De afgelopen maanden stonden in het teken van vertalen met anderen: achtereenvolgens bevond ik me in een vertaalcel1, begeleidde ik een beginnend vertaler in het kader van CELA en stuurde ik Vertalersvakschoolstudenten korte verhalen, gedichten en romanfragmenten waar we vervolgens in onlinesessies uren over praatten. Kort daarvoor had ik een vertaling afgerond waar ik – met tussenpozen – een jaar of drie aan werkte, dus deze ‘sociale pauze’ was best goed getimed. Toch, al na een maand, of misschien iets langer, begon het te kriebelen. Of eigenlijk het tegenovergestelde: door al dat gekriebel, die onrust, kreeg ik steeds meer zin om weer zelf te vertalen, en dan liefst een heel boek. Maar waar had ik dan precies zin in, vroeg ik me af.
Mijn moeder zei altijd dat de liefde voor het lezen er bij mij al heel vroeg in zat. Bewijs: een aangevreten exemplaar (echt, de hoeken zijn eraf geknabbeld) van Het ei van Dick Bruna. Na een paar jaar later door een kleuterjuf tussen de spelende kinderen te zijn betrapt met een boek was het hek van de dam: alle boeken in de Westervoortse bieb moesten eraan geloven. Een meester op de basisschool vond het grappig om de klas te laten uitrekenen hoeveel boeken ik al had gelezen als ik elke week de maximaal toegestane hoeveelheid leende (ik niet). Helemaal betrouwbaar zijn herinneringen nooit, maar ik geloof dat de voornaamste aantrekkingskracht school in het langdurig dwalen door andere werelden, waar ik avonturen met elfjes beleefde, of met straatkinderen uit Brazilië. Later kwam daar het verkennen van andere hoofden bij, hoofden die heel andere of juist herkenbare gedachten hadden. Dus toen ik nadacht over waarom ik zo van vertalen houd, meende ik een rechte lijn te kunnen trekken. Lezen, lezen en nog eens lezen. Zo diep in een boek duiken dat je er maanden in kunt blijven rondzwemmen. De wereld daarbuiten, die meer lagen krijgt, waarin dingen plots meer lijken te zijn dan ze zijn.