Wat staat er eigenlijk in de tekst?    3-11

Een vertaler en zijn onbehagen

Philippe Noble

Wat is het verschil tussen een tekst en dezelfde tekst als hij eenmaal vertaald is? Mag men dan nog zeggen dat het dezelfde tekst is? Of is het een nieuwe tekst? En zo ja, hoe verhoudt deze zich tot de oorspronkelijke tekst? Wat voor gedaantewisseling heeft die eerste tekst dan ondergaan? En trouwens, kan dat wel, vertalen? Is elke tekst in zijn eigenheid niet principieel onvertaalbaar?

Dat zijn alleszins interessante, zelfs prangende vragen, maar die houden de vertalers meestal niet bezig. Vertalers zijn vaak van mening dat zij de mogelijkheid van het vertalen voldoende bewijzen door het zelf te doen, zoals de oude filosoof Diogenes de mogelijkheid van het bewegen bewees door zelf een stap te zetten. Bovendien gaat het publiek ervan uit, als het een vertaling leest, dat het een boek van een bekend auteur leest, en niet het product van de nijverheid van een onbekende vertaler. Waarom zouden vertalers zich dan het hoofd moeten breken over verschillen die in de ogen van het publiek niet bestaan of over vragen die hun lezers niet bezighouden? Deze vragen vinden vertalers misschien wel interessant, maar niet voor zichzelf, eerder voor academici, voor vertaalwetenschappers. En er bestaat, zeker in Nederland, enig wantrouwen bij de eerste groep jegens de laatste, of men dat nu betreurt of niet.

Dublin2

Persoonlijk betreur ik het. Naast het uitoefenen van verschillende beroepen vertaal ik sinds het einde van de jaren zeventig van de vorige eeuw Nederlandstalige werken in het Frans. Nu, meer dan dertig jaar later en veertig boeken verder, wordt het misschien tijd dat ik nadenk over wat ik al zo lang doe. En hierbij vind ik steun bij het werk van vertaalwetenschappers. Niet dat ik de vertaalwetenschap systematisch verken, verre van dat. Ik probeer eerder bij wetenschappers een bevestiging te vinden van wat ik voel, en zoek bij hen een rationele verklaring voor een zeker onbehagen dat de praktijk van het vertalen bij mij in de loop der jaren steeds meer is gaan oproepen. Hoe dat onbehagen te omschrijven? Naarmate ik me scherper bewust werd van de moeilijkheden die ik bij het vertalen moest overwinnen, groeide ook mijn onzekerheid ten opzichte van de te vertalen tekst. Was dertig jaar geleden de vraag die mij bezighield: ‘hoe kan ik in mijn taal het best weergeven wat er staat?’, nu is het eerder ‘maar wat staat er eigenlijk?’ en ‘welke keuzes moet ik maken om de boodschap, of één van de mogelijke boodschappen, enigszins te benaderen?’ Deze ontwikkeling zal menigeen als een regressie in de oren klinken, ik ervaar het eerder als een vooruitgang. En dat zal ik nu met een paar algemene beschouwingen en een paar voorbeelden trachten te illustreren. Laat ik eerst even stilstaan bij deze obsederende vraag:

1 Wat staat er?
Wat staat er in de tekst? Dit is voor de vertaler de eerste, de meest fundamentele vraag. Maar die ligt zo voor de hand, dat men bij beschouwingen vaak vergeet hem expliciet te stellen. En die vraag geldt niet specifiek de vertaler, elke lezer moet hem, al of niet bewust, beantwoorden om verder te gaan met het verkennen – of het consumeren – van een tekst. Sterker nog: om tot zijn recht te komen, om zijn betekenis of betekenissen te krijgen heeft een tekst een zekere inbreng van de lezer nodig. In de literatuurwetenschap is dat, met name dankzij Umberto Eco, een begrip geworden: ‘lezerscoöperatie’. Als we een tekst lezen – Eco bestudeert in zijn boek Lector in fabula (Eco 1989) het geval van een verhaal of een roman, maar het geldt zeker ook voor andere soorten tekst – vullen we stilzwijgend mogelijkheden in, die geïmpliceerd worden door de auteur, maar niet expliciet geformuleerd. Dat het niet altijd vanzelf gaat, is een ervaring die wij als lezers met z’n allen delen, we missen wel eens een schakel en merken pas later, als we verder in het boek zijn, dat we ‘over iets heen gelezen hebben’, of dat we iets niet juist getaxeerd hebben. Thrillerauteurs spelen daar heel bewust op in.

‘Gent, wild van fietsen’
Maar het kan ook zijn dat we niet goed toegerust zijn om deze geïmpliceerde boodschappen te duiden. Dat kan zelfs bij heel eenvoudige teksten die we in de meest alledaagse situaties tegenkomen. In Gent, de stad waar ik woon, hing een paar jaar geleden vlak bij het station een groot reclamebord met de tekst ‘Gent, wild van fietsen’. Ernaast stond een fietsketting afgebeeld waarvan de lus eigenlijk op een strop leek. Mijn Gentse vrienden moesten daar wel om lachen, maar ik snapte niet waarom. Ik begreep wél dat ‘Gent dol op fietsen’ was, maar ik miste een – half verborgen – deel van de boodschap. Hier werd een toespeling gemaakt op een andere uitspraak over Gent, namelijk ‘wild van feesten’, een uitspraak die sloeg op dit beroemde, jaarlijks terugkerende evenement, de Gentse feesten. De afbeelding van een strop, vaak tijdens de Gentse feesten door feestgangers gedragen, wees in die richting. ‘Stroppendragers’ is namelijk een geuzennaam voor Gentenaars, en dit verwijst weer naar een vernedering die eerbare Gentse burgers op bevel van Karel V moesten ondergaan, maar dit terzijde. ‘Wild van feesten’ dus. Maar in het Gentse dialect wordt een lange ‘e’ als een ‘ie’ uitgesproken: ‘Gent, wild van fiesten’ zal een echte Gentenaar zeggen. ‘Fiesten’ versus ‘fietsen’: hier was dus sprake van een heuse woordspeling, maar om die te onderkennen en te ontcijferen en dus om mee te kunnen lachen, moest men over een zekere kennis beschikken van de taal – taalvariatie in dit geval – en ook van de plaatselijke geschiedenis en cultuur.

Uit dit voorbeeld blijkt dat wij, ook in de meest alledaagse situaties, voortdurend bezig zijn tekens te ontcijferen, in dit geval een combinatie van tekst en beeld. Grote auteurs uit de twintigste eeuw, zoals in het Franse taalgebied bijvoorbeeld Roland Barthes, hebben ons dat duidelijk gemaakt. Kortom, we interpreteren allemaal de al of niet geschreven werkelijkheid om ons heen. Een vertaler doet niets anders. Maar hij gaat op verschillende manieren verder. Hij zoekt in woordenboeken niet alleen naar betekenissen, maar ook naar mogelijke connotaties van woorden, wat een gewone lezer over het algemeen niet systematisch hoeft te doen. De controle, die hij uitvoert om betekenis of betekenissen in de tekst te ontsluiten, strekt zich echter uit tot een breder terrein. De verhouding tussen tekst en beschreven werkelijkheid moet ook worden onderzocht.

Meestal gaat het hierbij om extra lectuur om de tekst heen, maar steeds vaker ook om het bekijken van beeldmateriaal. De mogelijkheid om op internet schier onuitputtelijke bronnen te raadplegen heeft het werk van de vertaler diepgaand beïnvloed. Of misschien kan ik beter zeggen: het heeft niet alleen mijn werkwijze, maar ook mijn kijk op mijn werk diepgaand veranderd. De enorme hoeveelheid beschikbare informatie verleidt, ja zelfs verplicht de vertaler tot het verifiëren van allerlei zaken die tot de niet-verbale achtergrond van de tekst behoren en die hij vroeger misschien zonder al te veel gewetensbezwaren ongemoeid had gelaten. De aldus vergaarde overvloed aan ‘perifere’ kennis over de tekst beïnvloedt natuurlijk de interpretatie ervan en – dat is het positieve aspect – kan voor dwalingen behoeden. Bij een roman als Caesarion van Tommy Wieringa bijvoorbeeld is het geen overbodige luxe om een liedje van een Weense cabaretier te beluisteren, zich een beeld te vormen van de erosie aan de kust van Suffolk en Norfolk of zich te documenteren over een echt bestaand hotel aan het Wenceslasplein in Praag, waarvan een ingewikkelde beschrijving in het boek staat. Het kan nog erger: onder de oppervlakte van de tekst van Bonita Avenue gaat een duizelingwekkende ijsberg schuil aan encyclopedische kennis. Tegelijkertijd maakt de onuitputtelijke bron van onlineinformatie de kans kleiner dat men ooit tot een definitieve interpretatie van een tekst komt. Het vergroot juist de onzekerheid: je kunt altijd nog meer over de tekst te weten komen, tot in het oneindige.

2 Kiezen of delen
Of hij nu helemaal klaar is met de eerste vraag (wat staat er?) of niet, de vertaler moet publiekelijk verslag uitbrengen van zijn lectuur, want dat is zijn opdracht. Dat dwingt hem tot een reeks keuzes. De meest fundamentele vraag, die van het standpunt dat hij over de tekst inneemt, komt straks aan bod. Maar inmiddels worden andere, misschien meer triviale keuzes door zijn instrumentarium afgedwongen. In de eerste plaats door de taal waarin hij zijn verslag schrijft en die jammer genoeg een andere is dan die van de tekst, in de tweede plaats door de culturele elementen die onlosmakelijk met deze taal verbonden zijn. Dit is overbekend, want het heeft altijd zeer tot de verbeelding van de commentatoren gesproken. Waarschijnlijk is het nooit zo treffend samengevat als door de Franse filosoof Paul Ricoeur in zijn essay ‘Défi et bonheur de la traduction’ gepubliceerd in 2004:

Niet alleen overlappen semantische velden elkaar niet perfect in beide talen, ook de syntactische structuren zijn niet equivalent aan elkaar, en de zinswendingen in bron- en doeltaal geven geen uiting aan hetzelfde culturele erfgoed. Om nog maar te zwijgen van de nauwelijks hoorbare connotaties die een gevoelswaarde geven aan uitstekend afgebakende denotaties in het vocabulaire van de brontaal, connotaties die als het ware zweven tussen de tekens, zinnen, korte of lange sequenties. Door dit complexe web van heterogeniteit biedt de vreemde tekst weerstand aan het vertalen en wordt hij hier en daar onvertaalbaar. (Ricoeur 2004)

Een titel van Bertolt Brecht
Men heeft er altijd van gedroomd deze onvertaalbaarheid als het ware in kaart te brengen, of op zijn minst tot hanteerbare modellen te herleiden. Bijna vijftig jaar geleden schreef de Tsjechische linguïst Jiří Levý een beroemd artikel, Translation as a Decision Process (1966)waarin hij een logisch model probeerde te ontwerpen voor al deze door de ongelijkheid van talen afgedwongen keuzes (Levý 2004). Zo betoogt hij dat iemand die de titel van een toneelstuk van Bertolt Brecht, Der gute Mensch von Sezuan, in het Engels zou vertalen, onvermijdelijk zou moeten kiezen tussen ‘The good man’ en ‘The good woman of Sechuan’. Dit voorbeeld zou net zo goed opgaan voor het Frans, waar ook geen eenvoudig woord bestaat voor het begrip ‘Mensch’. Maar daarmee heeft Levy slechts de voorwaarden beschreven waaronder de vertaler moet werken, niet het werk op zich. Want de vertaler – de goede vertaler – zal deze gedwongen keuzes altijd trachten te omzeilen, zoals de Franse vertaling van deze titel bewijst, namelijk La bonne âme de Sechuan, met andere woorden ‘De goede ziel uit Sechuan’. Dwang is het kader waarbinnen de vertaalarbeid zich afspeelt, maar het is ook een geweldige aansporing tot creativiteit, zoals Anneke Brassinga, vertaalster en schrijfster, het prachtig verwoord heeft: ‘Twijfelen, wikken en wegen, woorden duizend maal om en om draaien en hun aangrenzend terrein van hele en halve synoniemen afstropen, kiezen en dan toch nog gehoor geven aan een vondst, dat kun je leren (…). Vertalen is een vorm van literatuur waarin de restrictie, de formele dwang, ongelooflijk productief kan werken’ (Brassinga 2010).

Deltaplan
Uit het citaat van Paul Ricoeur blijkt dat cultuurverschillen net zo’n grote bron van dwang zijn als zuiver talige heterogeniteit. Cultuurtransfer noopt ook tot keuzes, in dit geval vaak transformaties en expliciteringen. En cultuur zit overal in een tekst – deze mening deel ik met Ton Naaijkens: ‘Iedere vertaling is eerst en vooral een culturele vertaling, inderdaad juist bij essays en romans. Ik zou daaraan willen toevoegen dat het altíjd, voor elke tekst, geldt’ (Naaijkens 2004). Cultuur speelt zelfs een rol in elke vorm van communicatie, en het niet onderkennen daarvan kan pijnlijke leemtes veroorzaken in de overdracht van betekenis. In het kader van mijn beroep begeleidde ik onlangs een delegatie van Franse ziekenhuisbestuurders, die op studiebezoek waren in Nederland. We werden ontvangen op het ministerie van Volksgezondheid en kregen daar relevante informatie. Men was onder deskundigen, de onderwerpen waren technisch van aard en de communicatie verliep keurig in het Engels. Totdat deze titel op het scherm verscheen: ‘A Deltaplan for Elderly Care’. Grote verwarring bij de Franse bezoekers; maar uit beleefdheid of onzekerheid werden geen vragen gesteld en er kwam dan ook geen uitleg. De maker van deze powerpointpresentatie had er geen moment aan gedacht dat de Fransen wellicht niet vertrouwd waren met het begrip ‘Deltaplan’ en de symbolische waarde ervan, die dit overdrachtelijke gebruik mogelijk maakte. Elke spreker behoort tot een cultuur, in vele gevallen tot één enkele, waarin hij opgegroeid is en ondergedompeld blijft, en het vereist veel zelfreflectie om in te zien dat uitingen van deze cultuur geen universele norm zijn. Zoals dat woord ‘Deltaplan’daar als fremdkörper in een Engelstalige powerpoint stond te prijken, was het in mijn ogen de perfecte belichaming van de miskende culturele component die in elke boodschap vervat kan zitten.

3 De vertaler als commentator en getuige
Interpretatie, gedwongen keuzes, onvermoede culturele barrières: een vertaling is altijd een onvolledige en onvolkomen weergave, van welke tekst ook. Nu is onvolkomenheid een kenmerk van elk menselijk handelen, maar de vertaler wordt daar hardhandiger mee geconfronteerd dan andere vaklieden. Het falen is bij wijze van spreken in zijn werkwijze ingecalculeerd. Het is daarom niet verwonderlijk dat vertalers vaak een andere kijk op hun werk proberen te ontwikkelen, om er een beetje in te kunnen blijven geloven. Zelf heb ik ooit in een toespraak, nu meer dan tien jaar geleden, geroepen dat men een vertaling niet als een slechte kopie van de brontekst moest beschouwen, maar als een commentaar daarop (Noble 2002). Ik wist toen amper zelf wat ik daarmee bedoelde, maar inmiddels ben ik erachter gekomen dat ook vertaalwetenschappers dit standpunt innemen.

De ‘metateksten’ van Van den Broeck
Zo iemand is bijvoorbeeld Raymond van den Broeck, auteur van onder meer De vertaling als evidentie en paradox (1999), overigens een titel die voor mijn gevoel als geen ander de essentie van het vertalen raakt. Aan het begin van dit boek geeft Van den Broeck op een verhelderende manier de vertaling een plaats in een hele reeks teksten waartoe een brontekst aanleiding kan geven. Bij hem is een vertaling slechts één van mogelijke transformaties die een brontekst (zelf gebruikt hij een ander woord, een ‘prototekst’) kan ondergaan. Bij deze transformaties kan het gaan om een kritisch commentaar zoals een recensie of een essay, om een vertaling of een imitatie, bijvoorbeeld in de vorm van een parodie of een pastiche, en ten slotte om een nieuwe creatie, die geïnspireerd is op de eerste tekst: een toneelbewerking of een filmscenario, of een nieuwe literaire versie van hetzelfde verhaal, wat in de Europese literatuurgeschiedenis talloze malen is gebeurd met de grote mythes uit de oudheid. Al deze teksten (ik parafraseer hier Van den Broeck) zijn ‘metateksten’, die in een bepaalde relatie tot de oorspronkelijke tekst staan. In dit verband is een vertaling slechts één bepaald type metatekst, een type dat met de andere soorten ten minste één eigenschap gemeen heeft, dat van een commentaar (Van Den Broeck 1999). Dit wordt duidelijker aan de hand van een voorbeeld.

De gedaantewisselingen van Anne Frank
In de Nederlandse taal zijn weinige teksten zo productief gebleken als het dagboek van Anne Frank. In zestig à zeventig jaar tijd heeft het talloze vertalingen gegenereerd, vaak ook meerdere in dezelfde taal, toneel- en filmbewerkingen (met name in het Engels, maar niet alleen), essays en kritische commentaren, een hele vloedgolf biografische studies, en zelfs pamfletten en polemieken. De meest beruchte polemiek had in Frankrijk plaats, waar de extreemrechtse hoogleraar Robert Faurisson met quasiwetenschappelijke artikelen trachtte aan te tonen dat het dagboek een vervalsing was, tot de historicus Pierre Vidal-Naquet hem van repliek diende in zijn essay over revisionisme, getiteld Les assassins de la mémoire (‘De moordenaars van het geheugen’). Welke plaats nemen in dit geheel de vertalingen in, en welke rol spelen ze? Ik beperk me hier tot het voorbeeld van de Franse vertalingen, maar de ontwikkelingen in het Duitse en Engelse taalgebied lopen daarmee vrijwel parallel.

In 1950 publiceerde de Franse uitgeverij Calmann-Lévy Journal de Anne Frank, de vertaling van Het Achterhuis, de tekst die in 1947 bij Contact verschenen was. De vertaling was van de hand van Tylia Caren en Suzanne Lombard. Deze laatste heeft vermoedelijk slechts redactiewerk verricht, maar het is in dit verband niet onbelangrijk te vermelden wie de voornaamste vertaalster, Tylia Caren, was. Achter dit pseudoniem ging Tylia Perlmutter schuil. Zij werd in 1904 in Amsterdam geboren in een familie van Pools-Joodse afkomst. Samen met haar jongere zus Bronia, die toen amper zestien was, dook zij in 1922 in Parijs op. In het toenmalige artistieke Montparnasse maakten beide zusjes de blits als model, actrice in stomme films en muze van later beroemd geworden kunstenaars. Bronia trouwde met de cineast René Clair, Tylia raakte na de oorlog in vergetelheid en leefde van vertaalwerk; behalve Het Achterhuis vertaalde ze De tienduizend dingen van Maria Dermoût. Bijna veertig jaar na deze eerste vertaling, in 1989, kwam – weer bij Calmann-Lévy – de vertaling van de beroemde NIOD-uitgave, De Dagboeken van Anne Frank, uit. Weer was een vertalersduo hiervoor verantwoordelijk, ditmaal mijn collega Isabelle Rosselin en ikzelf. Afgezien van de enorme verschillen tussen de twee bronteksten – enerzijds een bloemlezing, anderzijds de (bijna) volledige tekst van de drie versies van het dagboek – was de instelling van de eerste en de tweede groep vertalers geheel verschillend. Voor Tylia Caren en Suzanne Lombard was het dagboek een jeugdboek. Daarvan leverden zij een verdienstelijke vertaling, zeker naar de toenmalige normen gemeten, maar gunden zich daarbij allerlei vrijheden die nu nog bij het vertalen van jeugdliteratuur gebruikelijk zijn: zij transponeerden vele details naar de Franse werkelijkheid, lieten hier en daar lastige passages weg en pasten zich aan hun doelgroep aan door typische jongerentaal uit de jaren veertig in de vertaling te verwerken, iets waartoe de qua register meestal neutrale, bijna tijdloze stijl van Anne Frank nauwelijks aanleiding geeft. Wij waren daarentegen doordrongen van het besef een historisch document te vertalen, sterker nog een document waarvan de historiciteit kort daarvoor nog in twijfel getrokken was. We maakten daarom een hopelijk nog goed leesbare, maar zeer ‘brontekstgerichte’ vertaling en schuwden daarbij niet in voetnoten extra uitleg te geven over zaken die niet meteen hun weerslag hadden gevonden in de tekst van de vertaling. Kortom, met onze vertaling mengden we ons heel bewust in een politiek-maatschappelijke discussie die kenmerkend was voor de jaren tachtig in Frankrijk. In die zin is een vertaling altijd een commentaar: daarin wordt een stellingname ten opzichte van de brontekst gereflecteerd – en verankerd; de vertaler, en samen met hem de tijd en de cultuur waarin hij leeft, is er altijd zichtbaar.

De vertaling als getuigenis
Als we zeggen dat een vertaling een commentaar is, dan is dat een soort metafoor. Want er is een wezenlijk verschil tussen een essay over een tekst en een vertaling van dezelfde tekst. De essayist is vrij in zijn interpretatie, hij mag in de gelaagdheid van de tekst verschillende betekenissen ontdekken of invullen en hoeft daartussen niet eens te kiezen als dat niet in zijn opzet past. De auteur van een toneelbewerking of een filmscenario mag ter wille van de dramatische kracht de plot van een roman vereenvoudigen of bepaalde figuren weglaten, zonder dat deze ingrepen de geldigheid van zijn adaptatie principieel aantasten. Maar de vertaler is onvrij in zijn commentaar. Over zijn lezing van de tekst moet hij zoals gezegd verslag uitbrengen, maar wel zodanig dat hij in zijn weergave zo weinig mogelijk afwijkt van de brontekst, zoals hij deze als lezer geanalyseerd en begrepen heeft. Zijn verslag moet op z’n minst in intentie waarheidsgetrouw zijn. Alleen op die voorwaarde kan zijn vertaling door het publiek als een substituut van de brontekst gezien worden. Hij heeft als het ware een vertrouwenspact met het publiek.

Met deze termen – waarheidsgetrouw, vertrouwen – begeef ik me langzamerhand op een ander, meer ‘ethisch’ vlak: het gaat hier om de ‘opdracht’ (Aufgabe) van de vertaler, zijn ‘plicht’ tegenover de auteur en het lezerspubliek. Maar misschien sticht het woord ‘ethisch’ hier verwarring, want de huidige discussies over ‘ethiek’ in de vertaalwetenschap gaan over andere zaken (zie het recente congres ‘Doe ik het goed? Ethiek en deontologie van het vertalen en schrijven’ in Antwerpen georganiseerd door Winibert Segers en Jean-Yves Le Disez [zie het dossier Vertalen en ethiek elders in dit nummer, red.]). Hoe dan ook, op de vertaler rust een dubbele verplichting: een ‘intellectuele’, namelijk de plicht een tekst zo scherpzinnig mogelijk te lezen, en een ‘morele’, die inhoudt dat hij in zijn reconstructie van de tekst afziet van elke al te persoonlijke inbreng, dat hij zich zuiver en alleen dienstbaar opstelt. Er zit overigens wel iets paradoxaals aan deze dienstbaarheid: er bestaat geen ‘objectieve waarheid van de tekst’. Door zijn lezing en interpretatie heeft de vertaler hoogstens ‘zijn’ waarheid van de tekst benaderd. In zijn weergave van de tekst moet de vertaler dus in feite trouw aan zichzelf blijven. En toch mag hij in zijn persoonlijke verslag van zijn persoonlijke lezing niet al te ‘persoonlijk’ zijn. Misschien wordt dit duidelijker als ik een beroep doe op een ander begrip: de vertaler lijkt op een getuige die verslag doet van een belevenis. Een getuige hoeft niet alle aspecten van een gebeurtenis te hebben meegemaakt of perfect te hebben doorzien, het tegendeel is juist meestal waar. Maar hij moet wel exact vertellen hoe hij de gebeurtenis ervaren heeft, anders is hij een leugenaar. Hetzelfde geldt voor de vertaler: in dit opzicht is zijn vertaling ook een vorm van getuigenis, een getuigenis over een leeservaring.

Woorden als ‘getuige’ of ‘getuigenis’ kan men niet zonder enige schroom hanteren. Het zijn beladen begrippen, die in de literatuurwetenschap opgang hebben gemaakt in het kader van de zogenaamde holocaust studies. Het lijkt riskant om deze begrippen in overdrachtelijke zin naar het gebied van de vertaling te transponeren. In het hierboven aangehaalde voorbeeld van De Dagboeken van Anne Frank passen ze natuurlijk uitstekend: gezien de aard van deze teksten heeft een zo accuraat mogelijke vertaling daarvan duidelijk een historische, maatschappelijke, morele functie. Maar in hoeverre geldt dat voor literaire vertalingen in het algemeen? Er zijn waarschijnlijk vele manieren om deze vraag te beantwoorden, maar voor mijn part zou ik de geldigheid van het begrip getuigenis met twee voorbeelden willen illustreren, die zich op twee zeer verschillende niveaus bevinden. Overigens is het meest in het oog lopende verband tussen de twee voorbeelden het feit dat ikzelf in beide gevallen de door gewetensbezwaren geplaagde vertaler ben.

Het eerste voorbeeld betreft dit ‘sluipend gif’ dat de integriteit van de vertaling kan aantasten, namelijk de zelfcensuur van de vertaler. In Huid en haar van Arnon Grunberg komen bij herhaling scènes voor waarin seksuele gemeenschap tussen twee mannen op een manier wordt voorgesteld die gemakkelijk als beledigend, met andere woorden als homofoob, kan worden ervaren – in onze huidige maatschappijen een groot taboe. Dit zou voor een vertaler voldoende reden kunnen zijn om de opdracht te weigeren – hierin komen we overigens één van de onderwerpen tegen van de actuele discussies over ‘de ethiek’ van de vertaler. Maar als hij de opdracht eenmaal heeft aangenomen is het zijn ‘plicht’ om deze taferelen in al hun weerbarstigheid weer te geven, met uitschakeling van zijn eventuele persoonlijke afkeer van het beschrevene, met andere woorden als een getuige die een voor hem pijnlijk voorval beschrijft. Dit vereist van de vertaler een verscherpte aandacht en een hoge mate van zelfkennis en zelfbeheersing, want verdoezeling, eufemisme, kortom zelfcensuur, is meestal een nauwelijks bewuste reactie op als choquerend ervaren uitingen. Het tweede voorbeeld betreft, wellicht op verrassender wijze, stilistische keuzes. In zijn meest recente werken zoals ’s Nachts komen de vossen en vooral Brieven aan Poseidon hanteert Cees Nooteboom veelal een poëtisch proza waarvan één van de vaste kenmerken de syntactische stijlfiguur van de nevenschikking is, ook daar waar men in een meer discursieve stijl bijvoorbeeld een verklarende bijzin zou verwachten. Dit geeft zijn lange zinnen een zeer herkenbaar ritme, waarbij de elkaar opvolgende, door komma’s gescheiden toevoegingen het beeld oproepen van een steen die steeds verder ketst voor hij eindelijk tot stilstand komt. Het is alsof deze zinnen tegen hun einde enigszins in ademnood verkeren, maar van geen ophouden weten. Uiteraard zal een ervaren vertaler deze structuur als een saillant kenmerk van de tekst, misschien zelfs als een typisch idiolect van de auteur onderkennen en deze stijl zo veel mogelijk trachten te reproduceren, wat in de meeste gevallen ook geen noemenswaardige problemen oplevert. Er zijn echter passages waarbij deze nevenschikking, juist doordat zij weglating van logische verbanden veronderstelt, voor enige onduidelijkheid of onbeslistheid in de betekenis kan zorgen. Dan komt de vertaler in conflict met zichzelf: als een explicitering de coherentie of precisie of ‘diepgang’ van de betekenis ten goede komt, waarom dan niet van de structuur van de zin afwijken, op voorwaarde natuurlijk dat de esthetische schade beperkt blijft? Als de vertaler dat doet, stelt hij zich in dienst van een soort lectio difficilior van de tekst. Hij grijpt namelijk bewust in en verandert iets aan de stijl. Het begrip ‘getuigenis’ reikt hem noch hier noch elders een pasklare oplossing aan, maar kan hem als leidraad dienen bij de zelfreflectie die voorafgaat aan zijn uiteindelijke keuze: hoe kan ik mijn eigen leeservaring het beste benaderen, het meest trouw blijven in mijn weergave? Uiteindelijk is de ‘trouw aan zichzelf’ van de vertaler hier de enig mogelijke vorm van ‘trouw aan de tekst’.

Besluit
Na deze lange tocht langs verschillende teksten en begrippen lijkt het waarschijnlijk alsof ik ver ben afgedwaald van mijn oorspronkelijke vraag: ‘wat staat er eigenlijk?’ In werkelijkheid ben ik om die vraag heen blijven cirkelen; hoogstens heb ik hem gaandeweg geherformuleerd als ‘wat denk ik dat er staat?’, wat hier – het moge nu duidelijk zijn – op hetzelfde neerkomt. Deze vraag is uiteindelijk de primum movens van elke vertalende handeling.

Verder valt hier eens te meer op dat als men de essentie van het vertalen probeert te vatten, men dat toch altijd slechts bij benadering doet, en door zijn toevlucht te nemen tot beelden of metaforen – wat begrippen als ‘commentaar’ of ‘getuigenis’ bij mij uiteraard ook zijn. En daar blijf ik me over verbazen, over deze onmogelijkheid om tot de kern van de zaak door te dringen. In mijn verwoede pogingen om aan deze aporie te ontsnappen blijf ik literatuur- en vertaalwetenschappers steeds maar weer begrippen ontfutselen die ik vervolgens met wisselend succes naar mijn hand probeer te zetten. Dit keer was vooral getuigenis aan de beurt. Kan dit begrip behulpzaam zijn om de aard van het leesverslag dat een vertaling is enigszins te benaderen? Het is aan de echte vertaalwetenschappers om het op zijn geldigheid te toetsen. En ook al doe ik niet veel meer dan af en toe in hun geschriften grasduinen, toch acht ik deze dialoog met wetenschappers onmisbaar voor een goed begrip van de activiteit waarin ik zeker het meest van mezelf heb gelegd, het vertalen.

Dit artikel is een sterk bewerkte versie van een lezing gehouden tijdens de landelijke vertaalmanifestatie ‘Nederland Vertaalt’ op 25 februari 2012, ter gelegenheid van de uitreiking van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs / Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs voor Vertalingen 2012 aan Frans Denissen.

De gegevens over Tylia Perlmutter heb ik te danken aan Mirjam de Veth, die momenteel aan een artikel over de zusters Perlmutter werkt.

 

Bibliografie
Brassinga, Anneke. 2010. Steikzwulle sweipels. Over de noodzaak van literair vertalen. Eindhoven: AFdH uitgevers.

Broeck, Raymond van den. 1999. De vertaling als evidentie en paradox, Antwerpen: Fantom.

Eco, Umberto. 1989. Lector in fabula: De rol van de lezer in narratieve teksten. Vertaald door Yond Boeke, Amsterdam: Bert Bakker.

Levý, Jiří. ‘Vertalen als besluitvormingsproces’ [vertaald door Baukje Felderhof], in: Ton Naaijkens e.a. (eds.), Denken over vertalen. Tekstboek vertaalwetenschap. Nijmegen: Vantilt, p. 135–147.

Naaijkens, Ton. ‘Een wereld van verschil. Over taal en cultuur in vertaling’, in: S. Evenepoel, G. Rooryck, H. Verstraete (eds.), Taal en cultuur in vertaling. De wereld van Cees Nooteboom. Antwerpen/Apeldoorn: Garant.

Noble, Philippe. 2002. ‘Ontwikkeling van een vertaler’, Filter, 9:1, p. 75–78.

Ricoeur, Paul. 2008. ‘De vertaling als uitdaging en geluksgevoel’ [vertaald door Désirée Schyns], Filter, 15:1, p. 71–75.

Lees meer over: