in staat is om een neutraal beeld van zijn personage te schetsen, is nog maar de vraag, maar een analyse van de brontekst aan de hand van een uitgebreide checklist van psychologische eigenschappen bevestigt wel voor een deel zijn uitspraak. Uit de woorden en daden van Alice valt af te leiden dat haar belangrijkste eigenschappen zijn dat zij vindingrijk en slim is, goede manieren heeft, direct en spontaan reageert en bovenal een grote nieuwsgierigheid aan de dag legt.

In alle drie de vertalingen zijn wat betreft deze eigenschappen veranderingen opgetreden, die soms op een bepaald patroon wijzen. In de vertaling van Ten Raa bijvoorbeeld wordt de slimheid van Alice nogal afgezwakt. Zijn Alice is duidelijk minder slim, zoals uit de vergelijking van de volgende fragmenten mag blijken:

‘What a funny watch!’ she remarked. ‘lt tells the day of the month, and doesn’t teil what o’clock it is!’
‘Why should it?’ muttered the Hatter. ‘Does your watch teil you what year it is?’
‘Of course not,’ Alice replied very readily: ‘but that’s because it stays the same year for such a long time together’ (p. 96).

‘Wat een leuk horloge!’ merkte ze op. ‘Het geeft den datum aan, maar zegt niet hoe laat het is!’
‘Waarom zou het dat?’ mompelde de Hoedenmaker. ‘Zegt jou horloge soms in welk jaar we zijn?’
‘Natuurlijk niet,’ antwoordde Alice zonder dralen, ‘maar daarom blijft het ook zoo lang achtereen hetzelfde jaar’ (Ten Raa, p. 85).

Waar het antwoord in het origineel van haar slimheid getuigt, is haar antwoord in de vertaling van Ten Raa juist onlogisch.

De woordgrappen in de tekst van Carroll vormen een verhaal apart. De oplossingen waarmee de verschillende vertalers komen, kunnen ook hun invloed hebben op de weergave van de eigenschappen. Uit de navolgende fragmenten blijkt dat door een toevoeging bij Ten Raa de slimheid van Alice opnieuw een ander accent krijgt:

‘Reeling and Writhing, of course, to begin with,’ the Mock Turtle replied: ‘and then the different branches of Arithmetic ‒ Ambition, Distraction, Uglification, and Derision.’
‘I never heard of “Uglification”,’ Alice ventured to say. ‘What is it?’
The Gryphon lifted both its paws in surprise. ‘Never heard of uglifying!’ it exclaimed. ‘You know what to beautify is, I suppose?’
‘Yes,’ said Alice doubtfully: ‘it means ‒ to ‒ make ‒ anything ‒ prettier.’
‘Well, then,’ the Gryphon went on, ‘if you don’t know what to uglify is you are a sirnpleton’ (p. 129).

‘Allereerst natuurlijk Vreezen en Schreien’, antwoordde de Soepschildpad, ‘en dan de verschillende onderdelen der Rekenkunde: Opzwellen, Uitrekken, Formeel Huldigen en Heelen’.
‘’k Heb nog nooit gehoord van “Formeel Huldigen:”, waagde Alice te zeggen. ‘Wat is dat?’
De Griffioen stak van verbazing beide klauwen in de hoogte. ‘Wat! Nooit gehoord van “Formeel Huldigen!”, riep hij uit. ‘Je hebt toch wel eens vernomen van Het Tooverland, half onder, half boven de zee, in welks hoofdstad, die geheel uit wonderlijke paalwoningen bestaat, men de jonge, schoone Koningin met inachtneming van alle vormen (dat is Formeel) hulde bracht (dat is Huldigen), waar men toen bij de menschen (zoo heeten de bewoners van het Tooverland) de borst zag opzwellen van vreugde, de halzen zich uitrekken om Haar te zien, toen Ze uittoog als Koningin, gereed om de wonden Harer onderdanen te helpen heelen. Als je dat nog nooit hebt gehoord, dan moet je toch wel een onnoozele bloed zijn’ (Ten Raa, p. 120).

In de vertaling wordt er een heel verhaal bijgehaald waardoor het feit dat Alice door de Mock Turtle voor ‘onnoozele bloed’ wordt uitgemaakt weinig gerechtvaardigd lijkt: waar ze in het origineel nog de kans krijgt antwoord te geven op de vraag van de Griffioen, is dit in de vertaling niet het geval. Daarin wordt het woordgrapje omstandig uitgelegd zonder dat Alice de kans krijgt te reageren.

De vertaling van Matsier van dezelfde pun heeft als consequentie dat het vervolg bij hem minder logisch wordt. Hier geeft Alice niet voorzichtig antwoord zoals in het origineel, maar verdedigt zij zich door in te gaan tegen wat de Mock Turtle zegt. De reactie van de Griffioen sluit daar niet goed bij aan; zijn ‘nog niet’ verwijst niet zoals de repliek in het origineel naar de poging van Alice antwoord te geven op zijn vraag: 

‘Om te beginnen natuurlijk luizijn en schreeuwen,’ gaf de Imitatieschildpad ten antwoord, ‘en verder de verschillende onderdelen van het rekenen ‒ optillen, afbekken, gemenevuldigen, en stelen.’
‘Ik heb nog nooit gehoord van “gemenevuldigen”,’ waagde Alice te zeggen. ‘Wat is dat?’
De Griffioen hief zijn beide poten vol verbazing op. ‘Wat! Nog nooit van gemenevuldigen gehoord!’ riep hij uit. ‘Je weet toch zeker wat gemeen is?’
‘Jawel,’ zei Alice aarzelend, ‘maar daarom weet ik toch zeker nog niet wat gemenevuldigen is.’
‘Hoor eens,’ ging de Griffioen voort, ‘als je nou nog niet weet wat gemenevuldigen is, moet je wel een domkop zijn’ (Matsier, p. 99).

Beleefdheid
Met betrekking tot de eigenschap ‘beleefdheid’ is het interessant te kijken hoe de aanspreekvormen zijn vertaald. Vele malen gebruikt Alice in het origineel de tweede persoon enkelvoud, ‘you’; in het Nederlands moet daarbij steeds gekozen worden tussen een vertaling met ‘u’ en met ‘jij’, waardoor er een markering ontstaat van de sociale relatie tussen de spreker en de aangesprokene. In de vertaling van Ten Raa spreekt Alice de Hertogin en Koning aan met ‘u’, de Koningin met ‘Majesteit’ en de overige personages die ze ontmoet, de Kokkin, Big, de Cheshire Cat, de Maartse Haas, de Hoedenmaker, de Zevenslaper en de tuinlieden met ‘jij’ of ‘jullie’. De Griffioen en de Soepschildpad spreekt ze in eerste instantie aan met ‘u’, later met ‘je’. Alice zelf wordt alleen door de tuinlieden met ‘u’ aangesproken, de overige personages tutoyeren haar. In de opvatting van Ten Raa acht Alice zichzelf dus gelijkwaardig met alle personages behalve de edellieden. In de vertaling van Reedijk & Kossmann tutoyeert Alice alleen Big, en zo nu en dan de Maartse Haas en de Hoedenmaker; zij zelf wordt ook in deze vertaling alleen door de tuinlieden met ‘u’ aangesproken. De vertaling van Matsier volgt hetzelfde patroon, maar dan iets sterker: bij Matsier tutoyeert Alice alleen Big, en spreekt ze verder iedereen consequent aan met ‘u’; zij zelf wordt alleen door de tuinlieden met deze beleefdheidsvorm aangesproken.

Hiermee is niet gezegd dat Alice in Matsiers vertaling consequent beleefd is. Vooral door de vertaling van bepaalde vragen, waarin Alice in het Engels extreem beleefd is door een combinatie van meerdere beleefdheidsvormen, treedt bij Matsier een behoorlijke afzwakking op. In het Nederlands zijn deze vragen een stuk dwingender dan in het origineel, zoals bijvoorbeeld in:

‘Please would you teil me,’ said Alice, a little timidly (p. 83) ‘Kunt u mij ook zeggen,’ zei Alice een beetje verlegen (p. 62)

‘Would you teil me, please, which way I ought to go from here?’ (p. 88) ‘Kunt u me misschien vertellen welke kant ik op moet?’ (p. 67)

‘Would you teil me, please,’ said Alice, a little timidly, ‘why you are painting those rosés?’ (p. 106)

‘Kunt u me zeggen,’ zei Alice een beetje verlegen, ‘waarom u die rozen schildert?’ (p. 81)

Het totale effect van dit type veranderingen in toon is eerder dat Alice bij Matsier minder beleefd is dan in het origineel, maar dat geldt evenzeer voor de andere twee vertalingen.

Wanneer je de analyses van de vier belangrijkste eigenschappen van Alice (slimheid, beleefdheid, spontaniteit en nieuwsgierigheid ‒ hier zijn alleen de eerste twee aan de orde gekomen) naast elkaar legt, dan blijkt dat het beeld dat de Nederlandse lezer van het meisje Alice krijgt, in alle drie de vertalingen verschilt. Bij Ten Raa blijkt Alice minder slim, nieuwsgierig en beleefd, bij Reedijk & Kossmann minder beleefd maar wel directer en spontaner en bij Matsier minder slim en beleefd, maar wel mondiger en nieuwsgieriger dan de Engelse Alice. Deze conclusies lijken te stroken met het in de loop van deze eeuw veranderde meisjesbeeld: Alice is en blijft een kind van haar tijd.

(Met dank aan Ellis en aan Casper Schuckink Kool)

Noten
1 Citaat overgenomen uit Weaver 1964, p. 16
2 Citaat overgenomen uit Sale 1981, z.p.
3 In 1994 verscheen een nieuwe uitgave van deze vertaling bij Van Goor, vermeerderd met Matsiers vertaling van Through the Looking-Glass: De Avonturen van Alice in Wonderland & Achter de spiegel.Voor deze uitgave is gebruik gemaakt van de illustraties van Tenniel. De verwijzingen in dit artikel zijn naar de uitgave van 1989.

 

Een dolle theevisite
Er stond een tafel onder een boom tegenover het huis en daaraan zaten de Maartse Haas en de Hoedenmaker thee te drinken; een Zevenslaper zat vast in slaap tussen hen in en de twee anderen gebruikten hem als kussen, leunden met hun ellebogen op hem en praatten over zijn hoofd heen. ‘Erg ongemakkelijk voor de zevenslaper,’ dacht Alice, ‘alleen, nu hij slaapt, komt het er niet veel op aan ook.’

De tafel was heel groot, maar de drie thee-drinkers zaten op elkaar gedrongen aan een hoekje. ‘Geen plaats, geen plaats!’ riepen zij, toen zij Alice aan zagen komen. ‘Er is plaats genoeg!’ zei Alice verontwaardigd en zij ging in een grote leunstoel zitten aan het ene eind van de tafel.

‘Neem wat wijn,’ zei de Maartse Haas aanmoedigend.

Alice keek de hele tafel rond, maar zag er enkel thee op staan ‒ ‘Ik zie helemaal geen wijn,’ merkte ze op.

‘Die is er ook niet,’ zei de Maartse Haas.

‘Dan was het niet erg beleefd van je om die aan te bieden,’ zei Alice boos.

‘Het was niet erg beleefd van jou om zo maar te gaan zitten,’ zei de Maartse Haas.

‘Ik wist niet dat het uw tafel was,’ zei Alice, ‘hij is voor veel meer dan drie mensen gedekt.’

‘Je haar moet geknipt worden,’ zei de Hoedenmaker. Hij had Alice een hele tijd nieuwsgierig op zitten nemen en dit was het eerste wat hij zei.

‘U moet niet zo persoonlijk worden,’ zei Alice streng, ‘dat is erg grof.’

De Hoedenmaker deed zijn ogen wijd open toen hij dit hoorde; toen zei hij enkel: ‘Waarom lijkt een raaf op een schrijftafel?’

‘Kom, nu zal het leuk worden,’ dacht Alice, ‘ik ben blij dat ze raadsels op gaan geven. Ik geloof wel dat ik dat kan raden,’ voegde ze er hardop aan toe.

‘Bedoel je, dat je denkt dat je het antwoord erop kan vinden?’ zei de Maartse Haas.

‘Ja,’ zei Alice.

‘Dan moet je zeggen wat je bedoelt,’ antwoordde de Maartse Haas.

‘Dat doe ik,’ antwoordde Alice haastig, ‘tenminste ik bedoel wat ik zeg ‒ dat is hetzelfde, ziet u.’

‘Dat is helemaal niet hetzelfde,’ zei de Hoedenmaker, ‘je kunt even goed zeggen dat “ik zie wat ik eet” hetzelfde is als “ik eet wat ik zie”!’

‘Dan kun je even goed zeggen,’ voegde de Maartse Haas er aan toe, ‘dat “ik houd van wat ik krijg” hetzelfde is als “ik krijg waarvan ik houd”!’

‘Dan kun je evengoed zeggen,’ zei de Zevenslaper, die blijkbaar in zijn slaap praatte, ‘dat “ik adem als ik slaap” hetzelfde is als “ik slaap als ik adem”!’

‘Dat is hetzelfde bij jou,’ zei de Hoedenmaker en hier brak het gesprek af en zweeg het gezelschap een paar minuten, terwijl Alice over alles nadacht, wat haar over raven en schrijftafels te binnen wou schieten en dat was niet veel. (...)

(Reedijk & Kossmann, 1947, p. 53-54)

 

(...) Ze rent het pad af. Aan het eind staat een tafel onder de bomen. Hij staat klaar voor een grote feestmaaltijd. Maar behalve de Maartse Haas, de Hoedenmaker en een zevenslaper die in een theepot slaapt, is er niemand. Alice drinkt graag een kopje thee mee.

Dan wordt de zevenslaper wakker. Het dier zegt dat het een prachtig verhaal weet. Het begint te vertellen, maar de Maartse Haas en de Hoedenmaker gooien er zulke flauwe opmerkingen tussendoor, dat Alice het verhaal niet kan volgen. Boos gaat ze weg. (...)

(Disney, 1973, z.p.)

 

De gekke thébisite
Under in beam foar it hûs stie in tafel klear en de Maertske Hazze en de Huoddemakker sieten derby to thédrinken. In Sliepermûs siet tusken harren yn, fêst yn de sliep, en de oare twa brûkten him as kessen. Hja steunden mei de earmtakken op de Sliepermûs en praetten oer syn kop hinne meielkoar.

‘Net noflik foar de Sliepermûs’, tocht Alice. ‘Mar hy sliept en dus sil er der wol neat om jaen.’

It wie in greate tafel, mar de trije thédrinkers sieten op in protsje oan ien hoeke. ‘Gjin plak! Gjin plak!’ rôpen se, doe’t se Alice oankommen seagen. ‘Der is plak by it soad!’sei Alice lilk en hja joech har by de tafel del yn greate earmstoel.

‘Nim hwat wyn!’ sei de Maertske Hazze gastfrij.

Alice seach de hiele tafel oer, mar der wie neat oars as thé. ‘Ik sjoch gjin wyn’, sei se.

‘Der is ek gjin wyn’, sei de Maertske Hazze.

‘Dan wie it ek net botte fatsoenlik fan jo en bied it oan’, sei Alice lilk.

‘It wie ek net botte fatsoenlik fan jo en gean sitten sûnder dat jo noege binne’, sei de Maertske Hazze.

‘Ik wist net, dat it jou tafel wie’, sei Alice. ‘Hy stiet klear foar folle mear as trije.’ ‘Jou hier moat knipt’, sei de Huoddemakker. Hy hie al in skoft tige nijsgjirrich nei Alice sjoen en dit wiene de earste wurden, dy’t er sei.

‘Jo moatte noch leare net persoanlik to wurden’, sei Alice strang. “Dat is tige ûnfatsoenlik.’

De Huoddemakker skuorde greate eagen op, doe’t er dit hearde, mar hy sei neat oars as: ‘Hwat is de oerienkomst tusken in raven en in skriuwburo.’

‘Kom, nou sille wy in grap hawwe’, tocht Alice. ‘Ik bin bliid, dat se mei riedlingen bigjinne.’

‘Dizze wit ik wol, leau’k’, sei se lûdo

‘Bidoele jo, dat jo it andert riede kinne?’ sei de Maerrske Hazze.

‘Jawis’, sei Alice.

‘Dan moatte jo sizze hwat jo bidoele’, forfette de Maertske Hazze.

‘Fansels’, andere Alice hastich, ‘tominsten.... tominsten, ik bidoel hwat ik siz.... dat is itselde, bigripe jo?’

‘Dat is hielendal net itselde!’ sei de Huoddemakker. ‘Dan kinne jo likegoed sizze “ik sjoch hwat ik yt” is itselde as “ik yt hwat ik sjoch”.’

‘Jo kinne likegoed sizze’, sei de Maertske Hazze, ‘dat “ik mei graech hwat ik krij” itselde is as “ik krij hwat ik graech mei”.’

‘Jo koene likegoed sizze’, sei de Sliepermûs, dy’t yn ‘e sliep like to praten, ‘dat “ik sykhelje as ik sliep” itselde is as “ik sliep as ik sykhelje”.’

‘Dat is foar dy ek itselde’, sei de Huoddemakker tsjin de Sliepermûs en dêrmei wie it praet ut en it selskip siet in hoartsje swijend byelkoar, wylst Alice biprakkesearde hwat hja alsa wist fan ravens en skriuwburo’s en dat wie net folle. (...)

(Mulder, 1964, p. 65-67) 

 

SPEELSHEID EN HET RIETJE: WAT NICOLAAS MATSIER MET ALICE HEEFT
Matthijs Bakker

Dit wordt een onrechtvaardige recensie. Persoonlijk vind ik Lewis Carroll ongeveer even leuk als ik Rudy Kousbroek vind in zijn Poëzie voor kinderen, u weet wel, die ‘Varkensliedjes’ één tot zoveel en wat dies meer zij, waarin hij de kleine medemens zo volwassen aanspreekt ‒ en toch speels! Er zit een despotisch trekje aan deze speelsheid. Ze is er nooit zomaar. Je ziet de auteur zich verdubbelen aan zijn bureau en er toegeeflijk om glimlachen. Zijn tekst laat niet af met subtiele signalen ‒ o altijd subtiel, wink, wink ‒ de aandacht op zichzelf te vestigen. Zie mij eens Speels zijn. En als je het niet ziet, lezer, dan ben je zelf niet speels ‒ wat natuurlijk een verschrikkelijke veroordeling is. Veel minder subtiel dan in zijn liedjes spreekt Rudy Kousbroek dezelfde veroordeling met de regelmaat van de klok uit in zijn columns en essays. Er blijkt een slag van mensen te bestaan dat de dingen die Rudy Kousbroek leuk vindt helemaal niet leuk vindt! Dit zijn hele erge mensen. Ik vermoed dat het dezelfde mensen zijn als die niet van de Varkensliedjes van Rudy Kousbroek houden. Dat bedoel ik met het despotische van de speelsheid daarvan. Ze stellen je voor een keuze: ervoor zijn, en dan ben je ook speels, of ertegen zijn, en dan weet je het wel ‒ je hebt geen humor en geen hart, je houdt niet van dieren, je sluit je brieven af met ‘ik vertrouw u hiermee voldoende te hebben ingelicht’, en bent meer in het algemeen het sprekende bewijs van de teloorgang van de beschaving.

Een soortgelijk despotisch trekje vind ik bijvoorbeeld ook terug bij Charlotte Mutsaers, die ik daarom niet kan lezen. Charlotte Mutsaers is een schrijfster voor wie Nicolaas Matsier een aan verering grenzende bewondering heeft. Nicolaas Matsier heeft ook een aan verering grenzende bewondering voor Lewis Carroll. 

[Lees het hele artikel van Matthijs Bakker in de papieren Filter.]

 

A Mad Tea-Party
There was a table set out under a tree in front of the house, and the March Hare and the Hatter were having tea at it: a Dormouse was sitting between them, fast asleep, and the other two were using it as a cushion, resting their elbows on it, and talking over its head. ‘Very uncomfortable for the Dorrnouse,’ thought Alice; ‘only, as it’s asleep, I suppose it doesn’t mind.’

The table was a large one, but the three were all crowded together at one corner of it. ‘No room! No room!’ they cried out when they saw Alice coming. ‘There’s plenty of room!’ said Alice indignantly, and she sat down in a large arm-chair at one end of the table.

‘Have some wine,’ the March Hare said in an encouraging tone.

Alice looked allround the table, but there was nothing on it but tea. ‘I don’t see any wine,’ she remarked.

“There isn’t any,’ said the March Hare.

‘Then it wasn’t very civil of you to offer it,’ said Alice angrily.

‘It wasn’t very civil of you to sit down without being invited,’ said the March Hare.

‘I didn’t know it was your table,’ said Alice: ‘it’s laid fora great many more than three.’

‘Your hair wants cutting,’ said the Halter. He had been looking at Alice for some time with great curiosity, and this was his first speech.

‘You should leam not to make personal remarks,’ Alice said with some severity: ‘It’s very rude.’

The Halter opened its eyes very wide on hearing this; but all he said was, ‘Why is a raven like a writing-desk?’

‘Come, we shall have some fun now!’ thought Alice. ‘I’m glad they’ve begun asking riddles ‒ 1 believe I can guess that,’ she added aloud.

‘Do you mean that you think you can find out the answer to it?’ said the March Hare.

‘Exactly so,’ said Alice.

“Then you should say what you mean,’ the March Hare went on.

‘Ido,’ Alice hastily replied; ‘at least ‒ at least I mean what I say ‒ that’s the same thing, you know.’

‘Not the same thing a bit!’ said the Halter. ‘Why, you might just as well say that “I see what I eat” is the same thing as “I eat what I see”!’

‘You might just as well say,’ added the March Hare, ‘that “I like what I get” is the same thing as “I get what I like”!’

‘You might just as well say,’ added the Dorrnouse, which seemed to be talking in its sleep, ‘that “I breathe when I sleep” is the same thing as “I sleep when I breathe”!’

‘It is the same thing with you,’ said the Hatter, and here the conversation dropped, and the party sat silent for a minute, while Alice thought over all she could remember about ravens and writing-desks, which wasn’t much, (...)

(Carroll, 1865, 1970, p. 93-95)

 

(MAD TEAPARTY)

(MARCH HARE- HARE
MAD HATTER- HATT
DORMOUSE- DORM) 

(Opeengedrongen aan het einde
van een lange tafel
DORM tussen HARE en HATT in) 

A (het gezelschap naderend)
HARE Geen plaats
HATT Geen plaats
DORM   Geen plaats
A




(gepikeerd)
Er is plaats genoeg
zo te zien
(gaat zitten in een leunstoel
aan het hoofd van de tafel)

HARE


(uitnodigend)
Bedien je
Neem wat wijn

A


(verbaasd)
Ik zie alleen thee
geen wijn
HARE

(droog)
Die is er ook niet
A


(beledigd)
Het is niet beleefd
die dan aan te bieden
HARE


Mij lijkt het niet beleefd
onuitgenodigd aan tafel te
gaan zitten
A





(terugkrabbelend)
Ik wist niet dat
het Uw tafel was,
er is voor zoveel
meer mensen gedekt
dan voor drie

HARE


En in afwezigheid van
meer mensen verlies
jij je vormelijkheid
HATT


(nadenkend)
Jouw haar moet
worden geknipt
A





(vinnig)
U zou moeten weten
dat je tegen anderen
geen persoonlijke
opmerkingen maakt
Dat is erg ongemanierd
HATT






(ogen opensperrend)
Kleine meisjes zijn er
om gezien, niet om gehoord
te worden
(onverwacht)
Waarom lijkt een raaf
op een schrijftafel
A


(verheugd)
Ik geloof dat
ik dat kan raden

HARE


(behulpzaam)
Bedoel je dat je denkt dat
je het antwoord kan vinden

A Ja
HARE

Dan moet je zeggen
wat je bedoelt
A



(verongelijkt)
Dat doe ik, tenminste
ik bedoel wat ik zeg
en dat is hetzelfde

HATT







Niet in het minst:
dan zou
ik zie wat ik eet
hetzelfde zijn als
ik eet wat ik zie, of
ik geloof wat ik zeg
hetzelfde als
ik zeg wat ik geloof

HARE

Of ik krijg wat ik lekker vind
en ik vind lekker wat ik krijg

HATT

En ik weet wat ik denk
en ik denk wat ik weet
HARE

En ik ontken wat ik denk
en ik denk wat ik ontken
HATT

Ik weet wat ik niet weet
ik weet niet wat ik weet
HARE

Ik vergeet wat ik wil
ik wil wat ik vergeet
DORM


(pratend in zijn slaap)
Of ik adem als ik slaap
en ik slaap als ik adem

HATT


Dat is hetzelfde
in jouw geval
(stilzwijgen) (...)

(Haverkamp, 1982, p. 102-105)

 

’n Dolle Teeparty
Onder ’n boom voor die huis staan ’n tafel, en daar sit die Paashaas en die Hoedemaker en tee drink: tussen hulle sit ’n Waaierstertmuis vas aan die slaap. Die ander twee gebruik hom as ’n kussing om hul elmboë op te stut en hulle gesels heen en weer oor sy kop. “Baie ongerieflik vir die arme Muis,’ dink Alice. ‘Maar hy’s vas aan die slaap, dus gee hy seker nie om nie.’

Dis ’n groot tafel, maar hulle sit al drie styf teen mekaar by die een hoek en toe hulle Alice sien naderkom, roep hulle tegelyk: ‘Geen plek nie! Geen plek nie!’

‘Daar’s baie plek,’ sê Alice verontwaardig en gaan sit in ’n groot leunstoel by die een punt van die tafel.

‘Skink vir jou wyn,’ sê die Paashaas gul.

Alice kyk orals op die tafel rond, maar daar is net tee.

‘Ek sien g’n wyn nie,’ sê sy.

‘Daar is ook nie,’ antwoord die Paashaas.

‘Dan was dit nie baie beleefd van jou om vir my wyn aan te bied nie,’ sê Alice vererg.

‘Dit was ook nie baie beleefd van jou om te kom sit voor jy genooi is nie,’ antwoord die Paashaas.

‘Ek het nie geweet dis jou tafel nie,’ sê Alice. ‘Hier’s vir baie meer as net drie mense gedek.’

‘Dis tyd dat jou hare weer ’n slag gesny word,’ sê die Hoedemaker, wat Alice al ’n hele rukkie nuuskierig sit en beskou het en nou vir die heel eerste keer praat.

‘Jy behoort te leer dat mens nie sulke persoonlike aanmerkings maak nie,’ sê Alice taamlik streng. ‘Dis baie onbeskof.’

Die Hoedemaker maak sy oë baie groot oop toe hy dit hoor, maar hy sê net: ‘Hoekom is ’n kraai soos ’n lessenaar?’

‘A, nou gaan ons dit begin geniet!’ dink Alice. ‘Ek is bly hulle’t begin raaisels

vra. Ek dink ek kan dié een raai,’ sê sy hardop.

‘Bedoel jy jy dink jy kan die antwoord daarop kry?’ vra die Paashaas.

‘Presles,’ sê Alice.

‘Dan behoort jy te sê wat jy bedoel,’ gaan die Paashaas voort.

‘Maar dis wat ek doen,’ antwoord Alice vinnig. ‘Ten minste ‒ ek ‒ ek bedoel wat ek sê ‒ en dis tog dieselfde, nie waar nie?’

‘Dis nie naasteby dieselfde nie!’ sê die Hoedemaker. ‘Dan kan jy net sowel sê “Ek sien wat ek eet” is dieselfde as “Ek eet wat ek sien”.’

‘Dan kan jy net sowel sê “Ek hou van wat ek kry” is dieselfde as “Ek kry waarvan ek hou”, voeg die Paashaas by.

‘Dan kan jy net sowel sê “Ek haal asem as ek slaap” is dieselfde as “Ek slaap as ek asemhaal”,’ voeg die Waaierstertmuis by; dit lyk of hy in sy slaap praat.

‘In jou geval is dit dieselfde,’ sê die Hoedemaker, en daar loop die gesprek dood en hulle sit alma) ’n minuut Jank doodstil, terwyl Alice alles probeer onthou wat sy van kraaie en lessenaars weet ‒ wat nie juis baie is nie. (...)

(Brink, 1987, p. 71-72)

  

‘LET OP DE GEEST EN DE LETTER LET OP ZICHZELF’
ENKELE OPMERKINGEN OVER NICOLAAS MATSIERS LEWIS CARROLL-VERTALINGEN
Anthony Paul (vertaling Ans van Kersbergen)

De wijze woorden die bovenaan dit stukje staan, komen uit hoofdstuk 9 van Nicolaas Matsiers De Avonturen van Alice in Wonderland. Bij vergelijking met de oorspronkelijke tekst zien we dat de man die naar de letter Charles Lutwidge Dodgson en naar de geest Lewis Carroll was, de Hertogin de enigszins andere moraal ‘Take care of the sense and the sounds will take of themselves’ in de mond heeft gelegd. De vertaling is vindingrijk. Er ontstaat een zin die niet alleen gonst van de authentieke Carrolliaanse geest van logica die vrijaf heeft genomen, maar die ook in de tekst op dit punt een extra laag aanbrengt van zelf-verwijzing en van besef van de eigen taal die hoort bij Carrolls stijl. Het is een zin die zichzelf illustreert en prachtig de gewaagde onderneming als geheel van deze vertaler beschrijft.

Wie Through the Looking-Glass and What Alice Found There voorleest, ontdekt op de tweede bladzijde van het boek dat hij de aandacht van zijn jonge publiek moet vasthouden met de woorden ‘the kitten had been having a grand game of romps with the hall of worsted Alice had been trying to wind up’. Zonder dat dit een tekortkoming van de auteur is, zijn de woorden ‘grand’, als lovende uitdrukking die equivalent is aan het moderne ‘great’ of ‘terrific’, en ‘romps’ in onbruik geraakt sinds de eerste uitgave van het boek in 1871. (Bijna zoals de stoel waarin Alice zit op het plaatje antiek geworden is). De zinsnede ‘a grand game of romps’ heeft iets van hardnekkige midden-Victoriaanse stoffigheid, waardoor de tekst wat minder direct toegankelijk wordt. Een moderne kinderboekenschrijver zou het woord ‘romp’ (min of meer equivalent aan het Nederlandse ‘ravotten’) nog wel kunnen gebruiken, maar niet ‘a game of romps’.

Het is niet verbazend dat deze boeken, na een lange en succesvolle carrière als vermaak van de bovenste plank voor kinderen en volwassenen, geleidelijk uitsluitend boeken zijn geworden voor volwassenen, de eeuwige lievelingen van logici en taalfilosofen in het bijzonder. Toch is het jammer dat de vreemde oude buitenkant de kinderen van nu belet om de magische en verrukkelijke, en ook intellectueel uitdagende, wereld van de Alice-boeken binnen te treden.

Maar dit zal waarschijnlijk meer opgaan voor Engels sprekende kinderen dan voor kinderen die kunnen beschikken over een bevlogen hedendaagse vertaling. Degene die Achter de Spiegelvoorleest, leest ‘een geweldige stoeipartij’ en voorlezer en publiek kunnen hun weg ongestoord vervolgen.

In ditzelfde eerste hoofdstuk herinnert Alice zich hoe ze ‘once had really frightened her old nurse by shouting suddenly in her ear, “Nurse! Do let’s pretend that I’m a hungry hyaena and you’re a bone!”’ Dit slimme idee, dat kinderen van alle tijden waarschijnlijk aan zal spreken, is onbegrijpelijk voor Engelstalige kinderen of staat ver van ze af door de aanwezigheid van het Victoriaanse instituut van de ‘nurse’: het kind zal automatisch aan verpleegsters denken. Matsier verkleint het obstakel, al neemt hij het niet geheel weg: het eerste ‘nurse’ wordt het al even archaïsche ‘kinderjuffrouw’, maar daarna spreekt Alice haar aan als ‘Juf!’, een grote stap in de richting van toegankelijkheid.

Hoewel Matsier sommige archaïsche begrippen, zoals de ‘kinderjuffrouw’, en ‘badkoetsen’, niet kon laten verdwijnen, zijn er veel die door zijn vertaling veranderen van onbegrijpelijke in toegankelijke. De ‘caucus race’ in hoofdstuk 3 van Alice’s Adventures in Wonderland is een begrip dat iedere lezer zal willen opzoeken in Martin Gardners The Annotated Alice (om dan te ontdekken dat de zaak er niet veel minder geheimzinnig op wordt); ‘verkiezingsrace’, al is dat waarschijnlijk niet hetzelfde (wat het dan ook mag zijn), behoeft weinig uitleg. Na de ‘caucus-race’ gaat Alice, in een soort prijsuitreiking, rond met haar ‘box of comfits’; Martin Gardner vertelt ons keurig dat ‘Comfits are hard sweetmeats made by preserving dried fruits or seeds with sugar and covering them with a thin coating of syrup’. Probeer deze interessante feiten maar eens op uw achtjarige toehoorder over te brengen. In het Nederlands hoeft dat niet, omdat Matsier de muffe Victoriaanse gekonfijte vruchtjes heeft weggegooid en Alice ‘een zakje toffees’ heeft gegeven. In hetzelfde hoofdstuk wordt de geschiedenisles van de Muis over William the Conquerer: ‘In 1795 slaagde Pichegru erin om met zijn legers (...) ons land binnen te dringen. Prins Willem V vertrok met zijn familie naar Engeland, waarmee tevens (...)’, enzovoort.

Een laatste voorbeeld: in het Engelse Wonderland is ‘six o’clock’ de tijd om thee te drinken. In deze vertaling is dat ‘vier uur’ geworden. De vertaling is helemaal raak: door de brontekst te veranderen wordt overgebracht wat deze oorspronkelijk overbracht (‘een gewone tijd om thee te drinken’), en niet wat hij nu overbrengt op een Engelstalige of Nederlandse lezer (‘een vreemde tijd om thee te drinken’). Alleen door van de letter van de tekst af te wijken kan de vertaling trouw zijn aan de geest ervan.

Een schitterende vondst die ook in hoofdstuk 7 van de Nederlandse Wonderland (‘Een Getikte Theevisite’) staat, is ‘(...) heb jij nooit iemand zien putten uit een meer van hetzelfde?’ Deze opzienbarende vraag is afgeleid van de Engelse’(...) did you ever see such a thing as a drawing of a muchness?’ Men zou kunnen denken dat de begaafde Matsier Lewis Carroll hiervoor nauwelijks nodig had. Maar niets is minder waar: hij zou deze zin niet bedacht hebben als hij niet met Alice had moeten worstelen. Zijn geslaagde grap is een getrouwe vertaling, niet van de letter van de tekst, maar van de geest, van de humor van de auteur, meer dan van de toevallige vorm die deze hier heeft aangenomen. Toch is de vertaling op zulke momenten niet alleen een briljante vertaling, maar ook een literaire tekst die ons verrukt en bewondering afdwingt om en voor zichzelf.

We zijn gewoon vertalingen te zien als teksten van een lagere orde dan oorspronkelijk scheppend werk. Maar nu we ons er allen weer van bewust zijn dat de oorspronkelijkheid van een schrijver een betrekkelijke zaak is, zoals men vóór de Romantiek als vanzelfsprekend beschouwde, is het misschien tijd de betekenis van de literaire vertaler als schrijver onder schrijvers te herstellen, en wel een die soms uiterst ‘oorspronkelijk’ is ‒ zelfs, of juist, wanneer hij het meest vertaler is.

 

Een getikte theevisite
Onder een boom voor het huis stond een tafel, waaraan de Maartse Haas en de Hoedenmaker thee zaten te drinken; een Zevenslaper zat tussen hen in, diep in slaap, en de twee anderen leunden met hun ellebogen op hem en praatten over zijn hoofd heen. Heel onaangenaam voor de Zevenslaper, dacht Alice, al denk ik dat het hem niet kan schelen, in zijn slaap.

De tafel was heel groot, maar het drietal zat op een kluitje bij elkaar aan één hoek. ‘Geen plaats! Geen plaats!’ riepen zij uit toen ze Alice eraan zagen komen. ‘Er is meer dan genoeg plaats!’ zei Alice verontwaardigd en ze ging in een grote leunstoel aan het ene eind van de tafel zitten.

‘Neem wat wijn,’ zei de Maartse Haas op aanmoedigende toon.

Alice keek de tafel rond, maar er stond niets op behalve thee. ‘Ik zie nergens wijn,’ merkte ze op.

‘Die is er ook niet,’ zei de Maartse Haas.

‘Dan was het niet erg beleefd van u om ‘m aan te bieden,’ zei Alice boos.

‘Het was niet erg beleefd van jou om te gaan zitten zonder uitgenodigd te zijn,’ zei de Maartse Haas.

‘Ik wist niet dat het uw tafel was,’ zei Alice. ‘Er is gedekt voor veel meer dan drie personen.’

‘Jouw haar moet nodig geknipt worden,’ zei de Hoedenmaker. Hij had een poosje met grote nieuwsgierigheid naar Alice zitten kijken en dit waren zijn eerste woorden.

‘U moet niet persoonlijk worden,’ zei Alice tamelijk streng, ‘dat is heel ongemanierd.’

De Hoedenmaker sperde zijn ogen wijd open toen hij dit hoorde; maar al wat hij zei was: ‘Wat is de overeenkomst tussen een raaf en een schrijftafel?’

Ha, nu gaat het leuk worden! dacht Alice. Ik ben blij dat ze raadsels gaan opgeven ‒ ‘Ik geloof dat ik het weet,’ voegde ze er hardop aan toe.

‘Bedoel je dat je denkt dat je wel achter het antwoord kunt komen?’ zei de Maartse Haas.

‘Precies, ja,’ zei Alice.

‘Zeg dan meteen wat je bedoelt,’ ging de Maartse Haas voort.

‘Dat doe ik toch,’ gaf Alice haastig ten antwoord, ‘tenminste ‒ tenminste, ik bedoel wat ik zeg ‒ dat komt op hetzelfde neer, hoor.’

‘Helemaal niet hetzelfde!’ zei de Hoedenmaker. ‘Dan zou je met evenveel recht kunnen zeggen dat “Ik zie wat ik eet” op hetzelfde neerkomt als “Ik eet wat ik zie”!’ ‘Dan zou je met evenveel recht kunnen zeggen,’ voegde de Maartse Haas eraan toe, ‘dat “Ik lust wat ik krijg” op hetzelfde neerkomt als “Ik krijg wat ik lust”!’

‘Dan zou je met evenveel recht kunnen zeggen,’ voegde de Zevenslaper eraan toe, die in zijn slaap leek te praten, ‘dat “Ik adem als ik slaap” op hetzelfde neerkomt als “Ik slaap als ik adem”!’

‘Bij jou is dat ook zo,’ zei de Hoedenmaker, en hiermee was het gesprek afgelopen; en het gezelschap bleef even zwijgen, terwijl Alice alles overdacht wat ze zich kon herinneren over raven en schrijftafels, maar veel was dat niet. (...)

(Matsier, 1994, p. 70-72)

 

Een dolle theevisite
Een tafel was onder een boom voor het huis geplaatst en de Maartsche Haas en de Hoedenmaker zaten daaraan thee te drinken. Een Zevenslaper zat tusschen hen in, diep in slaap, terwijl de twee anderen, met de ellebogen op de tafel, over hem heen met elkaar praatten. ‘Erg onpleizierig voor den Zevensla per’, dacht Alice. ‘Maar daar hij in slaap is, geeft hij er misschien niet om’.

De tafel was groot, maar toch zaten de drie aan een der hoeken dicht opeen. ‘Geen plaats, geen plaats!’ riepen ze, toen ze Alice zagen komen. ‘Daar is ruimte genoeg!’ zei Alice verontwaardigd en ging in een grooten armstoel zitten aan het eind van de tafel.

‘Neem wat wijn’, zei de Maartsche Haas op aanmoedigenden toon.

Alice keek de heele tafel over, maar daar was niets als thee. ‘Ik zie geen wijn’, merkte ze op.

‘Die is er ook niet’, zei de Maartsche Haas.

‘Dan was het niet zeer beleefd van jou om dien aan te bieden’, zei Alice boos. ‘Het was niet zeer beleefd van jou om te gaan zitten zonder daartoe uitgenoodigd te zijn’, zei de Maartsche Haas.

‘Ik wist niet, dat het jouw tafel was’, zei Alice, ‘ze is voor veel meer dan drie personen gedekt’.

‘Jouw haar moet geknipt worden’, zei de Hoedenmaker.

Hij had Alice eenigen tijd met de grootste nieuwsgierigheid zitten aankijken. Dit was het eerste, wat hij zei.

‘Je moest niet persoonlijk worden’, zei Alice eenigszins scherp. ‘Dat is zeer onbeleefd’.

De Hoedenmaker, dit hoorende, spalkte zijn oogen wijd open, maar alles, wat hij zei, was: ‘Waarom lijkt een raaf op een schrijflessenaar?’

‘Kom, nu zal het wat prettig gaan worden!’ dacht Alice. ‘Ik ben blij, dat ze raadsels beginnen op te geven. ‒ Ik geloof, dat ik dàt wel raden kan’, zei ze hardop.

‘Meen je, dat je gelooft, dat je het antwoord weet?’ zei de Maartsche Haas.

‘Juist’, zei Alice.

‘Dan moet je zeggen, wat je meent’, ging de Maartsche Haas voort.

‘Dat doe ik ook’, antwoordde Alice haastig, ten minste ‒ ten minste, ik meen wat ik zeg, ‒ en dat komt op ’t zelfde neer, weet je’.

‘Het lijkt er niet naar!’ zei de Hoedenmaker.

‘Je zou even goed kunnen zeggen, dat “ik zie, wat ik eet” hetzelfde is als “ik eet, wat ik zie”!’

‘Je kon even goed zeggen’, voegde de Maartsche Haas er aan toe, ‘dat “ik houd van wat ik krijg” hetzelfde is als “ik krijg, waar ik van houd”!’

‘Je zou even goed kunnen zeggen’, voegde de Zevenslaper er bij, die in zijn slaap scheen te praten, dat, “ik adem, als ik slaap” hetzelfde is als “ik slaap, als ik adem”!’

‘Dat is hetzelfde bij jou’, zei de Hoedenmaker. Hier hokte het gesprek en zweeg het gezelschap een poosje, terwijl Alice zich nog eens alles ‒ maar dat was niet veel ‒ in de herinnering terugriep omtrent raven en schrijflessenaars. (...)

(Ten Raa, 1899, p. 81-84)

 

Bibliografie
Boxen, Mary. 1982. Alice 100+ in Nederland. Being a Catalogue in Celebration of the 150th Birihday of Lewis Carroll. Augmented and edited by Het Nederlands Lewis Carroll Genootschap.

Carroll, Lewis. 1899. Alice’s avonturen in het wonderland. (Vertaling: R. ten Raa. Illustraties: John Tenniel.) Leiden: Boekhandel en drukkerij voorheen E.J. Brill.

Carroll, Lewis. 19563 (1947). De avonturen van Alice in het Wonderland en in het Spiegelland.(Vertaald door C. Reedijk en Alfred Kossmann. Met de illustraties van John Tenniel.) Rotterdam: Ad. Donker.

Carroll, Lewis. 1964. Alice yn toûnderlûn (Oersetting: Tiny Mulder. Mei de yllustraesjes fan Sir John Tenniel.) Drachten: Laverman.

Carroll, Lewis. 1970. The Annotated Alice. Alice’s Adventures in Wonderland and Through the Looking-Glass. (Illustrated by John Tenniel. With an Introduction and Notes by Martin Gardner). Harmondsworth: Penguin.

Carroll, Lewis. 1987 (1965/1968). Die Avonture van Alice. (Afrikaanse vertaling deur André P. Brink. Met die oorspronklike tekeninge deur John Tenniel). Kaapstad/Pretoria: Human & Rousseau.

Carroll, Lewis. 1989. De Avonturen van Alice in Wonderland. (Illustraties van Anthony Browne. Vertaald door Nicolaas Matsier.) Amsterdam: Van Goor.

Carroll, Lewis. 1994. De Avonturen van Alice in Wonderland & Achter de Spiegel.(Illustraties van Sir John Tenniel. Vertaald door Nicolaas Matsier.) Amsterdam: Van Goor.

Cillekens, Babette. 1991. ‘Alice in Nederland, een vertaalgeschiedenis’. Amsterdam: Doctoraalscriptie Vertaalwetenschap, Universiteit van Amsterdam.

Disney, Walt. 1973. Alice in Wonderland. Naar het beroemde verhaal van Lewis Carroll. Amsterdam: Amsterdam Boek.

Dorrestein, Renate. 1988. ‘Op het croquetpartijtje van de Hertogin’, in: Opzij, April 1988, p. 19.

Lancelyn Green, Roger. 1969. Tellers of Tales. Children’s Books and Their Authors from 1800 to 1968. London: Kaye & Ward Ltd.

Leach, Elsie. 1971. ‘Alice in Wonderland in Perspective’, in: Robert Phillips (ed.), Aspects of Alice. Harmondsworth: Penguin, p. 121-127.

Matsier, Nicolaas. 1996. Alice in Verbazië. Amsterdam: De Bezige Bij.

RO Theater/Lewis Carroll. 1982. Alice. (Vertaling en bewerking: Friso Haverkamp). Rotterdam: RO Theater.

Sale, Roger. 1981. Fairy Tales and afier.Cambridge, MASS: The Harvard University Press.

Schuckink Kool, Casper. 1990. 125 x ALICE (catalogus behorende bij de gelijknamige tentoonstelling).

Weaver, Warren. 1964. Alice in Many Tongues. The Translations of Alice in Wonderland.Madison, WI: The University of Wisconsin Press. 

Lees meer over: