Liefde overwint alles. We vinden deze kernachtige formulering voor het eerst bij de Latijnse dichter Vergilius, in zijn tiende Herderszang, waarin de dichter kort na 40 v.Chr. afscheid neemt van zijn bucolische poëzie. In dat gedicht is een hoofdrol weggelegd voor zijn collega-dichter Cornelius Gallus: Vergilius legt hem een monoloog in de mond die eindigt met de woorden Omnia vincit Amor: et nos cedamus amori, Liefde overwint alles: laten ook wij buigen voor de liefde. En dat is toepasselijk, want Gallus geldt als de uitvinder van de Latijnse liefdespoëzie met zijn dichtbundel Amores. Terzijde: zo eenvoudig is de vertaling van deze paar woorden niet: is Amor ‘Liefde’ of ‘de liefde’ of (de god) ‘Amor’, en moet Amor nul of een- of tweemaal met een hoofdletter geschreven worden?1 En wat is de beste vertaling van de titel Amores? Liefdes? Liefjes? Liefdesliedjes?
De antieke Latijnse liefdespoëzie is een specifiek literair genre dat slechts ongeveer vier decennia bloeide, zeg vanaf de bundel van Gallus uit ongeveer 45 v.Chr. tot aan Propertius, Tibullus en Ovidius.2 De gedichten zijn gebouwd op een beperkt aantal stereotiepe situaties en personages: een dichter gedomineerd door een wispelturige, hardvochtige, onbereikbare geliefde in allerlei situaties, huilend voor de deur, jaloers op een rivaal, uit de verte smachtend op een diner, en soms ook dronken van geluk. Venus en de wijding van de dichter tot liefdesdichter, asociaal gedrag zoals het versmaden van rijkdom en krijgsroem spelen een belangrijke rol. Over het werkelijkheidsgehalte van al deze gedichten hebben classici boekenkasten vol geschreven. De meesten bewonderen deze subtiele poëzie, maar het is moeilijk om hedendaagse lezers er enthousiast voor te maken, juist door het formele, stereotiepe karakter en de totale afwezigheid van de maatschappij waarin de gedichten thuishoorden. Wel zijn er gelukkig in de afgelopen decennia nieuwe Nederlandse vertalingen van verschenen.3