Vertaaldag  Archief

2020

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Met dieprode pen

Ter nagedachtenis aan Jo Radersma (1946-2020)

Ton Naaijkens

Wat zijn woorden weinig waard als iemand weg is, voorgoed weg. Misschien heb je ergens zelf nog iets aan dat terugdenken, misschien vindt een derde er steun in als je het uit. Maar wat weet je van iemand, op de keper beschouwd? Je kent jezelf niet eens. En van de meeste mensen heb je alleen het openbare, niet het echte, intieme leven gezien – hun jeugd niet, hun liefdes evenmin en doorgaans is elke blik die je met iemand wisselt voor een groot deel ondoorgrondelijk. Maar er waren momenten: soms was een enkele blik veelbetekenend, een van verstandhouding, die ene blik toen de vriendschap overflitste, de blik die een vanzelfsprekende band bezegelde. Dan zijn woorden overbodig.

Het bovenstaande ging door mij heen toen ik probeerde om een goede vriendin te herdenken, een persoon die een vak uitoefende dat haar niet meteen in het middelpunt van de belangstelling bracht en kanten had die voor veel mensen onbekend bleven – ook voor mij. Zo vaak zag ik haar niet, de laatste jaren nauwelijks. Haar leven was geheel anders, toch herkende ik haar onmiddellijk in de woorden waarmee haar vrouw haar omschreef: ‘uniek in haar humor, onverbloemd in haar oordeel, onuitputtelijk in haar vriendschappen en liefde, en voor mij een onstuitbare bron van leven’. Ja, dat laatste ook, een onstuitbare bron van leven. Zelf heb ik in grofweg drie fases van mijn leven met die onstuitbare bron van haar te maken gehad – het zijn toevallig ook fases die in haar vita belangrijk waren. Het gaat om iemand die op de achtergrond werkte, maar als geen ander een stempel drukte op wat concreet op tafel kwam – als een kok die staat voor wat hij neerzet.

Ik heb het over Jo Radersma (1946-2020), volgens de rouwkaart ‘redacteur, winnares van de Vertaalengel, eindredacteur van de Nieuwe Bijbelvertaling’. Met die typering worden ook meteen de drie ijkpunten van haar leven genoemd waarin ik met haar te maken had. Daar is ook de openbare Jo te vinden, niet de intieme, eigenlijke Jo. Opvallend genoeg is de openbare Jo ook de terughoudende Jo – opvallend omdat zij in de omgang uitbundig en extravert kon zijn. Maar ze kreeg niet altijd de credits waar ze recht op had. En het openbare hield ook niet altijd gelijke pas met het onverbloemde – vooral als het om haar vak ging, het nalezen en redigeren van teksten. Een scherpere blik en rodere pen dan die van haar heb ik niet meegemaakt. Ze wist wat ze deed en we hebben er onder meer de realisatie van de Nederlandse Musil, talloze boekuitgaven en vertalingen, zeventig nummers van Armada en de puntjes op de i van de Nieuwe Bijbelvertaling aan te danken.

Jo Radersma

Jo Radersma heeft twee ‘eigen’ boeken op haar naam staan, samen met anderen: Goed verkeerd. Een geschiedenis van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen in Nederland1 en Dwars door de overgang. Ervaring en feiten over de overgang.2 Getuige het biootje achter in Goed verkeerd was ze wars van praalzucht en behoorlijk bedreven in het wegcijferen van zichzelf: ‘Jo Radersma is redactrice bij een uitgeverij.’ Maar daar is geen woord Chinees bij, ze was een volbloed redacteur, in de stilte die deze professie per definitie omgeeft. Sinds midden jaren zeventig werkte ze bij uitgeverij Meulenhoff, de tijd van de literair gezien sensationele bloei – heel wat literatuur, Nederlandse en vertaalde, ging door haar handen. Jarenlang zat ze in de redactieraad van De Gids (ongeveer van 1984 tot 1994).

Van 1995 tot 2013 was ze de spil van Armada, toen dit tijdschrift voor wereldliteratuur in boekvorm verscheen bij de Wereldbibliotheek. In 2010 kreeg ze de Vertaalengel uitgereikt ‘voor de toegewijde manier waarop zij zich inzet voor het werk van vertalers en het vertalen als zodanig’. Ze was de achtervang van boeken die haar na stonden – ik kies en noem Bitterzoet Indië van Pamela Pattynama, waarin de vlotte redigeerhand van Jo wordt geprezen,3 en de biografie die Mineke Bosch schreef van Aletta Jacobs. Jo had de klus ook nog eens geklaard ‘meteen na de afsluitende fase van de NBV’, een drukke tijd moet het geweest zijn.4 Mineke Bosch prijst ook Jo’s ‘liefde en toewijding’ bij de eindredactie, een misschien vanzelfsprekend maar desondanks volstrekt gepast compliment voor wie er zijn beroep van maakt vooral aandacht te besteden aan de woorden van anderen. Ik heb het zelf ervaren. Toen ik eind jaren tachtig voor Meulenhoff het korte proza van Robert Musil vertaalde werd ik behalve door Wout Tieges (1945-1996) ook onder handen genomen door Jo – het was een harde maar menselijk milde leerschool met een uiterste aan zorg voor woordkeus en stijl.

Waar vind ik Jo terug nu ze weg is? Als ik naar sporen van haar zoek kom ik in Lust & Gratie (1988) twee door haar vertaalde grotesken van Til Burgman tegen. Ik lees hoe Nanne Tepper (1962-2012) boos op haar was toen een boek van hem werd afgewezen.5 Zo kende ik Jo wel, maar tekenend voor haar persoon zijn andere dingen. Iets ervan zie ik terug bij een foto die ik op Facebook vond van een voorraadkast bij haar thuis waar appels in bewaard werden. Een vriendin associeert appelmoes en appeltaart en krijgt (‘fukking hell’) water in haar mond bij de gedachte alleen al; Jo gaat er met gemak overheen en brandt los: ‘Maar toch ook heavenly gebakken appel met honing en crème fraîche, tarte tatin, apple crumble, hete bliksem, clafoutis, appeleflappen, beignets, gegrilde appel met geitenkaas, appelbollen met marsepein en kaneel, suikerappels op een stokje en niet te vergeten rode en zuurkool met appel’. Ze barstte soms los, heel plezierig als je zo iemand erbij hebt, bijvoorbeeld als je met een redactie vergadert, en heel handig ook, zo’n associatiestroom bij het vertalen.

       

Over de Musil-tijd, de Armada-jaren en de laatste loodjes van de Nieuwe Bijbelvertaling kan veel geschreven worden, meer dan ik in dit bestek kan doen. Om haar te eren wil ik toch op zoek gaan naar haar sporen in overgeleverde teksten, haar fabelachtige redactiewerk, gekenmerkt door een enorm gevoel voor het Nederlands, gepaard aan een enorme kennis van literaire inhouden. Ik kijk bijvoorbeeld naar De man zonder eigenschappen, een vertaalprestatie van naam, volbracht door Ingeborg Lesener; de vier Nederlandse delen verschenen van 1988 tot 1991 (deel vier staat op naam van Hans Hom, je kon er destijds op intekenen). In alle delen staat dat de eindredactie in handen was van Jo Radersma en Hans Hom – wat het natuurlijk bemoeilijkt om te zien wat Jo er precies aan gedaan heeft. Maar van deel 1 verscheen al snel een tweede druk (1988 nog) en nog een derde (1991). Ik weet van Jo zelf dat die derde druk een herziene druk is waar zij sterk de hand in gehad heeft – zowel de uitgever als de redacteur wilden een puntgave vertaling. Als ik een bladzijde of honderd doorneem6 zie ik hier en daar een wijziging, steeds een goede en inhoudelijke redactionele ingreep: ‘Leona [...] begon gelaten maar luidkeels een lied voor te dragen’ is veranderd in ‘…rustig maar met luider stem…’ [33]; op [43] is ‘land’ veranderd in ‘vaderland’, op [76] toonden de staatslieden zich eerst ‘graag in kunst en cultuur onderlegd’, later zijn ze ‘goed thuis in de kunstjes van de cultuur’; op [86] is ‘alles opgelost is’ veranderd in ‘in ontbinding is geraakt’. Lees je het geheel over dan zie je dat het sterke verbeteringen zijn, en dat in een tekst die al met zoveel zorg uitgegeven was. Maar een reconstructie van de redactie van deze vertaling zou vermoedelijk laten zien hoe drastisch al in de eerste versies was ingegrepen en dat naarmate het project vorderde de redactie vanuit Meulenhoff zelf de pen van de vertaler overnam.

Een bijzondere prestatie was de eindredactie die onder haar leiding plaatsvond voor het uiteindelijke verschijnen van de Nieuwe Bijbelvertaling in 2004. Dat was een project waar tientallen mensen aan hadden meegewerkt en aan talloze versies van de afzonderlijke bijbelboeken hadden geschaafd. Verschillende mensen hadden er gezag – als brontekstkenner, als neerlandicus, als vertaalwetenschapper, als reviewer, als literator, als vertegenwoordiger van de deelnemende kerkgenootschappen, als lid van de begeleidingscommissie, het opperste orgaan. Maar ook het opperste orgaan werd overruled door de eindredactie. Het vertaalwerk was al opgedeeld in zes fasen (intern gedocumenteerd in de versies V1 tot en met V6), maar wat gepubliceerd werd was de V7, die van Jo en haar team. Van een deel van Genesis was ook de V6 gepubliceerd7, dus je kunt zien wat er daarna nog gebeurde. Het eindredactieteam nam de tekst nog een laatste maal door, beoordeelde de binnengekomen reacties, haalde ontdekte oneffenheden uit de vertaalde tekst en droeg de eindversie (V7) over aan de uitgever. De eindredactie zal, Jo en de situatie kennende, overigens niet oppervlakkig geweest zijn, verweven als talige ingrepen in gevoelig liggende teksten nu eenmaal zijn met inhoudelijke, zeg hier: theologische kwesties. De NBV wordt momenteel herzien en iets ervan was al zichtbaar in een voorpublicatie, met daarin hetzelfde deel van Genesis waarvan de V6 en V7 gepubliceerd werden. De tekst blijft overeind en doorstaat ook het nieuwe revisieproces.8 Als je het eerste deel van Genesis bekijkt dan zijn de verschillen op het oog miniem; er is een aantal wijzigingen in interpunctie, niet noemenswaardig, maar wel zijn in de versie van 2017 de eerbiedskapitalen ingevoerd (wat leidt tot een door God uitgesproken zin als ‘Laten Wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op Ons lijken’ – toch al een opvallend zinnetje, dat met die hoofdletters nog meer de aandacht trekt en je doet afvragen wat het verschil is tussen ons en Ons).

Interessanter is of er tussen 2000 en 2004 iets veranderd is, want daar is Jo Radersma dan debet aan. Ik neem een proef, om wederom vast te stellen dat sporen van eindredactie minieme sporen zijn, sporen die er bij sowieso al met zorg omgeven teksten op het eerste gezicht niet lijken te zijn. Ondankbaar werk, denk je dan, om dat allemaal definitief bij te schaven terwijl niemand het ziet. En tegelijk is het het allerbelangrijkste werk voor mensen die verzorgde tekst aan het hart gaat (vertalers, auteurs, copywriters). Als ik inzoom zie ik hetzelfde als bij Musil: Jo grijpt in waar het nodig is, bescheiden maar terdege. In Genesis 3:14-21 zie je het bijvoorbeeld in het befaamde moment waarop in de appel wordt gebeten. Je hoort Gods reactie nu Eva van de verboden vrucht heeft geproefd. Woordvolgordes worden veranderd, in 2004 wordt gesproken van vijandschap ‘stichten’ in plaats van het vreemde ‘bewerken’ in 2000. Jo verandert ‘zij verbrijzelen jou de kop’ in ‘zij verbrijzelen je kop’ en ‘Een zware last maak ik de zwangerschap voor jou’ in het veel soepeler ‘Je zwangerschap maak ik tot een zware last’; ‘planten’ worden ‘gewassen’, en God ‘deed hun die [kleren van dierenvellen]’ niet aan, maar ‘trok hun die aan’. Het zijn luttele ingrepen die een tekst desalniettemin enorm optrekken. Die blik van een derde is nodig, en zo’n blik hoort liefdevol en streng tegelijk te zijn.

Maar zegt het iets over de persoon die weg is? Misschien iets, hoe klein de wijziginkjes ook zijn. Misschien moet je je vasthouden aan andere dingen – het beeld dat je van iemand hebt, het herinnerde plezier als je ineens weer weet hoe hilarisch, chaotisch en inspirerend de Armada-vergaderingen verliepen – weten wat iemand allemaal met woorden vermag, of nog beter: wat je niet allemaal met appels kunt doen en vooral hoe je ze van gedaante kunt veranderen, juist als ze tegen alle verboden in geplukt en gegeten zijn.

 

Noten
1 Onder redactie van Gert Hekma, Dorelies Kraakman, Maurice van Lieshout en Jo Radersma. Met een voorwoord van Johan Polak. Amsterdam: Meulenhoff 1989.

2 Samen met Louise van Deth. Amsterdam: Meulenhoff 1995.

3 Bitterzoet Indië. Herinnering en nostalgie in literatuur, foto’s en films. Amsterdam: Prometheus/Bert Bakker 2014.

4 Een onwrikbaar geloof in rechtvaardigheid: Aletta Jacobs 1854-1929. Amsterdam: Balans 2005.

5 Op 4 maart 1994 schrijft hij aan Marc Reugenbrink dit: ‘Zojuist mijn boek teruggekregen van Meulenhoff. “Niet gecharmeerd,” was mej. Jo Radersma. Beurskens was ook niet “erg enthousiast”. Te veel gebabbel, te weinig te raden voor de lezer, te veel uitweidingen. Een vertellersboek, maar “het perspectief is niet spannend”. Het doet “onvolwassen aan”; “doorgeschoten puberteitsproza”. Advies van Radersma: “houdt u aan de hoofdlijnen, niet al te zeer uitweiden, personages minder clichématig en eendimensionaal en bedenk dat mensen niet alleen maar praten”. / Zucht, zucht, diep zucht.’ In: De kunst is mijn slagveld. Brieven 1993-2001.  Amsterdam: Atlas Contact 2016.

6 Ik moet dat met de hand doen – had ik nu maar bestanden en passende software, dan zou het er zo uitrollen. Nota bene, om enigszins te voorkomen dat ik voor gek word versleten: ik bekijk telkens de bladspiegel en meen dan vrijwel meteen te zien of er iets verschoven en dus veranderd is.

7 In Werk in uitvoering 2. Deeluitgaven van de [Nieuwe Bijbelvertaling]. ’s Hertogenbosch: NBG/KBS 2000.

8 In Met andere woorden, nr. 2 van 2017, online geraadpleegd.