Huydecoper verkoopt zijn huid    33-50

Over vertaalhistorie en vertalersironie

Theo Hermans

Inleiding
Laat ik beginnen met mijn uiteenzetting alvast samen te vatten. Vertalers en vertalingen zijn cultuurhistorisch van belang, niet zozeer omdat ze anderstalig cultuurgoed binnenhalen en doorgeven, maar omdat ze er op een bepaalde manier mee omgaan. Die omgang wordt gevoed door, en voedt op zijn beurt, affiniteiten en discrepanties die samenhangen met de normen- en waardesystemen van verschillende groepen, instituties en gemeenschappen. In deze context heeft het nut te speuren naar de attitudes waar vertalers bij de omgang met hun grondstof blijk van geven. Aangezien vertalers in hun vertalingen echter niet uitsluitend in hun eigen naam maar op een complexere manier aan het woord zijn, moeten we eerst het indirecte spreken van vertalers ontrafelen. Ironie is in dit opzicht een handzaam begrip, omdat het verwijst naar een dubbelzijdig taalgebruik waarbij het ongezegde evengoed als het gezegde relevantie bezit en het verschil tussen die twee een attitude te kennen geeft. Maar om het ironische spreken van vertalers te plaatsen, hebben we een model nodig van het spreken van vertalers als zodanig. Zo’n model kunnen we tot stand brengen door vertalen te zien als een vorm van citeren. Om dat model aannemelijk te maken moeten we terug naar een theorie van het citaat. Zo’n theorie is er.

Hiermee heb ik, in omgekeerde volgorde, de voortgang van mijn betoog aangegeven. Beginnen we dus met de onderbouw, bij een beschouwing over citaten. 

Het uitbeelden van vertalen
Een voor onze doeleinden geschikte benadering van citaten vinden we in het essay ‘Quotations as Demonstrations’ van Herbert Clark en Richard Gerrig (1990). Clark en Gerrig bouwen hun benadering op een ‘uitbeeldingstheorie’. Die gaat uit van het onderscheid tussen beschrijven en uitbeelden, een onderscheid dat overeenkomst vertoont met de klassieke Aristotelische tweedeling in diëgesis en mimesis. Bij mimesis komt betekenis tot stand, niet door middel van beschrijvend taalgebruik, maar door middel van nabootsing, demonstratie, vertoning, animatie, simulatie, reproductie (1990: 765, 776). Je kunt met woorden beschrijven hoe iemand loopt, en je kunt die manier van lopen nadoen. Mimetische uitbeeldingen bevatten overigens behalve hun simulerend karakter ook een deictisch aspect. Zij verwijzen naar een eerdere handeling, en die verwijzing komt op rekening van de simulator. 

Clark en Gerrig beschouwen uitbeeldingen als parasitair ten opzichte van ‘gewone’ handelingen. Het zijn gespeelde, tussen haakjes geplaatste, niet-ernstige handelingen. De acteur imiteert tijdelijk een ander. Dat simuleren vereist het opschorten van het handelen in eigen naam. Simulatie van de ander gaat gepaard met dissimulatie van het zelf. Om verwarring met gewone, ernstige handelingen te voorkomen, worden uitbeeldingen daarom meestal aangekondigd en afgesloten door afgrenzende signalen die de vertoning als het ware tussen haakjes zetten. Nog een punt van belang is dat uitbeeldingen het uitgebeelde selectief weergeven. Niet alle aspecten van een demonstratieve handeling zijn voor de demonstratie relevant: ik kan André Agassi nadoen en pretenderen een tennisbal te serveren met een racket in mijn rechterhand, ook al is Agassi linkshandig (1990: 768).

Volgens Clark en Gerrig kunnen we citaten nu beschouwen als uitbeeldingen van eerdere taalhandelingen. Alles wat voor de uitbeeldingstheorie geldt, gaat ook op voor citaten. Citaten zijn mimetisch van aard, maar doorgaans ingebed in een diëgetische omgeving. De typische structuur van een citaat, bijvoorbeeld in een zin als die waarin iemand meedeelt:

(1) Gisteren zei Anna: ‘Ik zal het tegen morgen vertalen’

is die van een naamwoordgroep plus een predicaat (‘Anna zei x’), dat wil zeggen een beschrijvende inquit-frase met de rapporteur als subject gevolgd door het citaat als object. Het citaat zelf vertoont twee kanten. Het verwijst naar een voorbije uiting, en die verwijzing komt op rekening van de rapporteur, en vervolgens vormt het als nabootsing een ingebedde, gespeelde, tweedegraads taaluiting. 

Met dit verschil hangen kwesties van distantie en aansprakelijkheid samen. Bij beschrijvingen dragen sprekers de verantwoordelijkheid voor hun woorden. Bij citaten zijn zij alleen aansprakelijk voor de presentatie van het geciteerde, en dan nog uitsluitend voor de presentatie van die aspecten die zij beogen uit te beelden. De verantwoordelijkheid voor het gerepresenteerde berust bij de oorspronkelijke spreker (1990: 792). De socioloog Erving Goffman (1981: 144 e.v., 226 e.v.) zou zeggen dat bij een citaat de spreker slechts als ‘animator’, als spreekbuis, optreedt en dus wel aanrekenbaar kan zijn voor het presenteren van het citaat maar niet instaat voor de compositie van het script en zeker niet voor de visie die in de verwoording besloten ligt.

Een kwestie die hier zijdelings mee samenhangt, betreft het gezichtspunt dat de lezer of hoorder in het citaat geboden wordt. Bij (1) kiest de spreker niet zichzelf maar Anna als het gezichtspunt van waaruit Anna’s woorden worden weergegeven. Bij een zin als 

(2) Anna zei gisteren dat ze het tegen vandaag zou laten vertalen

ligt dat anders. Hier verschijnen Anna’s woorden in de indirecte rede en dient de extradiëgetische spreker als oriëntatiepunt, zodat het ‘morgen’ uit (1) nu ‘vandaag’ geworden is. De weergave van Anna’s woorden neigt meer naar beschrijving dan naar uitbeelding. Troebeler is de situatie bij zinnen als

(3) Ze zou het tegen vandaag laten vertalen
(4) Ze zou het tegen morgen laten vertalen.

In zin (4) is volgens Clark en Gerrig (1990: 786-7) het belovende, ‘commissieve’ aspect (Janssen 1997: 83) van Anna’s woorden nagebootst en niet beschreven, zodat de weergave als een uitbeelding mag gelden. Het gebruik van de derde persoon en de voorwaardelijke wijs duidt er in de beide gevallen op dat Anna’s woorden gefilterd door de rapporteur tot ons komen. Zin (3) focaliseert ook vanuit de rapporteur (vandaar het gebruik van ‘vandaag’). Daarentegen is (4) in de vrije indirecte rede gesteld: hier neemt de rapporteur het gezichtspunt van de gerapporteerde spreker over. In Erving Goffmans termen kunnen we zeggen dat de rapporteur in beide zinnen meer is dan uitsluitend animator. Hij of zij heeft nu ook een aandeel in de verwoording, het ‘script’, en draagt daar dus ook enige aansprakelijkheid voor. In (3), dat via de rapporteur focaliseert, is dat ongetwijfeld meer het geval dan in (4). Deze kwesties komen zo meteen terug.

Ten slotte benadrukken Clark en Gerrig ook dat citaten selectieve simulaties van eerdere uitingen zijn. Door selectiviteit te releveren kunnen Clark en Gerrig benaderingen weerleggen die citaten beschouwen als woordelijk exacte (verbatim) weergaven van eerdere uitingen. Op die manier zijn zij in staat om ook vertaalde citaten als citaten aan te rekenen. In dit opzicht nemen zij stelling tegen bijvoorbeeld Nelson Goodman, die alleen woordelijk identieke herhalingen als citaten toelaat. Goodman (1978: 41-43, 53) geeft als voorbeeld de drie zinnetjes: 

(a) Jean a dit: ‘Les triangles ont trois bords.’
(b) John said: ‘Les triangles ont trois bords.’
(c) John said: ‘Triangles have three sides.’

Voor hem is (b) een geldige vertaling van (a), maar is (c) dat niet. Immers, (c) vertaalt niet alleen de inquit-frase maar ook de woorden tussen aanhalingstekens, en wekt daarmee abusievelijk de indruk dat Jean een Engels zinnetje geuit zou hebben. Aangezien het citaat niet de identieke Franse woorden bevat die Jean heeft uitgesproken, is het geen citaat. (Op de vraag of ‘Jean’ geldig vertaald is met ‘John’ gaan noch Goodman noch Clark en Gerrig in.) Voor Clark en Gerrig daarentegen bevat (c) wel degelijk een citaat dat op (a) terugslaat, zoals ook, uitgaande van het Nederlands, zowel (6) als (5) citaten bevatten:

(5) ‘Ik laat het tegen morgen vertalen’, Anna said
(6) ‘I’ll get it translated by tomorrow’, Anna said in Dutch

In de beide zinnen wordt in het Engels gerapporteerd over iets wat Anna in het Nederlands gezegd heeft. Goodman zou de woorden tussen aanhalingstekens in (5) ook als een citaat erkennen, maar die in (6) niet.

Het artikel van Clark en Gerrig is in een aantal opzichten van belang. Het heeft Brian Mossop (1998) goede diensten bewezen als steunbeer voor zijn theorie over wat vertalers eigenlijk doen wanneer ze vertalen. Ook voor Mossop is vertalen een vorm van citeren en dus van uitbeelden. Hij gaat eveneens in op voorbeeldzinnen als de bovenstaande. Hij stelt o.a., overeenkomstig Clark en Gerrig, dat (5) beschrijft dat Anna iets zei en vervolgens demonstreert wat ze zei én dat ze zich in het Nederlands uitdrukte, terwijl (6) beschrijft dat Anna iets zei en dat ze daarvoor gebruik maakte van het Nederlands, om vervolgens de inhoud en de illocutieve waarde (illocutionary force, Janssen 1997: 84) van wat ze zei te demonstreren

Het indirecte spreken
Een aantal elementen van wat we uit Clark en Gerrig kunnen leren, komen ons nog van pas, met name het markeren en afgrenzen van citaten, het selectieve aspect, de focalisatie-kwestie en de vraag naar aansprakelijkheid. Voor ik daarmee verder ga wil ik eerst, in het kort, nog twee aanvullende benaderingen schetsen die ons helpen het nevelige terrein van de al of niet vrije directe en indirecte rede beter te overzien. Voor de manier waarop vertalers in vertalingen in eigen dan wel in andermans naam spreken, zijn deze bijkomende beschouwingen van belang. Daarom eerst een woord over een essay van Dan Sperber (1985) en dan iets over de scriptie van Kristiina Taivalkoski-Shilov (2003).

In 1985 publiceerde de Amerikaanse antropoloog Dan Sperber, die later tezamen met de Londense taalkundige Deirdre Wilson de grondlegger zou worden van de relevantietheorie, een essay over etnografische representatie. Hoewel hij een andere terminologie gebruikt dan Clark en Gerrig, zijn sommige van zijn opmerkingen wel met hun benadering te rijmen.

Sperber onderscheidt ruwweg, en heel algemeen, twee soorten representaties, descriptieve en niet-descriptieve. Het onderscheid komt overeen met dat tussen diëgesis en mimesis. Descriptieve representaties hebben betrekking op een stand van zaken in de werkelijkheid en kunnen dus in principe al of niet waar zijn. Niet-descriptieve representaties komen in twee soorten: reproducties en interpretaties. Reproducties, bijvoorbeeld schaalmodellen en citaten, vertonen een ‘uiterlijke gelijkenis’ met het gerepresenteerde. Interpretaties omschrijft Sperber ietwat onbevredigend als alle representaties die geen descriptieve of reproductieve representaties zijn, dus als een omvangrijke en vage ‘restcategorie’ (‘a vast and vague residual category’, 1985: 13). Waar Sperber de directe rede, en daarmee citaten, als reproductie opvat, lijkt hij de indirecte rede als een interpretatie te beschouwen, tegelijk met samenvattingen e.d. Wat Sperber precies onder interpretaties verstaat, en hoe zij zich verhouden tot wat de relevantietheorie zal aanduiden als het ‘interpretatieve gebruik’ van taaluitingen, laat ik hier terzijde. 

Sperber wijst er ook op dat reproducties – denk aan foto’s of aan de grafische afbeelding van een metronetwerk – nood hebben aan een ‘descriptief commentaar’ (descriptive commentary) dat het gerepresenteerde object identificeert en het type representatie specificeert, m.a.w. een ‘gebruiksaanwijzing’ levert. Identificatie heet bij Clark en Gerrig het verwijzend of deictisch karakter dat ook in citaten zelf zit maar voor rekening van de rapporteur komt; de wenselijkheid om het type representatie toe te lichten, betrekken Clark en Gerrig op de selectiviteit van een uitbeelding.

Zo komen we op het punt dat voor mijn betoog telt. Het onderscheid tussen het descriptief commentaar – de ‘gebruiksaanwijzing’ – en de representatie, aldus Sperber, is duidelijk wanneer er twee verschillende media in het geding zijn, als het bijvoorbeeld gaat om een onderschrift bij een grafische afbeelding. Het kan echter vertroebeld raken wanneer zowel het commentaar als de representatie talig van aard zijn. Doorgaans staat in dit geval de ‘gebruiksaanwijzing’ in de hoofdzin en de representatie ofwel tussen aanhalingstekens, zoals bij de directe rede, ofwel in een syntactisch afhankelijke bijzin, zoals bij de indirecte rede. De hoofdzin identificeert de spreker en specificeert de spreeksituatie. De gerapporteerde uiting, het citaat, is de ingebedde mimetische reproductie – en daar rekenen we, op gezag van Clark en Gerrig, ook vertalingen onder.

Nu is de directe rede voor Sperber vrij onproblematisch (1985: 12). De overgang van hoofdzin naar ingebedde zin is daar duidelijk aangegeven door aanhalingstekens. In het geval van de indirecte rede daarentegen is het vaak niet goed mogelijk, aldus Sperber, het mimetische van het diëgetische, het gerapporteerde van het rapporterende discours te scheiden. Aan de gerapporteerde uiting kunnen zich allerhande vormen van condensatie, expansie en affectiviteit gehecht hebben die voor rekening van de rapporteur moeten komen, maar wanneer het oorspronkelijke citaat ontbreekt blijft dat kluwen vaak onontwarbaar. Bedenk hierbij dat, zoals ik hierboven aanstipte, Sperber het in eerste instantie over etnografische representaties heeft. De exacte woorden van de lokale informant zijn in het etnografisch rapport vaak niet meer te achterhalen. Bij vertalingen bestaan de originele uitingen in de meeste gevallen nog wel. Dat wil echter niet zeggen dat er over de betekenis van die originelen eensgezindheid bestaat. In die zin zijn Sperbers opmerkingen toch ook op vertalingen toepasbaar.

Bij de vrije indirecte rede is de kans op verwarring nog groter. Hier ontbreekt de omkaderende hoofdzin, zodat vaak in het ongewisse blijft of de taaluiting aan de rapporterende verteller of aan het gerapporteerde personage toegeschreven moet worden. De vrije indirecte rede, aldus Sperber, ‘laat de auteur toe een verhaal te vertellen “vanuit het gezichtspunt” van het personage, zodat de lezer zich met het personage kan vereenzelvigen. Hoe onbewuster deze identificatie blijft, hoe beter zij werkt’ (1985: 19). 

Een handig overzicht van al deze verschillende vormen van al of niet gemanipuleerde, al of niet vrije directe of indirecte rede, met een aantal tussenvormen en extremen, is te vinden in de scriptie van Kristiina Taivalkoski-Shilov, La tierce main (2003). Die studie gaat over het vertalen van gerapporteerde rede, maar bevat ook een hoofdstuk over de gerapporteerde rede als zodanig (2003: 22-42). Steunend op werk van Marguérite Lips, Brian McHale en anderen komt Taivalkoski-Shilov tot een continuüm dat een drietal variabelen integreert: 

(a) de graad van controle van de rapporteur over de gerapporteerde taaluiting: van absolute rapporteurscontrole tot het ontbreken van die controle;
(b) de syntactische relatie van de ingebedde tot de omkaderende uiting, gaande van afhankelijk (in de indirecte rede) tot autonoom (in de directe rede); en
(c) de verschuiving van een diëgetische naar een mimetische weergave van het gerapporteerde.

Het continuüm dat zij op deze manier construeert, omvat acht types, als volgt (Taivalkoski-Shilov 2003: 39; Nederlandse terminologie naar Herman & Vervaeck 2001: 98-100):

1 paraliptisch resumé, of omissie, waarbij de rapporteur melding maakt van het bestaan van te rapporteren woorden maar die vervolgens onderdrukt;
2 diëgetisch resumé, een samenvatting door de rapporteur;
3 diëgetisch verslag, dat het gerapporteerde discours al of niet samenvattend weergeeft in de bewoordingen en het register van de rapporteur;
4 indirecte rede, die het gerapporteerde discours volgt maar met de woorden van de rapporteur;
5 mimetische indirecte rede, een vorm van indirecte rede die het stijlregister van het gerapporteerde discours aanhoudt (een voorbeeld zou kunnen zijn: Antonio Tabucchi’s roman Sostiene Pereira, 1994);
6 vrije indirecte rede, een mimetische weergave van het gerapporteerde discours, met daarbij het ontbreken van een omkaderend rapporteursdiscours;
7 directe rede, met een rapporteur die instaat voor de diëgetische omlijsting en een gerapporteerde uiting die weliswaar ingebed ligt in het rapporteursdiscours maar daar syntactisch onafhankelijk van blijft;
8 vrije directe rede, gekarakteriseerd door de afwezigheid van een omkaderende hoofdzin (en voorbeeld is wellicht de dramatische monoloog zoals in Hugo Claus’ novelle De verzoeking).

Laat ik de belangrijkste punten tot nu toe samenvatten. Als het ophalen en afbeelden van een eerder gedane taaluiting kunnen we vertalen zien als een vorm van citeren. De vertaler is in die optiek een rapporteur, zij het een die het gerapporteerde niet diëgetisch beschrijft maar het mimetisch uitbeeldt (Folkart 1991, Mossop 1983, 1998). In principe is een vertaling daarmee een vorm van directe rede, maar zo eenvoudig ligt het niet. Ook een reproductie vertoont een deictisch aspect, waar de rapporteur voor tekent. Het beeld raakt verder vertroebeld door de selectiviteit van de weergave, door het feit dat bij een vertaling de woorden die we lezen onmiskenbaar van de rapporteur afkomstig zijn, en door mogelijke afgrenzingsproblemen die onduidelijkheid kunnen scheppen over wie er precies aan het woord is. Op die manier wordt een vertaling een mimetische uitbeelding waar het gezichtspunt van de vertaler in verweven zit en waar de vertaler een zekere controle over uitoefent – waarmee tegelijk de vraag naar de aansprakelijkheid weer boven komt. We zouden vertaling een vorm van directe rede kunnen noemen die aangetast is door indirecte rede. De semiotica Susan Petrilli spreekt over vertaling als ‘indirecte rede vermomd als directe rede’ (1999-2000: 12), een uitspraak die goed aangeeft hoe labiel het zwaartepunt wel is, zwalpend van een onduidelijke directe naar een al even onduidelijke indirecte rede. Het is deze ambivalente spreeksituatie die ruimte creëert voor ironie. 

Het vertalersvoorwoord als inzet
Ironie is, net als vertalen, een ambivalente vorm van spreken, een die voortdurend afstand neemt van zichzelf en daarmee de hoorder in het onzekere laat of de spreker voor eigen rekening spreekt of niet. Bij stabiele vormen van ironie levert de omkaderende, ‘ernstige’ uiting signalen die de gespeelde, ‘niet-ernstige’ uiting afgrenzen (Booth 1975). Bij vertalingen plaatst strikt genomen de blote aanduiding dat een tekst vertaald is het vertaalde al tussen aanhalingstekens. Wanneer een vertaling ook nog voorzien is van een voorwoord van de vertaler, wordt de relatie tussen de twee spreeksituaties nog aangezet. Ik meen echter dat een vertalersvoorwoord veel meer doet dan een vertalende uitbeelding afgrenzen. Voor ik daarom verder ga over ironie, eerst iets over de rol van dergelijke voorwoorden.

Op zich verduidelijkt het vertalersvoorwoord de spreeksituatie die bij vertaald werk geldt. Waar een vertaling die verschijnt zonder vertalersvoorwoord wellicht gelezen wil worden als een geval van vrije directe rede, lijkt het vertalersvoorwoord die vrije directe rede om te zetten in ‘gewone’ directe rede. In plaats van 

(7) ‘Ik laat het tegen morgen vertalen’

krijgen we als kader de extradiëgetische mededeling van de vertaler dat iemand anders iets gezegd heeft, gevolgd door een mimetische uitbeelding van het gezegde:

(8) Ik zeg dat Anna in taal x gezegd heeft: ‘Ik laat het tegen morgen vertalen’

De hoofdzin levert het descriptief commentaar, de gebruiksaanwijzing bij de reproductie. Let wel: in deze constructie vormt het voorwoord de hoofdzin, de eigenlijke vertaling het citaat, dat wil zeggen de ingebedde zij het syntactisch autonome zin. Maar er is meer.

Als gebruiksaanwijzing releveert het voorwoord het selectieve van de vertalende uitbeelding. Het verhoogt daarmee de inzet van een vertaling. Vanuit de gebruiksaanwijzing bezien is de eigenlijke vertaling weinig meer dan de illustratie van een bepaalde selectie uit een aantal mogelijke uitbeeldingstypes, en bijgevolg de illustratie van een vertaaloptie, een vertaalopvatting. Laat ik het iets sterker formuleren. De vertaling is dan een dramatisering van een bepaald type representatie, een representatie zonder origineel. Immers, waar het om gaat is niet zozeer de uitbeelding van dit of dat origineel, maar de keuze van een bepaalde vertalende simulatie in relatie tot andere – bestaande of beschikbare – simulaties en simulatietypes. Over die keuze gaat het in diëgetische vorm in het vertalersvoorwoord en in gedramatiseerde vorm in de eigenlijke vertaling. Zo komen we dicht bij de gedachte aan een vertaalspecifieke intertekstualiteit.

Maar ik wil een andere kant uit. Het vertalersvoorwoord markeert ook de inmenging van de vertaler in het vertaalde en herinnert daarmee aan de gespletenheid en meerstemmigheid die vertalingen kenmerkt. Doorgaans is de ideologie, dat wil zeggen de historische constructie, van het vertalen erop gericht die gespletenheid ongedaan te maken. De eisen van loyaliteit, non-interventie en transparantie die meestal aan vertalers gesteld worden, niet alleen door doorsnee gebruikers van vertalingen maar ook door vertaalkundigen van Anton Popovič tot Christiane Nord en Brian Harris, beogen de ongedifferentieerde vanzelfsprekendheid van het origineel intact te houden. Ze proberen die monologische homogeniteit te vrijwaren door de rol van vertaler tot die van animator te beperken of, anders gezegd, door vertaling als zuivere directe rede in stand te houden, met ontkenning van die andere aspecten die ik hier telkens naar voren haal door vertaling te duiden als een directe rede grondig geïnfecteerd door indirecte rede.

In een licht overtrokken voorstelling zou men de visie die vertalen als zuivere directe rede wil behouden, kunnen interpreteren als een terugverlangen naar de geborgenheid van de moederschoot, vóór de gespletenheid van het vertalen zich voordeed. Het vertalersvoorwoord verontrust – ‘verunheimlicht’ – deze visie doordat het de gespletenheid van het vertaalmoment, de dissociatie die met de geboorte van een vertaling gepaard gaat, in herinnering roept. Het vertalersvoorwoord verstoort daarmee het vanzelfsprekende van het vertaalde en kleurt de verhoopte transparantie van het vertalen. Belangrijker nog: de meerstemmigheid van vertalingen schept ruimte voor distantie en dissonantie, essentiële voorwaarden voor ironie.

Mocht de freudiaanse ondertoon van het voorgaande niet aanspreken, dan kan ik de zaak ook als volgt stellen. De aanwezigheid van een vertalersvoorwoord verhindert een onbevangen lezing van het vertaalde. Het eigen geluid dat de vertaler in het voorwoord laat horen voor het doek opgaat, blijft naklinken wanneer de vertoning – de uitbeelding – al op gang is. De acteur die ons vooraf vertelt hoe hij Hamlet gaat spelen, speelt vervolgens Hamlet als een acteur die Hamlet speelt. Wat we zien is niet langer een Hamlet waar we zonder meer in kunnen geloven, maar een nadrukkelijk gespeelde Hamlet: een illusieloze illusie. Het vertalersvoorwoord vermoordt de onschuld. We worden er medeplichtige toeschouwers door die getuige zijn van een zelfbewust acterende acteur. De modulering van de simulatie komt op de voorgrond, het hóe van de representatie wint het van het wát. Dat hóe is nu juist het domein van de vertaler. Zo ontstaat een door het vertalersvoorwoord aangekondigde marge waarbinnen zich een vertalersattitude profileert. Die marge is er altijd. Het voorwoord zorgt ervoor dat we die niet over het hoofd zien. 

De vertaler als ironicus
Als we dissociatie, distantie, dissonantie en attitude voegen bij het arsenaal dat we al hebben – de selectiviteit van de vertalende uitbeelding, waarbij de controle van de vertaler over de verwoording het mimetische karakter van de uitbeelding infecteert en ondermijnt – zijn we in staat om de vertaler op zijn minst als potentieel ironicus in te schatten. Maar wat betekent dat, de vertaler als ironicus?

In hun boek Relevance wijzen Dan Sperber en Deirdre Wilson erop dat ironie een tweedegraadsverschijnsel is, de interpretatieve representatie van een bestaande representatie. Een spreker maakt duidelijk dat naar een bestaande uiting of opvatting verwezen wordt, dat de spreker daar bovendien een bepaalde houding tegenover inneemt, en dat deze attitude relevantie bezit (1986: 238-9). Het kenmerkende van ironie is dat de spreker zich distantieert van de aangehaalde opvatting. Het appreciëren van ironie vergt dan ook dat de lezer of hoorder deze kritische houding onderkent.

Nu gaan de meeste beschouwingen over ironie ervan uit dat ironie begint met de ironische bedoeling van de ironicus, zoals ze er ook van uitgaan dat ironie erin bestaat dat men het ene zegt en iets anders bedoelt, waarbij het tweede meestal als het tegenovergestelde van het eerste wordt gedacht. Het is een van de verdiensten van Linda Hutcheons studie Irony’s Edge (1995) dat ze die visie nuanceert. 

Hutcheon is het ermee eens dat ironie onderkend moet worden wil ze werkzaam zijn. Voor haar houdt dat echter in dat een lezer of hoorder de spreker een ironische bedoeling toeschrijft, of die nu werkelijk bestaat of niet. Zo’n toeschrijving gebeurt meestal op grond van bepaalde signalen, die tekstueel, intertekstueel of contextueel van aard kunnen zijn (1995: 143 e.v.). Het standaardsignaal is een pronunciatio, de aankondiging van ophanden zijnde ironie. Het ontbreken van zo’n signaal kan ertoe leiden dat een ironische taaluiting ofwel als ongerijmd ofwel als leugenachtig overkomt. Inderdaad staat in de retorica de ironie te boek als een figuur van zowel simulatio als dissimulatio (Plett 1979: 93-99) – en zoals we zagen hebben zowel simulatio als dissimulatio iets met vertalen en uitbeelden gemeen. 

Ironie opereert in een spreeksituatie waarbij datgene wat gezegd wordt, het ongezegde oproept. Dat verschil, de marge tussen het gezegde en het ongezegde, maakt deel uit van de ironische uiting. Hutcheon citeert in dit verband Paul de Man. Voor hem is ironie, net als allegorie, ‘een taalteken dat verwijst naar iets wat verschilt van de klaarblijkelijke betekenis van het teken en dat verschil thematiseert’ (Hutcheon 1995: 64, De Man 1983: 209). 

Net zoals Hutcheon het toeschrijven van een ironische intentie als primair een activiteit van de ontvanger ziet, zo benadrukt zij ook dat ironie niet zozeer bestaat in het zeggen van het tegenovergestelde van wat men lijkt te zeggen, maar in het zeggen van twee dingen tegelijk, het ongezegde zowel als het gezegde, mét daarbij het releveren van het kritische verschil tussen die twee. Ironie heeft dus goede verstaanders nodig. De kwestie, aldus Hutcheon, is niet zozeer dat ironie bepaalde groepen in- en andere uitsluit, maar dat discursieve gemeenschappen (discursive communities) tegelijk in- en exclusief zijn, zodat ironie slechts bepaalde groepen aanspreekt en bij andere op onbegrip stuit of daar niet eens wordt opgemerkt (1995: 97). Zo biedt ironie zicht op de verstandhouding tussen spreker en verschillende publieksgroepen. Hutcheon zelf geeft als voorbeeld (ibid.) Robert Burtons Anatomy of Melancholy (1621), waarin de meer gewaagde passages in het Latijn gesteld zijn. In de vertaalgeschiedenis zijn gevallen bekend als de Decamerone-versies in een aantal talen die de scabreuze scènes stilzwijgend overslaan, in het Italiaans laten, in een namaak-middeleeuws Frans omzetten of – nog exclusiever – in het Latijn vertalen. De anonieme Nederlandse Boccaccio-vertaler van 1732 heeft ‘niet alleen gehele Perioden maar ook zelfs eenigszints het algemeen ontwerp van ’t Werk verandert’; plaatsen die ‘al te vry en ongebonden schenen’ heeft de vertaler dusdanig toegedekt en verbloemd ‘dat ook zelfs het Jufferschap die zonder ergernis of beschaamtheit zal kunnen lezen’ (Schoneveld 1992: 103). De vertaler laat fijntjes na te vermelden om welke passages het precies gaat, maar dat hij met zijn verbloemende versie vrouwelijke lezers hoopt in te palmen, is duidelijk. Merk hierbij op dat het lastig is een vertaling als deze zonder meer bij het type ‘directe rede’ onder te brengen. Ook waar de vertalersattitude niet in een voorwoord geafficheerd wordt maar zij uitsluitend tot uiting komt in wat we ‘correctioneel vertalen’ zouden kunnen noemen, is trouwens goed te zien dat vertalers verschillende lezersgroepen aanspreken. Op deze vorm van recipiënt-afstemming (audience design, Janssen 1997: 125) kom ik zo meteen terug.

Correctioneel vertalen
Een wat gecompliceerder voorbeeld van correctioneel vertalen is de Nederlandse versie uit 1946, door J. van Mierlo SJ, van de middeleeuwse Isengrimus van Nivardus. Het laat ook zien dat een vertalersvoorwoord niet altijd een afdoende signaal levert. Van Mierlo’s Isengrimus is een vertaling op rijm, met genummerde verzen, niet tweetalig maar wel voorzien van aantekeningen en, in de plaats van een voorwoord, een nawoord van de vertaler. Daar lezen we dat we met een volledige vertaling te doen hebben, ‘vers voor vers, ten minste distichon voor distichon (…) getrouw in het Nederlandsch overgebracht’ (1946: 231). In de Isengrimus biedt Nivardus, aldus Van Mierlo, een visie op zijn tijd ‘zooals hij die zag’ (ibid.). Aangezien we een regel-voor-regel-vertaling voor ons hebben, nemen we aan dat de vertaler-rapporteur ons bij zijn uitbeelding het gezichtspunt van de oorspronkelijke spreker laat beleven. 

Zijn eigen attitude blijkt nochtans uit de waarschuwing dat de Isengrimus ‘streng voorbehouden lectuur’ blijft (1946: 232). Dat voorbehoud schaduwt de vertaling. Het doet ons beseffen dat de vertaler althans bepaalde aspecten van de visie die in het origineel vervat ligt, niet deelt. We weten alleen niet om welke aspecten het gaat en waar die precies naar voren komen. De vertaling kan het Latijn wel distichon voor distichon reproduceren, maar tegelijk met de simulatie loopt er een beoordeling mee die de verwoording kan aantasten of op zijn minst het vertaalde nog eens tussen aanhalingstekens zet. In beide gevallen wordt de lezer verzocht méér en iets anders te lezen dan wat er staat en overal waar dat toepasselijk lijkt rekening te houden met de evaluatieve marge tussen het vertaalde en het oordeel daarover van de vertaler.

Volledig is de vertaling overigens niet. In Boek V, midden in een gesprek tussen Isengrimus en de ruin Corvigarus, stuiten we na vers 1235 op de mededeling: ‘Hier volgen eenige verzen, waarvan wij den hedendaagschen lezer willen verschoonen’ (1946: 172). Na een witregel springt de nummering ineens een twintigtal verzen verder en hervat het verhaal. Wat hier aan de hand is, laat zich gemakkelijk raden. Ik heb het voor alle zekerheid in een tweetalige Latijns-Engelse editie nageslagen. De Latijnse tekst gaat voort met: ‘Corvigarus penem nudat aitque…’, wat in het Engels oplevert: ‘Corvigarus unsheathed his penis and said…’ (Mann 1987: 482-3). Taivalkoski-Shilov zou Van Mierlo’s interventie een ‘paraliptisch resumé’ noemen: de rapporteur maakt zichzelf aansprakelijk voor een omissie.

Louis Paul Boon heeft in 1951 Van Mierlo’s Isengrimus gerecenseerd in De Vlaamse Gids. Als we deze vertaling doornemen, aldus Boon, geven we ons over aan de illusie dat hier Nivardus aan het woord is, hoewel we in feite natuurlijk Van Mierlo lezen ‘met het masker van Nivardus voor het gelaat’. In de onverwachte vertalerstussenkomst in Boek v evenwel ‘laat de gemaskerde het eigen gelaat zien’ (Boon 1994: n.p.). Boon voelt zich daardoor bedrogen, want wiens visie krijgt hij nu voorgeschoteld? Boon leest de vertaling blijkbaar als citaat. Hij heeft een goed oog niet alleen voor de gelaagde spreeksituatie die kenmerkend is voor citaten en vertalingen maar ook voor het moment waarop de illusie dat we het gezichtspunt van de gerapporteerde spreker delen, doorbroken wordt, en doorbroken op een manier die hem inconsequent voorkomt.

De ironie geldt allicht vooral de katholieke lezers tot wie Van Mierlo zich in eerste instantie richt. Zijn vertaling verscheen bij de katholieke Vlaamse uitgeverij De Standaard (Simons 1987: 64-74). De vertaler gaat er blijkbaar van uit dat de aangesprokenen zijn rol als leidsman aanvaarden, ook waar die rol hem meer aansprakelijkheid toekent dan verwacht mag worden van een vertaler die zich in zijn nawoord als puur rapporteur en animator opstelde. 

De ironie geldt veel minder, of op zijn minst op een andere manier, voor lezers die niet tot de direct aangesproken kring behoren. Die lezers kunnen we in tenminste twee groepen indelen: toehoorders en omstaanders. De indeling en de bijbehorende terminologie gaan terug op Alan Bell, die op zijn beurt op Erving Goffman steunt (Bell 1984, Hatim & Mason 1997: 83). Bell rangschikt ontvangers (lezers, luisteraars) overeenkomstig een drietal criteria: (a) of hun aanwezigheid aan de spreker al of niet bekend is, (b) of die hen ook als gesprekspartners erkent en (c) hen al of niet rechtstreeks aanspreekt. Schematisch voorgesteld (met de Nederlandse terminologie van Janssen 1997: 125): 

  aanwezigheid aan   
spreker bekend
erkend als
gesprekspartner   
rechtstreeks
aangesproken   
aangesprokene
(addressee)
+ + +
toehoorder
(auditor)
+ + -
omstaander
(overhearer)
+ - -
luistervink
(eavesdropper)   
- - -

Tabel 1: recipiënt-afstemming (naar Bell 1984)

In dit schema zijn Van Mierlo’s katholieke lezers de aangesprokenen. Van hen verwacht de vertaler dat zij met zijn oordeel meegaan en het kritische verschil tussen wat er staat en wat hen uitdrukkelijk onthouden wordt, laten opgaan in een gedeeld systeem van morele waarden en normen. Boon is eerder een toehoorder, mogelijk zelfs een omstaander. Aan hem is de ironie niet besteed. Daarom valt hij over de inconsequentie tussen de beloofde ‘getrouwe’ vertaling en de krasse vertalersingreep. Ook voor het feit dat Van Mierlo zijn ‘paraliptisch resumé’ duidelijk signaleerde en de weglating niet verdoezelde, kan Boon geen waardering opbrengen. 

Wij, zoveel jaren later, zijn op zijn best omstaanders, als we er van uitgaan dat Van Mierlo voor de eeuwigheid vertaalde en er dus rekening mee hield dat iemand zijn Isengrimus een halve eeuw nadien nog uit de kast zou kunnen halen, of anders luistervinken, buitenstaanders die historische teksten die niet voor ons bestemd zijn, min of meer toevallig onder ogen krijgen (Skinner 1970: 136). Die perifere positie laat ons toe het spel van inclusie en exclusie dat zo wezenlijk is voor de werking van ironie, te observeren. 

Daarmee begeven we ons op methodologisch interessant cultuurhistorisch terrein. Eenvoudig gesteld gaat het hierom: omdat vertalersironie gevoed wordt door een attitude en op het begrip en de medewerking rekent van bepaalde groepen en kringen, hebben we met dat begrip een nuttig instrument in handen om de interactie tussen vertalers en lezerscollectieven te peilen. Anders gezegd: vertalersironie is symptomatisch voor de manier waarop individuen en collectieven zichzelf situeren ten opzichte van het vreemde. Voor zover de moderne literatuurgeschiedenis de geschiedenis is geworden van het sociaal functioneren van literaire en aanverwante teksten, beschikt zij hier over materiaal dat nog nauwelijks aangeboord is om inzicht te verwerven in de raakvlakken tussen verschillende gemeenschappen en hun respectieve waarde- en normensystemen (Konopik 1997). 

Balthasar Huydecoper verkoopt zijn huid
Laat ik bij wijze van afsluitende illustratie een ander geval belichten, dat van Balthasar Huydecopers vertalingen naar Corneille en Horatius in de eerste helft van de achttiende eeuw. Ook in dit geval meen ik dat we, door de vertalingen te bezien via een concept als ironie, niet alleen de zelfpositionering van de vertaler ten opzichte van het vertaalde op het spoor komen, maar ook greep krijgen op de verstandhouding tussen vertaler en publiek.

In 1720 vertaalt Huydecoper Corneilles Oedipe. In het voorwoord dat hij er bij levert (Schoneveld 1992: 76-81), verklaart hij dat hij het Frans doorgaans woordelijk gevolgd heeft en slechts kleine aanpassingen heeft aangebracht. Welke, en waar precies, blijft in het midden. Wel is hij ‘eenmaal in deeze Vertaaling geheel van het Fransch afgegaan’. De passage in kwestie, aan het eind van het derde bedrijf, heeft te maken met noodlot, vrije wil en goede werken. Het mooie van Huydecoper is nu dat hij het kritische verschil tussen wat hij vertaald had kunnen hebben en wat hij vertaald wil hebben, in zijn voorwoord keurig voor ons uitspreidt. Hij presenteert eerst de volledige vertaling van de gewraakte passage en laat vervolgens zien hoe hij daarin achttien voor hem problematische verzen tot zes regels teruggebracht heeft. Die regels komen we in de eigenlijke vertaling opnieuw tegen, nu in de vorm van directe rede maar – dat weten we inmiddels uit het voorwoord – gekleurd met een dosis diëgetisch resumé. Door op die manier het verschil tussen het gezegde en het ongezegde te thematiseren, onderstreept Huydecoper de dissociatie tussen zijn waardesysteem en dat van Corneille. Dat zijn eigen visie door zijn publiek gedeeld wordt, lijkt Huydecoper vanzelfsprekend: ‘Waarom ik zulks gedaan heb, zal de Leezer lichtelyk konnen bemerken.’

Zes jaar later, in 1726 (en niet in 1737 zoals Schoneveld abusievelijk aangeeft, De Rynck & Welkenhuysen 1992: 212, De Rynck 1994: 124), vertaalt Huydecoper de Satyrae en Epistulae van Horatius (Huydecoper 1726, Schoneveld 1992: 115-9). Dit is een prozavertaling van Horatius’ verzen. Huydecopers toelichting bij zijn keuze voor proza geeft inzicht in het contemporaine genresysteem. 

Indien hij Horatius’ satiren in verzen had vertaald, aldus Huydecoper, zouden de resulterende teksten als Nederlandse gedichten hebben moeten functioneren en zouden zij bijgevolg als Nederlandse satiren in een Nederlandse context gesitueerd moeten zijn. Waar in het origineel Horatius een aantal Romeinse dichters bespot, had de vertaler dan op eigen houtje en verantwoordelijkheid eigentijdse Nederlandse collega’s moeten substitueren. Onder zijn ‘goedgunstige Leezers’ waren er dan allicht een paar geweest die ‘eene plaats in dit werk zouden gevonden hebben’. Maar, zegt Huydecoper, ‘zo heb ik my niet willen verledigen om deeze Moriaanen op nieuws te schuuren’. 

Door niet voor een poëtische navolging maar voor proza te kiezen, stelt hij zich op het gezichtspunt van Horatius en laat hij zijn Nederlandse collega-dichters buiten schot. Bijgevolg, ‘vindt gy iets, dat uw eigen gewisse u zeggen zal op u toepasselyk te zyn, denkt dat Horatius, de tijdgenoten in hun rol als luistervinken, buitenstaanders die inzage in een niet voor hen bedoeld historisch document krijgen. De versvertaler zou, gelet op de genre-eisen, het origineel hebben moeten actualiseren en had zodoende meer controle, een eigen standpunt en dus ook meer aansprakelijkheid opgedrongen gekregen. Daar bedankt Huydecoper voor. ‘Hierom docht het my beter,’ besluit hij, ‘Horatius zelven, dan in my eenen naarvolger van Horatius, aan u te vertoonen.’ Hij biedt dus wat Christiane Nord een ‘documentaire vertaling’ zou noemen, een versie die het moet hebben van haar retrospectieve aspect en die, in tegenstelling tot een ‘instrumentale vertaling’, de vertaler een veel grotere mate van vrijblijvendheid laat.

Maar ook deze optie spreekt niet vanzelf. Een consequentie van het uitbeelden van ‘Horatius zelven’ en dus van het overnemen van het gezichtspunt van de vreemde auteur is dat Huydecoper het nodig acht de lezer uitvoerig te waarschuwen voor het heel andere – dat wil zeggen het niet-christelijke – waardesysteem van de originele tekst. Hij doet dat door een parallel te trekken tussen de lezer van een documentaire vertaling en een reiziger naar verre landen:

Begeeft zich iemand, die noch geen begrip heeft van zyne vaderlyke zeden, noch van datgeene, dat in zyn vaderland als welvoegelyk aangemerkt, en daarom noodzaakelyk geschat wordt, naar andere landen; hoe dikwils zienwe, dat zulk een alle zeden aanneemt, die hem voorkomen; zelfs zo, dat hy, in zyn vaderland wedergekeerd zynde, onder de zynen als een vreemdeling kan aangezien worden? Zodanig een is de onderzoeker van Heidensche Schriften, die zich niet eerst gewapend heeft met de kennisse der zuivere waarheid. (Huydecoper 1726: xix-xx)

Het gevaar is dat van ‘going native’ onder heidenen. Omdat een documentaire prozavertaling het vreemde gezichtspunt overneemt, bestaat het risico dat de niet vast in de leer staande lezer zich laat meeslepen. Huydecopers dilemma is dat hij in de prozavertaling zelf niet meer op dat gevaar kan wijzen. Daar is die te zeer mimesis voor. Dus moet hij zijn waarschuwing in diëgetische vorm in zijn voorwoord kenbaar maken. 

Het lijkt er daarom op dat ook daar waar de vertaler zich tot de schijnbaar vrijblijvende rol van animator beperkt, hij zich bewust blijft van de discrepantie tussen de verschillende waardesystemen die in het geding zijn. Waar hij Horatius naspreekt, wil hij niet menen wat hij zegt, en juist dat wil hij geweten hebben. De uitbeelder laat tijdens het simuleren zijn eigen visie onuitgesproken, maar dat ongezegde is niet onbestaand, het schaduwt ieder woord. Juist in de prozavertaling, waar de vertaler in het vertaalde het minst aanwezig wil zijn, is hij door de nawerking van het voorwerk heel nadrukkelijk aanwezig als de acterende acteur, de uitbeelder die ons niet laat vergeten dat zijn handelingen slechts quasi-handelingen zijn. Zo verschijnt de vertaler tweekoppig: degene die Horatius imiteert valt niet samen met degene die Horatius interpreteert. De een geeft zich over, of doet alsof, de ander houdt afstand. De persoon van de vertaler kijkt toe op de vertalende persona, en deze laatste is zich daarvan bewust.

Inmiddels heeft Huydecoper trouwens ook nadrukkelijk de aandacht gevestigd op de twee contrasterende vertaalopties, verzen of proza, die zich blijkbaar aan hem voordeden. Van beide opties doorziet hij precies de consequenties wat de relatie met zijn publiek betreft. In de lectuur van de prozavertaling speelt de ongebruikt gelaten mogelijkheid van een versvertaling dan ook voortdurend mee. Aan het eind van zijn prozaversie drukt Huydecoper dan alsnog een vertaling in verzen van de eerste Satire af, als om te laten zien dat de onbenutte mogelijkheid van een versvertaling reëel was.

Huydecoper compliceert zijn versie van 1726 op nog andere manieren. Ondanks zijn belofte ‘Horatius zelven’ uit te beelden, zegt hij zo vertaald te hebben ‘dat myne uitdrukkingen, op veel plaatsen, wat zediger zyn, dan de zynen.’ Net als bij de anonieme Boccaccio-vertaler van 1732 en bij Huydecopers Corneille-vertaling weten we ook nu niet precies om welke plaatsen het gaat, tenzij we aannemen dat Huydecopers ‘nauwkeurige Leezers’ een vertaling als deze niet ter hand namen omdat ze geen Latijn kenden maar om andere redenen. Hoe dan ook wordt met het epileren van Horatius ook weer een evaluatieve marge tussen auteur en vertaler in stand gehouden en tekent zich de zelfpositionering af van de vertaler en bij implicatie van zijn lezers.

In de afsluitende bladzijden van zijn voorwoord stelt Huydecoper dan nog een lijst met 32 verbeteringen van zijn eigen vertaling voor. De verbeteringen, die hem naar zijn zeggen in het stadium van de drukproeven te binnen geschoten of door anderen gesuggereerd zijn, gaan van losse woordjes tot hele passages. Alle komen ze met concrete voorstellen voor herformulering. Hier is de ironische marge die tussen de eigen uitbeelding en de reflectie daarop. Op tal van manieren wordt het de lezer aldus onmogelijk gemaakt uitsluitend te lezen wat er staat. Zowel morele als poëticale nevenbedenkingen lopen half zichtbaar tegelijk met het vertaalde discours op en scheppen een verholen veelheid aan bijbetekenissen en kritische aanmerkingen. Die situeren zowel de vertaler als zijn publiek.

Elf jaar later, in 1737 verschijnen Huydecopers Hekeldichten Brieven en Dichtkunst van Q. Horatius Flaccus, ditmaal vertaald in verzen (Huydecoper 1737). Nederlandse satiren zijn de hekeldichten in versvorm niet geworden. Mogelijk overdreef Huydecoper dus de dichotomie tussen navolgen en prozavertalen in de eerdere editie. Het nieuwe voorwerk, ook in verzen, maakt slechts terloops melding van de toepasselijkheid van Horatius satirische blik op het eigentijdse Nederland. 

De verschillen in de eerste satire tussen de versvertaling van 1726 en die van 1737 zijn overigens niet groot. Hier is de openingszin van de eerste satire driemaal, een keer in proza en tweemaal in verzen:

1726 proza
Wat is de oorzaak, Mecenas, dat niemand met dat beroep, het welke, of hy zich zelven uitgekooren, of het noodlot hem opgeleid heeft, te vrede is, en altyd den staat van andere pryst?

1726 verzen
Wat mag de reden zyn, Mecenas, dat geen mensch
Vernoegd is met zyn staat; ’t zy die hem naar zyn wensch
En keuze is toegestaan; het zy door ’t lot beschooren?

1737
Wat mag de reden zijn, Mecenas, dat geen mensch
Vernoegd is met zijn’ staat; ’t zij hy dien naar zijn’ wensch
Heeft uitgekoozen, ’t zij toevallig aangeslagen?

Dat echter ook hier in al deze versies een vertalersattitude en een ironische marge meespelen, wordt duidelijk als we de enige eerdere vertaling van Horatius’ Satiren naast Huydecopers werk leggen. Dit is wat Cornelis van Ghistele in 1569 van de overeenkomstige regels maakte:

Waerom ist Mecœnas dat niemant die leeft
Met sulck deel, dwelck hem by redelijckheden
God, of de Fortuyne voorspoedich gheeft
Elck int sijne niet en is te vreden? (Van Ghistele 1569: 1)

God komt er bij Horatius niet aan te pas. Die heeft het er alleen over dat ieder zijn lot toebedeeld krijgt ofwel door ratio ofwel door toeval (fors). Van Ghisteles verchristelijking overbrugt de afstand tussen zijn eigen wereld en die van Horatius en houdt daarmee een humanistische visie in stand op de compatibiliteit tussen voorchristelijk en christelijk gedachtegoed. Of Huydecoper Van Ghisteles vertaling gekend heeft, weet ik niet (het is onwaarschijnlijk: hij noemt zijn eigen vertaling van de Satyrae de eerste). Hoe dan ook is het van belang te onderkennen dat de mogelijkheid van een verchristelijkende weergave zich blijkbaar voordoet (van Ghistele maakte er gebruik van), dat Huydecoper die mogelijkheid zowel in zijn verzen als in zijn proza uit de weg gaat, maar dat hij de ideologische afstand tussen de wereld van Horatius en de zijne in 1726 juist nadrukkelijk en breed uitmeet in een voorwoord waar hij zijn keuze toelicht voor een prozaversie, één waarin hij zijn eigen waardesysteem grotendeels maar zeker niet geheel aan dat van het origineel ondergeschikt maakt. 

Zowel bij Van Ghistele als bij Huydecoper merken we een zekere nervositeit omtrent de discrepantie in waarden en normen tussen een auteur als Horatius en de eigen tijd. Dat Van Ghistele en zijn tijdgenoten met dit probleem worstelden, weten we ook uit andere bronnen. Dat het in de eerste helft van de achttiende eeuw nog steeds met zoveel nadruk op de voorgrond treedt, komt mij merkwaardig voor, vooral omdat Huydecoper toch een vrij select publiek lijkt aan te spreken (hij richt zich in 1726 tot ‘u, nauwkeurige Leezers’, ‘gy allen, die Liefhebbers zyt van de dichtkunst, en u daarin oeffent’, ‘u, letterkundige Leezer’, ‘onpartydige en verstandige Leezers’ en de ‘oordeelkundige Leezer’). Misschien kunnen de kenners van deze periode hier meer over zeggen. 

Conclusie
Ik houd de conclusie kort. Alle vertalen is een kwestie van representatie. Uitgaande van de opvattingen van Clark en Gerrig over citaten, beschouw ik vertalen als een vorm van citeren, een selectief en uitbeeldend simuleren van bestaande taaluitingen. Omdat vertalen evenmin als citeren een kwestie is van woordelijk herhalen, laat vertalen zich omschrijven als ‘indirecte rede vermomd als directe rede’. Zo ontstaat ruimte voor ironie, het gespleten spreken van de vertaler waarin het ongezegde met het gezegde mee oploopt en de kritische marge tussen die twee relevantie bezit. In die marge tekent zich de vertalersattitude af, waarmee vertalers zich situeren te midden en ten opzichte van waardesystemen en lezersgroepen.

De afgelopen decenniën heeft zich in hele gebieden van de humanoria de zogeheten crisis van de representatie voorgedaan. De crisis heeft tot uiteenlopende reacties geleid, van zelfreflexiviteit tot hernieuwde belangstelling voor micro-historie en de contextualisering van cultureel gedrag. De historische vertaalstudie neemt aan die ontwikkelingen deel. Zij heeft echter niet altijd aansluiting gevonden bij de concrete manier waarop die brede intellectuele ontwikkelingen zich in bepaalde vakgebieden manifesteren. 

Wat de Nederlandse literatuurgeschiedenis betreft lijkt, voor zover ik kan zien, de poëticale benadering die lange tijd de boventoon voerde, nu vervangen te zijn door allerhande vormen van micro-onderzoek naar zaken als lezersgedrag, het circuleren en functioneren van teksten, en institutionele aspecten van literatuur (Kloek 1996, Bekkering & Gelderblom 1997). In dat onderzoek neemt de manier waarop individuen en groepen betekenis toekennen aan teksten, een belangrijke plaats in. Het gaat daarbij om mentale en sociale processen die lastig te vatten en te documenteren zijn. Ik meen dat juist in de omgang van vertalers met hun grondstof aanwijzingen en aanknopingspunten liggen waar ook literatuur- en cultuurhistorici baat bij kunnen vinden. Vertalersironie geeft zicht op de interactie tussen vertalers en hun publiek en op de zelfpositionering van verschillende collectieven. Het is een extra barometer van de smaak. Ik heb geprobeerd voor het lezen van die barometer een kader te schetsen.

Bovenstaand artikel en het artikel ‘Vertalen als navelstaren’ (Filter 11:2) waren de bijdragen van Theo Hermans aan een tweedaagse workshop aan de Universiteit Utrecht in april 2004.

 

Bibliografie
Bekkering, H. & A.J. Gelderblom. 1997. Veelstemmig akkoord. Naar een nieuwe literatuurgeschiedenis. Den Haag: Sdu.

Bell, Alan. 1984. ‘Language Style as Audience Design’, Language in Society 13, 145-204.

Boon, L.P. 1994. Het literatuur- en kunstkritische werk III. De Vlaamse Gids. Red. E. Bruinsma. Antwerpen: L.P. Boon-documentatiecentrum.

Booth, Wayne. 1975. A Rhetoric of Irony. Chicago & London: University of Chicago Press.

Clark, Herbert & Richard Gerrig. 1990. ‘Quotations as Demonstrations’, Language 66, 764-805.

De Man, Paul. 1983. Blindness and Insight. London: Routledge.

Folkart, Barbara. 1991. Le conflit des énonciations. Traduction et discours rapporté. Québec: Balzac.

Ghistele, Cornelis van. 1569. Satyrae oft Sermones gescreven in latine duer … Q. Horatius Flaccus, Nu eerst … in onser duitscher talen Rhetorijckelijk overghesedt. Antwerpen: Ameet Tavernier.

Goffman, Erving. 1981. Forms of Talk. Oxford: Blackwell.

Goodman, Nelson. 1978. ‘Some Questions concerning Quotation’, Ways of Worldmaking, Indianapolis: Hackett, 41-56.

Hatim, Basil & Mason, Ian. 1997. The Translator as Communicator. London & New York: Routledge.

Herman, Luc & Bart Vervaeck. 2001. Vertelduivels. Handboek verhaalanalyse. Nijmegen & Antwerpen: Vantilt & VUB Press.

Hutcheon, Linda. 1995. Irony’s Edge. The Theory and Politics of Irony. London & New York: Routledge.

Huydecoper, Balthasar. 1726. Hekeldichten en brieven van Q. Horatius Flaccus. Uit Latynsch Dicht in Nederduitsch Ondicht overgebragt door B. Huydecoper. Amsterdam: Willem Barents.

Huydecoper, Balthasar. 1737. Hekeldichten Brieven en Dichtkunst van Q. Horatius Flaccus In Nederduische vaarzen overgebragt. Amsterdam: J. Ratelband & H. Uitwerf.

Janssen, Theo. 1997. Communiceren. Over taal en taalgebruik. Den Haag: Sdu/Standaard.

Kloek, Joost. 1996. ‘Synthese en slotbeschouwing’ in: Theo Bijvoet e.a (eds.), Bladeren in andermans hoofd. Over lezers en leescultuur. Nijmegen: sun, 309-18.

Konopik, Iris. 1997. Leserbilder in französischen und deutschen Übersetzerkonzeptionen des 18. Jahrhunderts. Tübingen: Stauffenburg.

Mann, Jill. 1987. Ysengrimus. Text with translation, commentary and introduction. Leiden: Brill.

Mierlo, J. van. 1946. Magister Nivardus’ Isengrimus. Het vroegste dierenepos in de letterkunde der Nederlanden. Vertaald door Prof Dr J. van Mierlo SJ. Antwerpen: Standaard.

Mossop, Brian. 1983. ‘The Translator as Rapporteur’, Meta 28, 244-78.

Mossop, Brian. 1998. ‘What is a Translating Translator Doing?’, Target 10, 231-66.

Petrilli, Susan. 1999-2000. ‘Traduzione e semiosi: considerazioni introduttive’, Athanor 10, 2.

Plett, Heinrich. 1979. Einführung in die rhetorische Textanalyse. Hamburg: Helmut Buske.

Rynck, Patrick De. 1994. Recensie van Schoneveld 1992, Target 6, 123-4.

Rynck, Patrick De & Andries Welkenhuysen. 1992. De Oudheid in het Nederlands. Repertorium en bibliografische gids. Baarn: Ambo.

Schoneveld, C.W. 1992. ’t Word grooter plas, maar niet zoo ’t was. Nederlandse beschouwingen over vertalen 1670-1760. ‘s-Gravenhage: Stichting Biblographia Neerlandica.

Simons, Ludo. 1987. Geschiedenis van de uitgeverij in Vlaanderen II. De twintigste eeuw. Tielt: Lannoo.

Skinner, Quentin. 1970. ‘Conventions and the Understanding of Speech Acts’, Philosophical Quarterly 20, 118-38.

Sperber, Dan. 1985. ‘Interpretive Ethnography and Theoretical Anthropology’, On Anthropological Knowledge, Cambridge & Paris: Cambridge University Press & Editions de la Maison des Sciences de l’Homme, 9-34.

Sperber, Dan & Deirdre Wilson. 1986. Relevance. Communication and Cognition. Oxford: Blackwell.

Taivalkoski-Shilov, Kristiina. 2003. La tierce main. Discours rapporté, traduction et Fielding en France au XVIIIe siècle. Doctoraatsthesis, Universiteit van Helsinki.

Lees meer over: