Een briljante boef en zijn vertaler     161-170

Mathijs Sanders

Hij noemde zichzelf een Gallobataaf, zoon van een Franse moeder met Algerijns bloed en een tot Fransman genaturaliseerde Nederlandse vader. Dat hij had gediend in het vreemdelingenlegioen was dan ook een hardnekkig misverstand. Hij bezat namelijk zowel de Nederlandse als de Franse nationaliteit en had als soldaat in het Franse expeditieleger twee jaar lang gevochten in Indochina, waar hij de eerste vijf jaar van zijn leven had doorgebracht. Een vuile koloniale oorlog was dat! Wel had hij er van alles geleerd, zoals soldatentaal, waar veel meer leven in zat dan in het formele, precieuze Frans.

Precies die ongepolijste taal hoorde hij opnieuw in het boek dat hem in 1951, terug in Frankrijk, in handen viel: Voyage au bout de la nuit van Louis-Ferdinand Céline. Een boekhandelaar in Nice had het hem onder de toonbank aangereikt. Het proza spatte van de pagina’s. Het was alsof hij werd vervuld met een muziek die richting gaf aan zijn onstuimige gevoelens. Wat een openbaring was dat boek! Geniaal!

 

Emanuel Kummer (1926-2016) bekleedt een bijzondere positie in de Nederlandse vertaalgeschiedenis. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met één boek: Reis naar het einde van de nacht, dat eind 1968 verscheen. Meer dan vier jaar werkte hij aan zijn vertaling, naast zijn baan als leraar Frans aan een middelbare meisjesschool en aangevuurd door zijn ongeduldige uitgever Geert van Oorschot: ‘Lukt het en fascineert het je? Laat eens wat horen.’ De kopij kwam in porties naar het uitgeverspand aan de Herengracht en eind 1968 lag het boek in de winkel. De nimmer herdrukte vertaling van J.A. Sandfort uit 1934 gold als verouderd. Kummer maakte Céline toegankelijk voor een nieuwe generatie Nederlandstalige lezers. Hij had de klus geklaard met hulp van zijn echtgenote Yvonne Bitter. Vandaar dat hij haar initiaal toevoegde aan zijn eigen voorletter: E.Y. Kummer. Alfred Kossmann, Rudy Kousbroek en Kees Fens noemden de vertaling een prestatie van formaat.

Maar in Kummers bewondering voor Céline stak een forse angel. Toen een zekere mevrouw C. Cats van Raalte uit Bilthoven via een ingezonden brief aan het Algemeen Handelsblad (in de rubriek ‘Lezers vragen het woord’) bezwaar aantekende tegen de vertaling van ‘een antisemitisch boek’, diende Kummer haar een week later in dezelfde rubriek van repliek: ‘De heer Van Oorschot en ik zouden geen letter van de “Voyage” uitgegeven resp. vertaald hebben, als in dit werk ook maar één spoor van antisemitisme te bekennen was geweest.’ De tierende antisemiet uit de zogenoemde pamfletten, die het licht zagen tussen 1937 en 1941, viel hier nog niet te beluisteren. Met dat woord ‘pamfletten’ worden doorgaans de vier omvangrijke boeken aangeduid die Céline in die periode het licht liet zien: Mea culpa (1936), Bagatelles pour un masscare (1937), L’École des cadavres (1938) en Les Beaux Draps (1941). Kern van deze nog altijd schokkende teksten: de ondergang van Frankrijk en Europa door toedoen van de Joden. Toch was dat spoor van antisemitisme er ook wel degelijk in Célines eerste roman, zoals Kummer later ook zou toegeven. Doelend op de vrede van 1918 had de verteller in het zevende hoofdstuk van Voyage het (in Kummers vertaling) over ‘dat loeder […] dat uitzinnig en wanhopig in het stof op de maat van Angelsaksisch joodse negermuziek’ hotste.

Wat bekendstond als ‘het probleem Céline’ – hoe je te verhouden tot het werk van een schrijver die er abjecte denkbeelden op nahoudt? – speelde weer op toen aan Kummer in 1972 de Martinus Nijhoffprijs werd toegekend. Hij was inmiddels werkzaam als wetenschappelijk medewerker bij de vakgroep Franse Taal- en Letterkunde van de Rijksuniversiteit Leiden. Zijn leidinggevende, de hoogleraar Sem Dresden, die hem naar Leiden had gehaald, was dat jaar voorzitter van de jury van de Nijhoffprijs. In haar rapport prees de jury Kummers vertaalkunst: ‘De exuberantie en stylistische overdrijving zijn met een grote beheersing van het Nederlands èn het Frans overgezet en wéérgegeven.’ Hoewel zij geen verantwoordelijkheid droeg voor Célines fascistische, antisemitische denkbeelden wilde de jury het daar niet bij laten. Zij sprak er haar afschuw over uit. ‘En zij doet dat des te gemakkelijker, omdat zij meent te weten dat de heer Kummer in dat opzicht niet voor haar onder wenst te doen.’ Hier was ‘een weerzinwekkend literair verschijnsel met groot talent en ondanks de totaal andere houding van de vertaler toch met inzicht, met begrip en, als men de uitdrukking goed verstaan wil, zelfs met sympathie in het licht van een andere taal geplaatst.’

In zijn dankwoord schreef Kummer dat Reis naar het einde van de nacht vooral een roman was over ‘de schijnheiligheid, de zelfverzekerdheid en de ongekende pretenties van de mensen, over al die tonnen slijmerige flauwekul die ze moeiteloos opbrengen om elkaar te belazeren en zichzelf ook.’ De kritiek in de roman op oorlog en kolonialisme was onverminderd actueel. Maar met de latere Céline, die van na Mort à crédit (in 1979 vertaald door Frans van Woerden) wilde Kummer niets te maken hebben. Voor diens racisme was geen enkel begrip mogelijk. Céline plaatste Kummer voor het probleem ‘dat een politiek te verwerpen auteur een magistrale roman kan schrijven’. Was het nu maar zo dat alle linkse auteurs goed schreven en alle rechtse slecht. ‘Misschien is het wel andersom. Ik moet er niet aan denken.’

De vraag hoe het mogelijk was dat Céline zulke gevaarlijke nonsens uitkraamde zou Kummer zijn leven lang bezig blijven houden. Hij zocht naar antwoorden en deed dat als vertaler, essayist en romanschrijver. Kort voor de uitreiking van de Nijhoffprijs, in september 1971, verscheen in de Floretreeks van De Arbeiderspers een door hem samengestelde en becommentarieerde bloemlezing met brieven en documenten van Céline onder de titel Van de ene dood naar de andere. Door die uitgave kwamen ook fragmenten uit de beruchte pamfletten in het Nederlands beschikbaar. Over de strekking daarvan was Kummer eenduidig: ‘Céline is antisemiet, in de meest letterlijke en vulgaire zin.’ Van de ene dood naar de andere was een waagstuk. Kummer plaatste zijn reputatie in de waagschaal door een volledig beeld van de schrijver te geven, de pamfletten inbegrepen. Ook leerden Nederlandse lezers de draaikont Céline kennen, die weliswaar nooit enige spijt betuigde van zijn antisemitisme, maar die zich in naoorlogse brieven aan zijn Amerikaanse bewonderaar Milton Hindus afkeerde van ‘dat stomme gelul van Hitler […] die brullende neoromantiek, dat Wagneriaanse satanisme’.

 

Kummers bloemlezing wilde een waarschuwing zijn, temeer daar ‘de gevaarlijke nonsens die Céline op papier uitkraamde’ een groot deel van de Fransen had aangesproken. Door Célines verwerpelijke denkbeelden niet alleen samen te vatten, maar ook te tonen, wilde Kummer een signaal afgeven: het negeren van Célines racistisch gemotiveerde antisemitisme, of het reduceren van diens oeuvre tot ons welgevallige teksten, zou namelijk niet tot gevolg hebben dat dit antisemitisme opeens niet meer zou bestaan. Je kon het monster maar beter in de muil kijken, als je het wilde begrijpen. Een deel van ‘de gevaarlijke nonsens’ was nu in het Nederlands beschikbaar, zoals dit fragment uit het pamflet L’École des cadavres.

 

De joden, Afro-aziatische bestaarden, kwart negers, halve negers en Midden-Oosterlingen, losgeslagen zedeloze troep, hebben niets in dit land te maken. Ze moeten opsodemieteren. ’t Zijn onze niet te assimileren parasieten, verderfelijk, rampzalig, in alle opzichten, biologisch, moreel en sociaal, verrottende zuignappen. De joden zijn hier tot onze ellende […].

 

Anders dan Willem Frederik Hermans maakte Kummer geen komaf met het probleem Céline door diens integrale oeuvre tot de literatuur te rekenen en daarmee onschendbaar te verklaren. Nee, een kunstenaar mag niet zomaar van alles zeggen zonder dat dit consequenties heeft. Het was zaak om de schrijver strikt te scheiden van de polemist, maar dat bleek nog niet zo gemakkelijk. Wie het kwaad wil doorgronden moet er de confrontatie mee aangaan. Dat was de drijfveer achter Van de ene dood naar de andere, de twee romans die Kummer na zijn pensionering zou schrijven en de studie met de aan Hermans ontleende titel Céline, een briljante boef.

Maar eerst moest er worden gepromoveerd op een literatuursociologisch proefschrift over twee schrijvers van wie de eerste geen hoge dunk had van Céline en de tweede door Céline was afgeschreven als een slaapverwekkende sierkunstenaar: Menno ter Braak en Marcel Proust. Een voorgenomen dissertatie over het effect van de romantechniek van Céline had Kummer niet kunnen verwezenlijken. Wel wist hij Céline zijn proefschrift binnen te smokkelen, om te beginnen in de stellingen. Zo luidde de achtste stelling:

 

Célines diepe rancune tegen de Duitse bezetters in Frankrijk, tegen de Vichy-aanhangers en collaborateurs, is te verklaren uit zijn opvatting dat zij zich als halfzachte bourgeois gedroegen en niet als harde nazi-ideologen die een radicale racistische revolutie hadden uit te voeren.

 

Datzelfde jaar 1985 bracht Kummer de Franse schrijver in stelling, nu om zijn bezwaar tegen de komst van Gerard Reve als gastschrijver aan de Rijksuniversiteit Leiden kracht bij te zetten. In een ingezonden brief in het universiteitsblad Mare van 6 juni 1985 schreven Kummer en zijn collega taalkunde J.G. Kooij: ‘Het literaire werk en het optreden van Van het Reve worden in toenemende mate gekenmerkt door uitingen van een platvloers racisme, vooral als hij schrijft over (anders) gekleurde bewoners van Nederland.’ Bij alle bewondering voor het vroege werk van Reve – Kummer had samen met Herman Verhaar in 1976 een monografie over De Avonden geschreven – stuitten de racistische uitspraken van de volksschrijver hem tegen de borst. Verwijzend naar de roemruchte passage over Surinamers in De taal der liefde, stelt Kummer: ‘Als hij hetzelfde over joden had gezegd, dan had iedereen dat onaanvaardbaar gevonden, maar nu gaat het over negers en nu moet ik mijn mond houden want het zijn allemaal grappen […] Ja, als Céline was uitgenodigd had ik precies hetzelfde gereageerd.’ Kummer en Kooij geloofden er niets van dat het hier een artistieke pose van de schrijver betrof, of een of andere onnavolgbare vorm van ironie. De uitspraken van Reve waren volgens hen ronduit ‘dom en gevaarlijk’. Zij die zwegen over de aanstelling van Reve als wetenschappelijk ambtenaar voor bepaalde tijd waren in hun ogen niet minder dom en gevaarlijk. Boudewijn Büch was het daarmee oneens. In Het Parool van 21 juni 1985 noemde hij Kummer een emotionele en agressieve man, die – als hij consequent zou handelen – zijn studenten ook zijn eigen colleges over Céline ernstig zou ontraden.

In een gesprek met Lisette Lewin voor de Volkskrant van 3 augustus 1985 lichtte Kummer zijn bezwaren nog eens toe:

 

Ja, sorry hoor, maar op een gegeven moment is de ironie niet meer leuk. Dan zijn de moppen op. Hij [Reve] weet heel goed die snaar van het volkse erin te brengen, van die gewone woorden, zoals toekie toekie, hoe heet het? Ja, takkie, takkie oerwoud, daar heb je het nu al, nu begin je te lachen. Daarin zit nu juist het gevaarlijke.

 

Wellicht voelde Kummer zich in zijn mening over Reve gesterkt door Hermans, met wie hij in het najaar van 1981 over Céline correspondeerde. Kummer wilde weten hoe ver de invloed van Céline op Hermans reikte en was zelf, zo schreef hij aan Hermans op 18 september, tot de conclusie gekomen dat het met die invloed wel meeviel. Hermans was immers geen racist en Kummer achtte het verder onwaarschijnlijk dat Hermans zijn pessimisme door het lezen van Céline had opgelopen. Bovendien was Hermans, anders dan de Franse schrijver, bepaald niet kwistig ‘met het openritsen van zijn ziel’. In een antwoordbrief aan Kummer van 3 oktober noemde Hermans de latere Céline ‘een charlatan en schreeuwer over niets’, ‘net als Gerardje markies Reve in Nederland. (Ik bekeer me tot de R.K. kerk, daarna maak ik de H. Maagd voor hoer uit, maar niemand die daarover valt. En dat zal Gerardje ook wel het beste vinden. Céline dito.’ Als polemist wilde Hermans, zo schreef hij Kummer, liever niet met Céline vergeleken worden, ‘omdat IK, als ik iemand uitscheld, het op goede gronden doe, althans erop uit ben het zo te doen, terwijl het op niets concreets gebaseerde gescheld van Céline er alleen maar toe kan leiden dat men er z’n schouders over ophaalt of het wel amusant vindt en stilistisch zo geslaagd.’

 

Werd het voor Mani Kummer langzaam niet tijd om afscheid te nemen van Céline? De titel van het boek waarmee hij in 1990 debuteerde als romanschrijver suggereert dat wel: Afscheid in Meudon. De verteller is de Frans-Nederlandse Jean-Patrick Lasalle, die vecht in Cambodja en Vietnam en daar de nederlaag van het Franse leger meemaakt om vervolgens verwikkeld te raken in de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd die tot in de straten van Parijs wordt uitgevochten. Lasalle is gebiologeerd door Céline en hoopt dat die hem ‘door de stijl kan terugbrengen naar een verleden, dat hij met geraffineerde zorg heeft weggemoffeld’. In de laatste scène komt het tot een confrontatie met de schim van Céline, die hem zijn lafheid voor de voeten werpt, en tot een gesprek met een vriend, die hem aanspoort om een boek over Céline te schrijven, ‘waarin je uitlegt waarom je zo over deze man denkt als je denkt’.

Dat boek kwam er in 2006 en droeg de titel Céline, een briljante boef. De strekking van deze monografie luidt dat men de kwaliteit van Célines beste boeken niet kan verwerpen op grond van zijn politieke ideeën, terwijl de pamfletten en de romans volgens Kummer door hun polemische toon nauwelijks van de romans verschillen. Als zelfverklaarde ‘vormaanhanger’ was het Kummer vooral om de effecten van stijl en techniek te doen: het groteske, het carnavaleske, de muziek. Het portret dat hij van Céline schetst is caleidoscopisch: een weergaloze schrijver en een ideologische leuteraar, een pacifist en een opportunist, een moderne schrijver met een reactionaire inborst, die het sublieme en het abjecte met elkaar laat versmelten tot een groteske voorstelling. Het stoorde Kummer geweldig dat ‘iemand als Céline, met een nuchtere medische blik zoals hij die vaak beweerde te hebben en waarvan zijn romans vaak getuigen, verbeten de rol van ongelikte proletariër speelde om daarmee toon en argumenten te vinden voor zijn stuitende ideeën, die ook in zijn poëtica weerklinken’. Het was de toon, de stijl, waarmee Céline zich in zijn romans volgens Kummer onderscheidde van een ‘keurige racist’ als André Gide, die er vergelijkbare standpunten op nahield maar deze meer ingetogen verwoordde (‘Je wordt er soms niet goed van’).

 

Kummers vertaling van de Reis is tot op heden leverbaar. Geert van Oorschot bleef het betreuren dat hij niet meer werk van Céline vertaalde voor zijn uitgeverij en dat Mort à crédit niet bij hem was verschenen. Van Oorschots zoon en opvolger Wouter zou zich blijven inspannen voor de vertaling. Dat deed hij onder meer door de uitgaverechten te bemachtigen van de door Jacques Tardi geïllustreerde uitgave van Voyage, die in 1988 was verschenen bij Gallimard en Futurpolis. ‘Voor het eerst sinds de dood van mijn vader,’ schreef hij op 1 september 1989 aan Kummer, ‘zal de Reis worden herdrukt.’ In een stapeltje ‘papieren van Geert’ had Wouter een brief gevonden van Kummer, ‘ik geloof uit 1984’, waarin hij zijn uitgever de vriendschap opzei ‘en nog meer fraais’. Maar voor de oude vetes van zijn vader had hij geen tijd. Wel las hij in oude contractmappen dat Kummer zijn vertaling destijds aan Van Oorschot had verkocht voor een bedrag ineens. Dat wilde hij rechtzetten door vanaf de nieuwe druk 1% royalty per verkocht exemplaar te betalen.

Dat Emanuel Kummer met zijn meesterlijke vertaling niet wordt vermeld in de grote cultuurhistorische studie Vertalen in de Nederlanden is een kleine onrechtvaardigheid, die hier wellicht enigszins is rechtgezet.

 

Voor het Vertalerslexicon schreef Mathijs Sanders een uitgebreid vertalersportret van E. Kummer, dat tegelijk met dit artikel werd gepubliceerd, zie hier.

 

 

Bronnen

Céline, Louis-Ferdinand. 1971. Van de ene dood naar de andere. Brieven, artikelen en polemieken, gekozen, ingeleid en vertaald door E. Kummer. Amsterdam: De Arbeiderspers.

Fens, Kees. 1969. ‘Célines loodgrijze visie op de mens’, De Tijd, 8 februari.

Kossmann, Alfred. 1969. ‘Meesterlijke vertaling van Frans meesterwerk’, Het Vrije Volk, 21 februari.

Kousbroek, Rudy. 1969. ‘Die Welt des Unglücklichen’, Algemeen Handelsblad, 1 maart.

Kummer, E. 1969. ‘Céline III’, Algemeen Handelsblad, 12 maart.

Kummer, Em. 1985. Literatuur en ideologie. Proust en Ter Braak. Amsterdam: Huis aan de drie Grachten.

––. 1990. Afscheid in Meudon. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar.

––. 1994. Helden zijn zwart. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar.

––. 2012. Céline, een briljante boef. Soesterberg: Aspekt.

––. 2016. ‘Ik, Gallobataaf’, in: idem, Wilde verhalen. Soesterberg: Aspekt.

Lesmeister, Maurits. 2021. ‘Nog altijd je ingewanden. Het lef van Kummer’, Filter, 28:3, p. 65-70.

Lewin, L. 1985. ‘Echt boos over het gedrens van morele kleuters’, de Volkskrant, 3 augustus.

Loo, Stijn van der. 2012. Filmportret van Emanuel Kummer voor de website vertalersgalerij.nl.

Maas, Nop. 2010. Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven. Deel 3: De late jaren, 1975-2006. Amsterdam: Van Oorschot.

Mooij, Janine R. & Mathijs Sanders. 2019. ‘“Ik heb de flair, om teksten goed te vertalen, die ik soms pas veel later ga begrijpen”. Over vertaler J.A. Sandfort’, Zacht Lawijd, 18:4, p. 45-64.

Naaijkens, Ton. 2016. ‘De rest hoort aan de nacht’, Webfilter, Vrijdag Vertaaldag, week 34 (tijdschrift-filter.nl).

Ros, Martin. 1972. ‘In gesprek met E. Kummer’, Vrij Nederland, 22 januari.

Sanders, Mathijs & Janine R. Mooij. [2019]. ‘Josephus Adrianus Sandfort, 1893-1959’, Vertalerslexicon voor het Nederlandstalig gebied (vertalerslexicon.nl).

Schoenaers, Dirk e.a. 2021. Vertalen in de Nederlanden. Een cultuurgeschiedenis. Amsterdam: Boom.

Vermeulen, Frank. 2016. ‘Explosieve charmeur met groot talent voor ruzie’, NRC, 19 augustus.

Zoon, Cees. 1990. ‘Getroffen door de bliksem van Céline’, de Volkskrant, 14 september.

Het juryrapport van de Nijhoffprijs 1972 en het dankwoord van Kummer zijn te vinden op de website vertaalverhaal.nl, zie hier. 

De briefwisselingen tussen Van Oorschot en Kummer, tussen Hermans en Kummer en de brief van Wouter van Oorschot aan Kummer van 1 september 1989 bevinden zich in de collectie van het Literatuurmuseum.