Glossen in de marge van de roman Memorandum van Marlene van Niekerk    16-20

Jacq Vogelaar

Misschien wordt dit wel een staaltje ‘inlezen’ – als het een goocheltruc is, wil ik in elk geval laten zien hoe die werkt.

Waarom kies ik uitgerekend de roman Memorandum van Marlene van Niekerk als mijn ‘vertaalmoment’ in een overzicht van 2008? De vertaling is precies een jaar geleden verschenen, ik heb er in De Groene over geschreven, maar het is een boek dat er in de stroom van titels ook na een jaar nog uitsteekt – of er dwars op zit. Over de vertaling kan ik niets zinnigs zeggen, ik bespreek regelmatig vertaalde boeken, zelden vertalingen, en dat vooral om praktische redenen.1

Het vertalen van dit boek lijkt me een lastige klus. Gelukkig heeft Marlene van Niekerk er zelf iets over gezegd, een schrijver die er zelf over kan oordelen. In Filter 1 van de vorige jaargang staat een lezing van haar vertaald: ‘Het enzovoort-karakter van dingen’.
Op de eerste pagina heeft zij een beeld voor het vertalen, dat – onbedoeld, neem ik aan – direct past bij een vertaalslag2 in de roman zelf.

Inlezen: bij herlezing met in het achterhoofd het trefwoord ‘vertalen’ komt de roman er als in een anamorfose anders uit te zien. Het boek blijkt dan óók over vertalen te gaan.

Aan een anonieme Engelse mysticus uit de veertiende eeuw ontleent Van Niekerk in haar lezing de uitdrukking The Cloud of Unknowing (door haar of haar vertaalster vernederlandst tot De Wolk van Onwetendheid/Ontweten). Hoe nader de gelovige tot God komt hoe beter hij hem kent én hoe minder hij weet. Zo ook, stelt Van Niekerk, zijn de dingen gehuld in een surplus aan betekenissen; toch kunnen we ze alleen benaderen door wolken van interpretatie: vertolkingen, vertalingen, projecties oftewel bemiddelingen.3 Inderdaad, daar gaat ook de roman over, voor ’n deel althans.

Ik ga het boek hier niet nog eens bespreken, maar om mijn kijk erop te kunnen formuleren moet ik er toch iets over vertellen; dat wordt parafraseren.

Op de vooravond van een hernieuwde ziekenhuisopname en een waarschijnlijk hachelijke leveroperatie, reconstrueert meneer Wiid in de nacht van 11 op 12 april 2006 een andere nacht. Een half jaar geleden lag hij op de intensive care tussen twee mannen die onafgebroken met elkaar in gesprek waren, over zijn hoofd heen, letterlijk: ze zagen hem niet liggen. Hij hield zich al die tijd gedeisd, een en al oor.

Dertig jaar lang is hij ambtenaar voor stadsverfraaiing geweest, maar hoewel het tweetal het voortdurend over ‘ruimte’ heeft, begrijpt hij vrijwel geen woord van wat ze zeggen. Beiden hebben Poetica van de ruimte van Gaston Bachelard gelezen (in het Engels). De een (X), wiens voeten geamputeerd zijn, is waarschijnlijk ornitholoog, de ander (Y) moet zoiets als een architect zijn; en hij is beide ogen kwijt.

In realistische termen is het onwaarschijnlijk dat een redelijk ontwikkelde, maar toch beperkte man als Wiid dat hele nachtelijke gesprek, ook nog eens na zo lange tijd, van begin tot eind kan weergeven. Eén verklaring is dat hij al als kind papegaaitje werd genoemd omdat hij iedereen napraatte; in zijn beroep werd hij een meester van de klakkeloze herinnering.
Van Niekerk heeft nog een list verzonnen om het staaltje geheugenkunst technisch aannemelijk te maken. Alle woorden en uitdrukkingen die de man niet kende, heeft hij fonetisch opgeschreven. Met dat spiekbriefje gaat hij na zijn ontslag naar de bibliotheek en werkt zo, met behulp van een gewiekste bibliothecaris, de hele lijst af. In zijn verslag staan die woorden vet gedrukt, en achterin het boek worden ze in ‘Memorandum 1’ (Addendum 2) een voor een behandeld.

Bijvoorbeeld nr. 15: ‘aars-moer-antie’? wordt moeizaam gereconstrueerd als ‘Artis bene moriendi: kunst van het goede sterven’. En in dezelfde geest nr. 25: ‘army-kist-mors/mot-iets’? blijkt ‘amicus mortis, een vriendschap die je tot aan het uur van de dood bijstaat’. Beide begrippen slaan rechtstreeks op de band tussen de twee mannen, die elkaar in het ziekenhuis getroffen hebben, geestverwanten.

Memoramdum

De ambtenaar mag dan hun intellectuele koeterwaals onbegrijpelijk vinden, hij heeft wel een goed oor voor hun subconversatie. Geleidelijk merkt hij dat hun gesteggel tactisch bedoeld is, de ander pesten om hem tot doorgaan te prikkelen. Bovendien ontdekt hij dat juist mensen met verwante ideeën het hartgrondig met elkaar oneens kunnen zijn.

Dat is ook een soort vertalen wat de man doet die zich tussen X en Y als Z situeert (‘onze stille bootsman’ noemt hem een van de twee).

Hetzelfde gebeurt in bredere zin: als het op het eerste gezicht zo getrouw mogelijke verslag van die nacht de schering is, dan is zijn eigen verhaal de inslag (of omgekeerd) – bij stukjes en beetjes verknoopt hij zijn eigen levensverhaal, dat hij anders nooit geschreven zou hebben, met het verslag. Zoals hij het zelf onder woorden brengt:

Soms kon ik slechts losse woorden of zinsdelen onderscheiden: schrijn, uitgeschraapte, afgezaagde, contemplatie van verrotting, verziend met betrekking tot vergankelijkheid. In de lange stilte probeerde ik voor mezelf zinnen te construeren met deze woorden. Nu, uit een perspectief achteraf, en met mijn nieuwverworven kennis van zaken, kan ik (of denk ik te kunnen) het gemor van mijn kamergenoten nog veel helderder formuleren.
Misschien is dit alles meer een vertaling van mijn eigen kwellingen.
Of een weergave van een stuk bladmuziek door een pianist.
Wat kan men anders doen met geheimtaal die roept om gehoord te worden?
Niet dat ik het zelf zou kunnen verzinnen, dat is weer een van de vele stellingen van Joop [de hulpvaardige bibliothecaris, die gaandeweg steeds belangrijker wordt, jfv]: dat een goede vertaling betekenissen aan het licht brengt die in het oorspronkelijk waren toegedekt.4

Nog geen kwartier later – in het verslag staat precies aangegeven hoe laat het intussen is, zo exact dat het, als hij in een kwartier hele pagina’s geschreven blijkt te hebben, hoogst onwaarschijnlijk wordt: denkt de lezer ook eens over het schrijven na! – vraagt hij zich, tegenover de ‘geachte lezer’, af ‘hoe ik in godsnaam in de verleiding ben gekomen om een zogenaamd “memorandum” over andermans leed te willen schrijven. Het is hún werk dat ik hier zit te doen.’

Behalve vertaler wordt hij ook nog eens schrijver.

Ondertussen gebeurt er van alles, veel meer dan in het verslag staat, niet alleen meer dan het duet van Y en X maar ook dan de spiegeling van Z’s verhaal.

J.F. Wiid, hoofd – en uitvoerend ambtenaar SVRI (1988–2004), wordt een ander man. Dat is geen metamorfose in die bewuste nacht op de ic, maar stap voor stap, door zich de woorden van de twee eigen te maken, door ze te vertalen, wordt hij in hun wereld ingewijd; met terugwerkende kracht alsnog een gelijkwaardig gespreksgenoot. Hij ontpopt zich als iemand die hij ook had kunnen zijn.

Een keerpunt in zijn onderzoek is de ontdekking dat alles wat de twee heren die nacht zeiden een toespeling kon bevatten. Hij ontdekte er ook de poëzie door, zou je kunnen zeggen.
Maar, ook komt hij tot het besef dat hij voorheen niet heeft gezien in wat voor armetierige wereld hij leefde, die van de doelmatigheid waarvoor maar één wet gold: dat alles zo ongehinderd mogelijk van A naar B gesluisd werd, de transparantie als ideaal; zelfs zijn eigen interieur, in zijn huis en in zijn binnenste, was prozaïsch. Dat hij het ontzag voor de eruditie van de twee heren kwijt is en al onderzoekend (de moeilijke woorden vertalend en aldus kennis opdoend) in een duizelingwekkende wereld van nieuwe woorden en betekenissen wordt ingevoerd, is positief; ondertussen raakt hij wel mooi zijn zekerheden kwijt. De keerzijde is dat in zijn wereldbeeld een gat valt, het raakt lek.

Wiid weet meer, ontdekt dat iets zelden maar één betekenis heeft, maar hij wordt er niet wijzer van. Integendeel, de dingen hebben bij nader toezien meer dan één betekenis; bovendien haalt het een het ander uit; achter elk verhaal zit een ander verhaal. Zie maar wat er aan voetnoten nodig is, in de tekst, nog afgezien van het spiekbriefje met uitleg van de moeilijke woorden in Memorandum 1.5

Het gonst in en om het hoofd van Wiid – als hij het hoofd in de wolken heeft dan is het een mist van onwetendheid. Op dit punt is de vertaling ‘wolk van ontweten’ veel preciezer: de toegenomen kennis omtrent één ding lokt een veelvoud van nog-niet-weten of niet-meer-weten (ontweten) uit.

Als Wiid zover is, bij het aanbreken van zijn laatste dag (’s ochtends tegen vier uur – bij het aanbreken van een nieuwe, misschien zijn laatste dag – is hij ver heen. Dan wordt hij al belaagd door vragen als ‘Hoe ben ik ziek geworden? Waar is het begonnen? En waarom?’ En hij komt tot het voor een man die tot dusver in een rechtlijnige wereld heeft geleefd onthutsende inzicht dat ‘alles bemiddeld moet worden, het grote door het kleine, door deelname, door spiegeling en vertaling.’

Is het dan vergezocht te veronderstellen dat het begrip ‘vertalen’ in deze roman een reeks van vertalingen genereert – zo de roman niet zelf een en al vertaling is, een demonstratie in elk geval.

En wederom kan de hoofdpersoon als zegsman dienen; ik hoef de zojuist aangehaalde passage die begint met ‘Alles moet bemiddeld worden…’ maar verder te citeren:

In de stad door het centrum, in het lichaam door de lever. Maar een doorstroombare buis was mijn model voor alles, een aanvoerleegte waarvan men de binnenkant zo open en glad mogelijk moest houden. Zodat dingen vlotten, ongehinderd als een boodschap in gewone mensentaal. Misschien was dat de fout? De kunst ligt blijkbaar in de belemmering. (134)

Ik weet niet wat er in het oorspronkelijk heeft gestaan, en dat is in dit geval misschien maar goed ook: nu kan ik denken dat Wiids ontdekking van de belemmering – de ontdekking dat omwegen, zijwegen, dubbelzinnigheid een rijker mengsel opleveren dan schijnbaar transparante taal, dat poëzie het tegendeel van realisme is – een verwijzing inhoudt naar essays van Samuel Beckett over zijn Nederlandse schildervrienden Geer en Bram van Velde, waarvan het tweede getiteld was ‘Schilderkunst van de belemmering’ (1948). Een citaat daaruit: ‘Het object van de uitbeelding verzet zich altijd tegen uitbeelding. De schilderkunst heeft zich bevrijd van de illusie dat er meer dan één uit te beelden object bestaat, misschien zelfs van de illusie dat dat unieke object zich laat uitbeelden.’6

Als een lezer op Memorandum door zou willen schrijven, wat ik in de praktijk de beste invulling voor mijn begrip ‘terugschrijven’ vind, zou het zinnetje over de noodzaak van bemiddeling oftewel vertaling een vruchtbaar aanknopingspunt kunnen zijn; het zou ook de noemer kunnen zijn waaronder men vertaling en kritiek met elkaar kan vergelijken.
Als de vertaler alles in het werk stelt om een tekst van de ene oever naar de andere over te brengen, kijkt de criticus naar het achterland van beide oevers oftewel de contexten. Mijn bespreking van Memorandum begon ik daarom met het trekken van een paar lijnen van deze roman naar de twee die eraan voorafgingen: alle drie zijn de situaties sterfhuisconstructies: uitgestelde sterfscènes die zich afspelen op het braakland tussen leven en dood. En in alle drie romans gaat het om overbodigen.

Een moeilijkheid die een recensent en criticus altijd parten zal blijven spelen is dat hij een fictief boek bespreekt. Alles wat hij over een boek zegt gaat over een boek dat hij door het samen te vatten of te karakteriseren zelf fabriceert. Zolang de lezer van de kritiek het boek zelf niet gelezen heeft moet hij de bespreker maar vertrouwen – net zoals de lezer van een vertaald boek als hij het oorspronkelijk niet kent de vertaler moet vertrouwen. Een voorbeeld. Ik had het over de voetnoten en de woordenlijst in Memorandum. Voor een recensent, plaats en naam doen er niet zo toe, waren al die noten niet meer dan erudiet vertoon van de schrijfster; nog erger was volgens hem de ironische distantie waarin deze hele geschiedenis was gedoopt: ‘De ware ontwikkeling van de eenzame en verknipte mens Wiid ontbreekt.’ Het is maar wat je wilt lezen. Die recensent had kennelijk niet willen zien dat de noten als het ware voetafdrukken waren van een inwijdings- en ontwikkelingsproces, sporen van de bewustwording van ‘iemand die ongeschoold in duistere gebieden moest gaan graven.’ Als demonstratie van opzoeken, naslaan en verheldering door ‘vertaling’ is de roman zonder meer uniek.

Wanneer leren lezers, vooral beroepslezers, het eens af een op een te lezen? De meest elementaire, zeg maar preliminaire vraag is toch niet wat het onderwerp (in de zogenaamde realiteit) is, maar wat de tekst erover zegt – en wie het zegt is een tweede.

Het zou de moeite zijn om voor de tegenstelling letterlijke en vrije vertalingen met alle variaties vandien een analogie te zoeken in de kritiek. Waartoe leidt bijvoorbeeld het actualiseren van een gedateerde tekst? In Memorandum geeft de schrijver van het verslag, zo men wil, een actuele reprise van de oude trits translatio-imitatio-aemulatio – misschien is het zelfs een roman over retorica. Zo begon literatuur – en in Memorandum kun je in één nacht volgen hoe een amuzische man al doende schrijver wordt.

Marlene van Niekerk, Memorandum. Vertaald door Riet de Jong-Goossens. Amsterdam: Querido, 2007.

 

Noten
1 Het voert te ver om hier in te gaan op dat verschil. Als ik bij het bespreken van vertaalde boeken zelden of nooit op de vertaling inga, dan is dat vooral om praktische redenen, bijv. dat ik het oorspronkelijk niet binnen handbereik heb of de betreffende taal niet kan lezen. Een praktische reden is ook dat mijn commentaar al zoveel werk en aandacht vereist. Bovendien vraag ik me af of je in een krant vertaalkwesties kunt bespreken.
2 In mijn driedelige Van Dale staat het woord niet, maar wel in de editie die ik op mijn computer heb: vertaalslag, ‘omzetting van een idee, een regel e.d. naar een andere situatie’. Grappig om te zien hoe het overdrachtelijke van vertalen zelf weer metafoor wordt.
3 Toevallig kwam ik een dezer dagen een vergelijkbare gedachte tegen bij Le Clézio waar hij opmerkt dat ‘de wereld op de taal vooruit is’ – de schrijver is er dan op uit, taal en wereld (weer?) op elkaar te betrekken.
4 Van Niekerk heeft het in haar lezing over onvertaalbaarheid, met name waar het in Agaat gaat om verschillende talen die in de tekst met elkaar in gesprek raken. Dat is de oorspronkelijke betekenis van ‘intertekstualiteit’ bij Bachtin: de dialoog tussen verschillende soorten taal in een roman of andere tekst. Intertekstualiteit als geheel van literaire en andere culturele verwijzingen, vaak alleen maar een spelletje, is daarvan een derivaat. In Memorandum gaat het onder meer om de taal van de ambtenaar, die van de erudiete bedlegerigen, die van de woordenboeken, de naslagwerken enzovoort.
5 Memorandum 1 (Addendum 2) is de verklarende woordenlijst achterin (van de 38 woorden weet hij er maar één niet te achterhalen, ‘boere-kwie-poe’: ‘niet slecht voor iemand die ongeschoold in duistere gebieden moest graven’. Memorandum 2 is een tabel met tijden en handelingen: een vooruitblik op de operatie van morgen en wat hem erna te wachten staat, ‘een kostuumrepetitie voor een operatie’: ’n soort berekening die als slotsom onder de streep het besluit oplevert dat hij zich niet meer laat opereren. Memorandum 3 is het verslag van de nacht op de intensive care, oktober 2005, geschreven in de nacht van 11/12 april 2006, dit boek.
6 Oorspronkelijk schreef Van Niekerk haar boek bij zestien schilderijen van haar vriend Adriaan van Zyl, een hospitaalreeks. De gesprekken van de twee buren op de ic gaan voor een belangrijk deel over een passende ruimte voor ziekte, sterven en dood, met als tegenbeeld de feitelijke verhoudingen in een ziekenhuis. Dan mag je verwachten dat behalve de ruimte ook de schilderkunstige verwerking ervan in de tekst doorschemert. Vandaar mijn associatie met Beckett, aan wie ik bij de roman Agaat van Van Niekerk al vanaf de eerste pagina moest denken.

Lees meer over: