Vertaaldag  Archief

2019

2018

2017

2016

2015

2014

2013

Over weke delen en een vandiktebank

Of: hoe weet je wat je niet weet?

Jan Gielkens

Britse antiekprogramma’s met Nederlandse ondertiteling: ze zijn mijn manier van ontspannen voor de televisie. Ik heb er al eerder over geschreven. Het zijn leerzame maar ook vermakelijke tussenuurtjes, en ze gaan als vanzelf over in mijmeringen over van alles wat me zoal bezighoudt, en regelmatig is dat het vak van het vertalen. Zoals laatst. Binnen een paar minuten is in een aflevering van Salvage Hunters sprake van een ‘what-not’ en van een waardevol stuk antiek dat was ‘found in a skip in Surrey’. Een ‘what-not’ is in het Nederlands een etagère. Maar de ondertitelende vertaler veronderstelde blijkbaar dat de antiekhandelaar in kwestie een jolige bui had en maakte er dit van: ‘je kunt er alle kanten mee op’. Het waardevolle stuk uit Surrey even later was volgens de ondertitelaar ‘gevonden in een boot’.

Je kunt hier allerlei overpeinzingen aan vastknopen. Je zou kunnen denken: een vertaler die van een ‘skip’ een boot maakt beheerst de taal waaruit zij of hij moet vertalen gewoonweg niet. Maar het is ook mogelijk dat de betreffende ondertitelaar is opgegroeid in een erg beschermde omgeving waarin afvalcontainers geen rol spelen. Als dat zo is, dan is ‘skip’ voor haar of hem vakjargon, specialistische kennis. En wat een ‘what-not’ of een etagère is hoeft natuurlijk ook niet iedereen te weten. Maar soms hebben vertalers die kennis wel nodig. Daarover ging het een tijdje geleden in een kring van jonge vertalers: hoe kom je aan taal of idioom die je niet dagelijks of van nature gebruikt, en hoe vermijd je dat je niet weet wat je niet weet als het om dit soort zaken en nog veel meer gaat?

Weke delen
Soms is het niet moeilijk om te constateren dat je een bepaalde vaktaal niet beheerst. In 1992/1993 vertaalde ik de verhalenbundel Kolonien der Liebe van de Duitse schrijfster Elke Heidenreich, die dezer dagen 75 wordt. Een van die melancholieke liefdesverhalen over de grote thema’s des levens heet ‘Das Herz kaum größer als die Leichenfaust’ en bestaat uit drie delen: de beschrijving van de laatste gedachten van een vrouw die zelfmoord gaat plegen, de overpeinzingen van de achterblijvende partner en daartussenin een obductieverslag. Daarin staan passages als deze: ‘Die weichen Schädeldecken ohne Einblutungen, das knöcherne Schädeldach intakt. Die harte Hirnhaut bedeckt die Großhirnwölbung Glatt gespannt. Keine Blutung im Bereich des Schädelinnenraums.’ En dat bijna vijf pagina’s lang, ongeveer een kwart van het verhaal. Ik herinner me dat ik de tekst zelf met behulp van allerlei woordenboeken zo goed en zo kwaad als het ging vertaalde – en bij dit soort mededelingen moet je er altijd bij vertellen dat het internet moeilijk te gebruiken was voordat het bestond. Ik meen ook te weten dat ik best tevreden was, maar ik ging toch twijfelen. Ik belde het academische ziekenhuis van mijn woonplaats op met de vraag of ze me konden doorverbinden met een patholoog-anatoom. Dat deden ze, en ik kreeg iemand aan de lijn wiens naam ik helaas niet meer weet: ik kan geen correspondentie en ander papierwerk van deze vertaling vinden. Ik legde hem uit wat mijn probleem was, stuurde hem de tekst waar het om ging en mijn vertaling en kreeg na verloop van tijd een nieuwe versie terug. Die was volstrekt anders dan de mijne. In het volste vertrouwen monteerde ik de nieuwe tekst in mijn manuscript. De boven geciteerde passage klonk nu zo: ‘Subcutane weke delen van het schedeldak zonder bloedingen; het benige schedeldak intact. Geen subdurale afwijkingen. Geen intracraniele bloeding.’

Een stuk compacter, veronderstel ik nu, dan mijn versie en ook stukken geloofwaardiger. Helaas werd de titelzin van het verhaal, die ook in het Duitse obductieverslag voorkomt, in het Nederlands van de patholoog-anatoom heel wat minder poëtisch: ‘Het hart is niet vergroot’. Had ik daar niet iets aan moeten doen, vraag ik mij nu af – maar misschien heb ik dat toen ook al overwogen en verworpen. Wat ik in elk geval niet heb gedaan, en dat constateer ik na al die jaren hoofdschuddend en met spijt, is de behulpzame patholoog-anatoom in het boek vermelden. Ik meen wel zeker te weten dat ik hem een boek met een bedankje heb gestuurd. Hoe dan ook: slechts weinig lezers hebben zich afgevraagd hoe de vertaler van dit boek aan zijn specialistische kennis kwam, want het boek had geen lezers. Het werd het slachtoffer van machts-, beleids- en personeelswisselingen bij de uitgeverij, het kreeg een foeilelijk uiterlijk, de uitgever deed geen moeite voor het boek en het grootste gedeelte van de oplage verdween, zo neem ik aan, na verloop van tijd in de papiercontainer. En dat is best jammer, want het zijn mooie verhalen.

Vandiktebank
Soms kun je ook helemaal niet weten dat je iets niet weet. Toen Koos Schuur in 1964 de een jaar eerder verschenen roman Hundejahre van Günter Grass (1927–2015) vertaalde, kwam hij daar in een beschrijving van een meubelmakerij de volgende zin tegen: ‘Im Maschinenraum waren die Kreissäge, die Bandsäge, die Fräse, der Gleichrichter und die Hobelmachine noch kalt aber hungrig.’ In de vertaling, in 1965 verschenen onder de titel Hondejaren, staat dit: ‘In de machinezaal stond de cirkelzaag, de bandzaag, de freesmachine, de gelijkrichter en de schaafmachine nog koud, maar hongerig.’ Ik frons mijn wenkbrauwen bij het woord ‘machinezaal’, maar voor de rest had ik het ook zo of zo ongeveer gedaan, vermoed ik. Maar ik kreeg nog een kans om het anders te doen, want in 2002 laat Grass in zijn novelle Im Krebsgang de meubelmakerij, haar personages en haar apparatuur terugkeren. Het werk van Grass is immers een verzameling rode draden; in zijn postuum verschenen maar helaas nog niet vertaalde boek Vonne Endlichkait (2015) komt de beschrijving opnieuw voor. In Im Krebsgang staat het zo: ‘eine Tischlerei, deren Arbeitsgeräusch von einer Kreis-, einer Bandsäge, der Fräse, der Hobelmaschine und den wummernden Gleichrichter bestimmt wurde’.

Toen de wereldwijde vertalers van Grass eind maart 2002 in Lübeck bij elkaar kwamen voor hun traditionele bespreking van het nieuwe boek, kregen we bij deze passage te horen dat het bij de ‘Gleichrichter’ in de opsomming niet gaat om het apparaat dat wisselspanning omzet in gelijkspanning, maar om ‘eine große Hobelmaschine, in der ganze Bretter und Balken glattgehobelt wurden, begleitet von einem heulenden Geräusch’ (ik citeer uit het verslag van onze bijeenkomst). En dan moet je dus op zoek. De woordenboeken en andere naslagwerken boden bij ‘Gleichrichter’ niet de meubelmakersmogelijkheid aan, en dus moest het via de omschrijving. Mijn conclusie was dat het een vandiktebank moest zijn. Ik was tevreden met zo’n mooi vaktaalwoord. Ik hoop, nu ik weer wat zit te zoeken en bladeren, dat die tevredenheid terecht was. Had ik verder moeten zoeken? Zou het kunnen dat het woord Gleichrichter alleen in de herinnering van Grass betekende wat hij dacht dat het betekende? Of was het een heel erg specifiek regionale of lokale benaming voor het apparaat in Danzig en omgeving?

Bestaan er, om daar achter te komen, misschien handboeken die de geografische en taalkundige verspreiding van houtbewerkingsgereedschap in kaart brengen? Het zou kunnen, want er liggen hier wat proefschriften voor me die dat best aannemelijk maken. Aleide Henka van Vessem promoveerde in 1956 in Leiden op Oogstgerei-benamingen. Een taalgeografisch onderzoek met 14 kaarten, en het gaat dan niet om oogstgerei in het algemeen, maar om de zeis. Hoofdstukken van de dissertatie heten dan ook bijvoorbeeld ‘Het blad van de zeis’, ‘De steel van de zeis’ en ‘De handvatten van de zeis’. Vijftien jaar later doctoreerde Th.H. van Doorn in Nijmegen op de Terminologie van riviervissers in Nederland. Stel je voor dat je de memoires van een nazaat van Duitse riviervissers vertaalt, dan is het een hele geruststelling om te kunnen ontdekken dat de ‘stokken met stalen bek aan de strijkblokken en met scharnieren aan het dek bevestigd, die dienst doen bij het strijken van de mast’ in de taal van de riviervissers ‘bokkepoten’ heten. Enzovoort.

Waarmee ik eigenlijk alleen maar wil zeggen: je moet je er als vertaler niet bij neerleggen dat je niet weet wat je niet weet. Maak in je hoofd ruimte voor een what-not en zet hem vol met van alles, dan kun je er alle kanten mee op.

 

Bibliografie
Doorn, Th.H. van. 1971. Terminologie van riviervissers in Nederland. Assen: Van Gorcum & Comp. N.V. – Dr. H.J. Prakke & H.M.G. Prakke.

Gielkens, Jan. 2017. ‘De drie vertaallevens van Koos Schuur’, Filter. Tijdschrift over vertalen, 24:2, p. 3–12.

Grass, Günter. 1963. Hundejahre. Roman. Neuwied am Rhein/Berlin: Hermann Luchterhand Verlag.

Grass, Günter. 1965. Hondejaren. Roman. Vertaald door Koos Schuur. Amsterdam: Meulenhoff.

Grass, Günter. 2002. Im Krebsgang. Eine Novelle. Göttingen: Steidl.

Grass, Günter. 2002. In krabbengang. Vertaald door Jan Gielkens. Amsterdam: Meulenhoff.

Heidenreich, Elke. 1992. Kolonien der Liebe. Erzählungen. Reinbek bei Hamburg: Rowohlt.

Heidenreich, Elke. 1993. Liefdeskoloniën. Vertaald door Jan Gielkens. Amsterdam: Bert Bakker.

Vessem, Aleida Henka van.1956. Oogstgerei-benamingen. Een taalgeografisch onderzoek met 14 kaarten. Assen: Van Gorcum & Comp. N.V.-G.A. Hak & Dr. H.J. Prakke.

 

Reageren? info@tijdschrift-filter.nl.