Het getuigt vast van te veel bravoure maar in ieder geval van een flinke dosis ijdelheid om een betoog op te sieren met reminiscenties aan grote geesten. Maar iedereen doet dat zo’n beetje, al eeuwenlang, met motto’s bijvoorbeeld – alsof je eigen stem niet voldoende gewicht heeft. Misschien denk je dan te beginnen op een hoger niveau of gedekt te zijn door anderen. Ik zeg dit vooral tegen mezelf – als vermaning – want ik ga dit verhaal eindigen met een oproep om vooral zélf en zelfstandig te denken, te vertalen, je eigen stem te verheffen, als mens en als vertaler. En ik zeg dit natuurlijk ook omdat dit alles veel van de situatie van de vertaler weerspiegelt: diens stem gaat vaak schuil achter andere, naar verluidt gewichtiger stemmen.
Wat de grote geesten betreft doel ik nu op de stemmen van twee joodse auteurs uit Oost-Europa, Paul Celan en Elias Canetti, de laatste een Nobelprijswinnaar, de eerste in mijn ogen de belangrijkste dichter überhaupt, vooruit: op z’n minst van de tweede helft van de twintigste eeuw. Aan Canetti ontleen ik de titel van dit stuk, in de hoop dat in mijn verhaal over het behoud van stemmen die van hem meeresoneert. Als Canetti terugdenkt aan zijn kinderjaren in Roestsjoek in het toenmalige vorstendom Bulgarije hoort hij een mengelmoes van talen om zich heen – Bulgaars, Duits, Albanees, Roemeens, Russisch en Ladino of ‘Spanjools’ zoals hij dat noemt, afhankelijk van degene met wie hij respectievelijk te maken had. Duits bleef de taal van zijn geest, van zijn ziel misschien. Iets vergelijkbaars hoor je van de in de toen Roemeense regio Boekovina geboren Celan. Hij stelde dat het enige dat niet verloren ging de taal was, hoezeer hij ook moest heen breken door ‘vreselijk verstommen,’ ‘heen breken [moest] door de duizend duisternissen van dodelijk gebazel’ – lees: de Shoah en haar oorverdovende gekrijs. Zowel Canetti als Celan trok weg uit zijn meerstemmige vaderland en emigreerde, vrijwillig dan wel genoodzaakt, de eerste naar Londen, de tweede naar Parijs. Ze hielden in een vreemdtalige omgeving vast aan hun oerstem, behielden die, in beide gevallen was dat die van hun moeder, en dit allemaal tegen de achtergronden van de wreedheden en migraties die de twintigste eeuw voor hen en iedereen in petto had. Het is tekenend dat hun beider taal omringd was door andere talen, zodat zij noodgedwongen – maar je kunt ook zeggen: op natuurlijke wijze – voortdurend aan het vertalen waren om aan het woord te blijven. Canetti heeft – in de zin van publicaties en het concrete vak – amper vertaald, Celan juist een heleboel. Bij de laatste is schrijven en dichten in een bepaald opzicht geheel identiek aan vertalen – dat nu impliceert een voor mij verleidelijke afslag die ik hier niet neem, want het gaat me nu om de principieel dubbele of gepluraliseerde stem, het behoud of het verdringen ervan en wat er vervolgens mee gebeurt als het een vertaalstem wordt, de stem van een vertaler.