Week 3: Hans van Pinxteren

Vertaaldag Archief

2026

2025

2024

2023

2022

2021

2020

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

De sleutel tot... Rimbauds Illuminations

Hans van Pinxteren

I

In 1969 stuit ik bij toeval op Illuminations van Arthur Rimbaud. In eerste instantie doen deze teksten, die aan de basis staan van de moderne poëzie, mij denken aan de gecodeerde berichten die de leider van een verzetsgroep stuurt aan zijn wapenbroeders. Tot mijn verbazing is honderd jaar nadat deze raadselachtige teksten ontstonden, het werk nog niet in het Nederlands vertaald. Ik voel mij als dichter uitgedaagd een poging te wagen…

 

Titelpagina en frontispice van Arthur Rimbaud, Les illuminations (1949)

 

Rimbauds werken Illuminations en Une saison en enfer zijn te beschouwen als de neerslag van een zoektocht die de dichter-ziener onderneemt in het ongekende. Over een periode van vijf jaar maak ik van ieder prozagedicht uit Illuminations acht à tien proefvertalingen, in steeds wisselende gemoedstoestanden (die ik met het oog op de vertaling weloverwogen in mij opwek) telkens vanuit een ander standpunt, zonder mijn voorgaande oplossingen in te zien. Pas in de laatste fase leg ik mijn verschillende benaderingen naast elkaar om ze tot één geheel te smeden. Ter controle maak ik gebruik van een aantal op Illuminations toegepaste tekstanalyses. In de definitieve versie streef ik ernaar om, zonder van de voor de hand liggende betekenis in het Frans af te wijken, de Nederlandse zin in een even sterk veld van associaties te trekken.1

In dit sleutelwerk tot de moderne poëzie beleef ik de dingen zoals de werkelijkheid zich openbaart in de droom – een droom die de dromer tot een verhoogde staat van waken roept. Rimbaud komt me steeds dieper onder de huid, zijn teksten zijn ruimtes die ik voetje voor voetje binnenga. Reiken ze een nieuwe wereld aan? Ach, nee! Elke tekst is hoogstens een facet in de spiegelzaal van het bewustzijn waarin je steeds weer ongekende aspecten van jezelf beleeft. Ruimtes waarvoor je je vrij moet maken, om ze van binnenuit te beleven. Doordat ik de prozagedichten in steeds andere bewustzijnsfasen betreed, ze lees en herlees, hardop, telkens opnieuw, terwijl ik probeer mij voor te stellen wat Rimbaud gezien moet hebben om te komen tot deze formuleringen, kan ik ze op den duur wel dromen. Of dromen? Ik geef mij over aan de zoektocht zelf, tastend naar kleuren en klanken, naar structuren die de beelden een even suggestief en spannend verloop geven. Om op mijn beurt constructies te smeden die door de taalwetten in het Nederlands heen breken:

Links wordt de humus op de heuvelrug vertrapt door alle moorden en alle veldslagen, en alle rampzalige geluiden scheren hun kromme weg.
Mystiek2

Ik zie heel lang het droefgouden koningswater van de zonsondergang.
Kindertijd V

Een rouwsloep zonder weerga over de kreken van dode liefdes en vervlogen geuren.
Fairy

Al naar ik tijdens dit vertaalproces diepere lagen in het bewustzijn aanboor, komen belevenissen in mij op die parallel lopen met de ervaringen waaruit de auteur zijn teksten dicht, appelleren zijn beelden sterker aan wat ik zelf heb meegemaakt of nog steeds meemaak. Zodra ik mij rekenschap geef van gelijkgeaarde ervaringen, kan ik het in het Frans zinderend visioen oproepen in mijn taal. Pas als Rimbauds beelden écht tot mij spreken en rijmen met wat ik in dit moment van verhevigd bewustzijn beleef, kan ik eraan raken in mijn taal, val ik samen met zijn sprong naar het ongekende. Tref ik – met identieke doorbrekingen van de logica en vergelijkbare ritmische effecten – die gebalde taal vol dissonanten, die precaire momenten van vormverlies. Zoek ik, om de zin te laten ontsporen naar de wetten van het Nederlands (nee, tegen die wetten in) naar overeenkomstige effecten. Dat gedreven ritme, die opeenstapeling van grimmige klanken, die stroomversnellingen en gedachtenstormen, die implosies van stilte.

En terwijl ik de teksten in steeds andere stemmingen benader, komt bij glimpen en flitsen deze ongekende laag in mij boven, krijgen ze hun aanwezigheid in het Nederlands.

 

II

Hoewel het tegenwoordig niet bon ton is om bij je vertaling voetnoten te plaatsen, wil ik er best voor uitkomen dat ik er nooit vies van ben geweest dit wél te doen. Daar kun je soms je slag mee slaan, zoals bij mijn vertaling van 'Barbare' uit Illuminations. De daarin tot tweemaal toe herhaalde uitroep 'le pavillon en viande saignante...' heb ik schoorvoetend vertaald met ‘de vlag van bloedrood vlees…’ Ik zeg ‘schoorvoetend’ vanwege dat 'pavillon'. Als Rimbaud deze tekst ten slotte afrondt met een herhaling, alleen van het woord 'Le pavillon...' voeg ik aan het door mij vertaalde 'De vlag...' als voetnoot toe: “‘De vlag’ dekt hier helaas niet de lading. 'Pavillon' heeft behalve 'vlag' in het Frans ook nog de betekenis van: 'onderkomen (paviljoen); hoorn, oorschelp’”. Over deze noot was ik destijds niet ontevreden, want zo bevrijdde ik mijn vertaalgeweten enigszins van de last nogal beperkend vertaald te hebben, en tegelijkertijd verschafte ik de lezer inzicht in Rimbauds spel met de meerduidigheid van de woorden.

De tweede Rimbaud-vertaler, Paul Claes, heeft bovenstaande uitroep zonder mankeren met 'De vlag in bloedrood vlees' vertaald en kordaat de voetnoot weggelaten.3

 

III

Waarin nu verschillen deze twee Illuminations–vertalingen? In mijn beleving verklaart Rimbaud zich niet. Hij legt niet uit, maar lijkt andere werelden op te roepen, te raken aan het ongekende. Neem ‘Parade’. Een van de betekenissen van het woord ‘parade’ is klucht, een soort kermisvertoning: een vóór de kermistent door jongleurs op schreeuwerige wijze opgevoerde farce, om de aandacht van de voorbijgangers te trekken en ze de tent in te lokken voor de eigenlijke voorstelling. In de achttiende eeuw was onder aristocraten het zich ‘encanailleren’ in zwang: zich uitdossend als saltimbanques of carnavalsvierders in een optocht vertoonden zij in de salons hun ‘parades’, dikwijls in de vorm van een tableau vivant.

Deze mogelijke explicatie, het zich encanailleren van een stel excentriekelingen, gebruik ik als werkhypothese voor mijn vertaling.

‘Parade’ besluit met de zin: ‘J’ai seul la clef de cette parade sauvage.’ Dit wordt zowel bij Claes als bij mij ‘Ik alleen heb de sleutel tot deze woeste parade.’ Een andere vertaling lijkt mij onmogelijk. Rimbaud roept in veel teksten uit Illuminations een andere werkelijkheid dan de alledaagse op. De beelden verwijzen vaak naar een realiteit waar je als lezer nogal eens niet de sleutel toe hebt. Alleen het woordvoerende ‘ik’ uit ‘Parade’ lijkt de sleutel tot deze tekst in handen te hebben.

In mijn benadering heb ik vooral gefocust op Rimauds beeldend taalgebruik, op de meerduidige betekenis van woorden en zinnen die met elkaar in botsing komen, op de ritmiek.4 Een vertaling die erop mikt één enkele, scherp omlijnde betekenis in de doelzin te krijgen, verengt in mijn beleving de golflengte waarop Rimbaud uitzendt tijdens zijn exploratie van het ongekende. Zo ervaar ik in het ‘Des drôles très solides’, waarmee ‘Parade’ opent, beslist niet het één-dimensionale beeld van Claes’ ‘Doortrapte schelmen’. Het Frans confronteert mij met de innerlijke tegenstelling tussen de woorden, die leidt tot een intrinsiek meerduidig beeld. Doordat deze woorden ondanks hun tegenstelling met elkaar een relatie aangaan, wekken ze de suggestie dat de hier opgevoerde personages in strijd handelen met hun eigen wezen of maatschappelijke positie en zich potsierlijk gedragen. Voor de klaroenstoot waarmee deze cakewalk van excentriekelingen in een schertsparade inzet, kies ik uiteindelijk voor het tartende ‘Oerdegelijke narren’.

Claes schijnt in zijn vertaling te mikken op een tekst waarin de lezer op de voet kan volgen wat er volgens de gangbare tekstanalyses geacht wordt te staan. Iets over de helft van ‘Parade’ lezen we: ‘Chinois, Hottentots, bohémiens, niais, hyènes, Molochs, vieilles démences, démons sinistres, ils mêlent les tours populaires, maternels, avec les poses et les tendresses bestiales.’ Rimbaud somt hier eenvoudigweg op. Het gedicht ontrolt zich als een snel verschietende film voor het geestesoog. De verschillende groepjes vangen het licht maar voor een tel. Meteen daarna doemt een volgend stel schertsfiguren uit het duister op, en ook die verdwijnen weer, nog vóór ze tot kiekjes kunnen verstarren, om plaats te maken voor nieuwe figuranten. Alsof de dichter hen voor een fractie uit de nacht laat opkomen om ze op het moment van verschijning uit te schelden en met een sarcastische opmerking aan de kant te schuiven. In mijn vertaling wordt bovenstaande zin: ‘Chinezen, Hottentotten, bohémiens, uilskuikens, hyena’s, oude laries, louche demonen, zij combineren de populaire, moederlijke maniertjes met bestiale aanstellerij en tederheid.’ Bij Claes: ‘Chinezen, Hottentotten, zigeuners, sullen, hyena’s, molochs, oude gekken, boosaardige demonen zijn het, die [cursievering H.v.P.] volkse gebaren van moeders afwisselen met standjes en liefdesblijken van beesten.’ In het Frans ervaar ik een aaneenrijging van woorden in staccato, alsof de beelden over elkaar heen tuimelen. Claes’ omschrijvende ‘zijn het, die’ haalt de vaart eruit en doorbreekt het staccato.

Een vergelijkbare ‘still’ heeft Claes al eerder toegepast in deze tekst: ‘Il y a quelques jeunes, – comment regarderaient-ils Chérubin? – pourvus de voix effrayantes et de quelques ressources dangereuses.’ In het Frans wordt het groepje jongeren vluchtig, bijna als een drogbeeld geschetst. In mijn vertaling: ‘Er zijn wat jongeren – hoe zouden zij Cherubino vinden? – schrikwekkend gebekt en met een paar gevaarlijke vermogens.’ Claes vertaalt: ‘Er zijn wat jongeren bij – met wat voor blik zouden zij Cherubino bekijken? – die beschikken over een akelige stem en gevaarlijke vermogens.’ Het ritme vertraagt: wat Rimbaud en passant schijnt waar te nemen en met een enkele bijstelling typeert, wordt bij Claes, door inlassing van het expliciterende bijwoord van plaats en door de toevoeging van een slapjes verlopende bijzin, gereduceerd tot een statisch, plaatsgebonden tafereeltje.

Al met al lijkt Claes in zijn vertaling – waar Rimbaud in zijn sprong naar het ongekende de dingen in vogelvlucht, vrijwel als illusies oproept – veeleer te benoemen en te verklaren. Het onbenoembare suggereren is iets anders dan de weergave van een op duidingen berustende glosse, hoe erudiet en tekstgetrouw die ook mag zijn. Ik vraag mij af of juist in deze grensverleggende poëzie, waarin hij de logica het overtuigendst aan zijn laars lapt, Rimbaud niet liever beleefd en ervaren dan uitgelegd wil worden.

Noten

1 Zie voor een meer op de feiten toegespitst verslag over het ontstaansproces van mijn vertaling van Illuminations  het hoofdstuk ‘Een kruispunt van wegen’, in mijn essaybundel Hoe ouder hoe vrolijker (Oevers 2023).

2 Ik citeer hier en in de volgende passages waarin ik mijn Rimbaudvertaling aanhaal uit: Arthur Rimbaud, Ik is een ander, L.J. Veen, 2006

3 Ik citeer hier en in de volgende passages waarin ik de vertaling van Claes aanhaal uit: Arthur Rimbaud, Gedichten, Een seizoen in de hel, Illuminations, Athenaeum–Polak & Van Gennep, 2006.

4 In het essay ‘Over het groeien in een vertaling’ (Filter, jaargang 14, nr. 2, juni 2007) vergelijk ik  twee sterk uiteenlopende versies van mijn ‘Parade’-vertaling.