De geheime tuin is een geliefd boek, een klassieker die al vier jaar in de Grote Vriendelijke Honderd staat, en door schrijvers als Annet Schaap een favoriet wordt genoemd. En dat is goed te begrijpen: de twee hoofdpersonen, het onaangename weesmeisje Mary uit India en haar hypochondrische neef Collin, maken een spirituele en fysieke transformatie door als ze een ommuurde, afgesloten tuin hebben gevonden. Als daar alles gaat groeien en bloeien, worden zij sterker en sympathieker. Het verhaal, met hoofdrollen voor een mopperende tuinman, een toegankelijk roodborstje en Dickon, de jongen die met dieren praat, is geweldig.
Kanttekeningen zijn er ook, want de systeemverandering waarvan het boek zelf de noodzaak lijkt aan te kaarten blijft uit, na de tuinervaring blijft het patriarchale systeem gewoon bestaan – de zoon van de landheer krijgt alle aandacht, Mary en Dickon verdwijnen naar de achtergrond. In de podcast bespreken we hoe de recentste bewerking van Margaretha van Andel aan die bezwaren tegemoet komt. Maar in alle versies blijft de magische aantrekkingskracht van de natuur groots.
Beluister hier aflevering 5 van De Vertaalzolder: 'tDeugtalweerniet
Zeven vertalers/bewerkers
De eerste naam is al gevallen, of eigenlijk de nieuwste. Het begint natuurlijk met Frances Hodgson Burnett (1849-1924) zelf, een productieve Engels-Amerikaanse schrijver van vooral volwassenliteratuur en drie beroemde kinderboeken: The Secret Garden, Little Lord Fauntleroy (1886) en A Little Princess (1905). De eerste, geautoriseerde vertaling van het boek was in 2012 van Gerardina Wilhelmina Elberts (1868-1945), die ook Louise M. Alcott vertaalde. Pas in 1960 volgde Elsa Veegens-Latorfs vertaling, die in druk bleef tot in 2023. Veegens-Latorf (1902-1975) vertaalde boeken van onder anderen Ernest Hemingway, Ines Hammond, Christopher Isherwood en Iris Murdoch.
Ruth Wolf (1918 - 1995), de Kafka-vertaler die ook Karen Blixen, Thomas Mann en Rosemary Sutcliff vertaalde, vertaalde het boek vervolgens in 1975 (met nog in 2022 een herdruk), en kort daarop, in 1977, verscheen er een van Ary Verhaar. Ik vermoed dat deze Verhaar, die ook Jules Vernes’ Reis om de wereld in tachtig dagen vertaalde, de bekroonde pianist en componist (1900-1994) is, die bij dezelfde Haagse uitgever A.C. Kruseman boeken publiceerde. Zeven jaar later, in 1984, verschijnt er een bewerking door de kinderboekenschrijfster Els Pelgrom (1934). En dan is het heel lang stil - tot in 2019 de vertaling van Imme Dros (1936) verschijnt, en in 2022 de bewerking van Margaretha van Andel (1959). Zij hebben dan al hun sporen verdiend als kinderboekenschrijvers, vertalers en hervertellers.
We hebben het in de podcast vooral over die twee nieuwste vertalingen. We kijken naar hoe ze omgaan met het Yorkshire dialect, frases die je racistisch kunt lezen, en de grotere kwestie of je een disbalans in een verhaal moet herstellen in je bewerking. En natuurlijk waarom er überhaupt hervertalingen zijn.
Maar in deze Vrijdag Vertaaldag is meer ruimte om álle vertalingen naast elkaar te leggen. Ik zoom graag in op een moment vroeg in het boek, als Mary bij het buitenspelen bevriend is geraakt met een roodborstje - een gegeven dat Hodgson Burnett autobiografisch noemde -, net vóór het vogeltje haar naar de sleutel van de geheime tuin leidt.
1911 en 1912: Hodgson Burnett en Elberts
Eerst het fragment in het origineel:
‘You do remember me!’ she cried out. ‘You do! You are prettier than anything else in the world!’ She chirped, and talked, and coaxed and he hopped, and flirted his tail and twittered. It was as if he were talking. His red waistcoat was like satin and he puffed his tiny breast out and was so fine and so grand and so pretty that it was really as if he were showing her how important and like a human person a robin could be. Mistress Mary forgot that she had ever been contrary in her life when he allowed her to draw closer and closer to him, and bend down and talk and try to make something like robin sounds.
Er is in het boek een aardig spel met een kinderliedje, ‘Mary Contrary’, dat voor het nukkige meisje door plagerige andere kinderen wordt gezongen, en waarnaar Hodgson Burnett regelmatig verwijst. Hoe je dat vertaalt, werkt dus een boek lang door. Elberts gaat heel letterlijk voor Juffrouw Contrarie, Veegens-Latorf voor Mary Wil-niet, Dros voor Juffrouw Mary ’tDeugtalweerniet, Van Andel voor Mary Snibbesnuit. In deze passage wordt er vaak ook naar verwezen, als het begin van een genezing van die nukkigheid: ‘Mistress Mary forgot that she had ever been contrary in her life.’
‘Je herkent me dus wel!’ riep ze. ‘Heusch? Ik heb nog nooit in mijn leven zoo’n aardig diertje gezien!’
Ze praatte en vleide en trachtte te sjilpen, en het roodborstje wipte en kweelde en roerde zijn staartje als om haar te antwoorden. Zijn roode vestje glansde als satijn en hij zette zijn borstje op en was zoo mooi en parmantig en aardig, dat het werkelijk leek, alsof hij haar eens wilde toonen, hoe’n belangrijk persoontje een roodborstje wel wezen kon. Mary vergat dat ze ooit in haar leven ‘Juffrouw Contrarie’ geweest was, terwijl het diertje haar steeds dichter bij zich liet komen en onderwijl allerlei vriendelijke vogelgeluidjes maakte.
Elberts’ Nederlands uit 1912 kan een poetsbeurt gebruiken, maar is wel behoorlijk getrouw. Wat mij opvalt: herkennen en herinneren zijn toch wel door een enkele nuance gescheiden. En waarom dat ‘trachten’, dat komt in het Engels pas een paar zinnen later? Hier laat Elberts die frase van het roodborstjesgeluiden maken weg. En waarom dat heerlijk korte zinnetje, dat het leek alsof hij sprak, in een langere zin verwerken?
1960-1983: Veegens-Latorf
Elberts’ vertaling werd een aantal keer herdrukt, maar na de derde druk van 1922 bleef het stil. Dat maakte de vertaling van Veegens-Latorf in 1960 wel extra urgent. Het idioom van 1912 (‘heus’, ‘trachten’, ‘parmantig’, ‘contrair’) was inmiddels wel verouderd. Deze nieuwe vertaling verscheen bij uitgeverij V.A. Kramers, maar de editie die ikzelf als kind gelezen heb, moet de Christofoor-editie van 1983 zijn. Inmiddels is daar ook een Rainbow-uitgave van geweest, en daar staat:
‘Je weet nog wie ik ben,’ riep ze uit. ‘Echt! Ik heb nog nooit zoiets schattigs gezien!’ Ze probeerde ook te tjilpen, en ze praatte en vleide, en hij hipte en wipte met zijn staartje en kwetterde terug. Het was net of hij praatte. Zijn rode bekje leek wel van satijn en hij zette zijn borstje op en was zo grappig en parmantig, dat het net leek of hij haar eens wilde laten zien hoe gewichtig en menselijk een roodborstje wel kon zijn. Mary vergat dat ze ooit in het leven ‘Mary Wil-niet’ was geweest. Hij liet toe dat ze steeds dichter bij hem kwam en ze bukte zich en babbelde en probeerde een soort roodborstjesgeluidjes te maken.
Veegens-Latorf is letterlijker en moderner dan Elberts. Maar ook bij haar ‘probeert’ Mary al meteen in het begin te tjilpen. Het is ook een gekke volgorde, dat ze eerst daadwerkelijk ‘chirps’ en pas daarna probeert roodborstgeluidjes te maken. Maar zo staat het er nu eenmaal in het Engels!
In dit zoek-de-verschillen-voor-gevorderden valt mij verder de vertaling voor ‘waistcoat’ op, het mouwloze onderjasje in een driedelig pak, of vest. Dat is een heel menselijke aanduiding van wat je normaliter borst of buik zou noemen bij een vogel. Lars Svensson zegt in zijn standaardvogelgids (bewerking en vertaling Arnoud B. van den Berg): ‘oranjerood “gezicht” en oranjerode kin, keel en borst’. Met ‘bekje’ zit Veegens-Latorf dus anatomisch wel in de goede hoek, en het is begrijpelijk dat ze iets zoekt om te contrasteren met ‘tiny breast’. Maar ze laat dat menselijke kostuum schieten, wat nu zo mooi preludeert op een frase iets verderop: ‘He knew it because he was a real person—only nicer than any other person in the world.’ Veegens-Latorf: ‘Hij wist het, omdat hij net een klein mensje was – alleen veel aardiger dan alle andere mensen.’
En misschien lees ik er te veel in, maar ik zie een tegenstelling tussen Mary’s kwalificatie van het vogeltje (‘pretty’) en de openingszin van het boek, over haarzelf: ‘When Mary Lennox was sent to Misselthwaite Manor to live with her uncle everybody said she was the most disagreeable-looking child ever seen.’ Dat gaat duidelijk over uiterlijk, en alleen Ary Verhaar zal het in de eerste zin over ‘het meest onaangename kind’ hebben zonder referentie aan lelijkheid. Volgens mij moet je ‘pretty’ daarom niet zo breed trekken dat het ‘leuk’ of ‘vriendelijk’ is, en of het een bewuste keuze is of niet: alleen Elberts en Veegens-Latorf kiezen in hun woorden over het vogeltje nadrukkelijk niet voor schoonheid.
1975, 1977 en 1984: Wolf, Verhaar en Pelgrom
Ruth Wolfs vertaling verscheen aanvankelijk bij uitgeverij Kosmos, later bij Arachne, en ten slotte bij Solo.
‘Je kent me nog!’ riep ze. ‘Ja, je kent me nog! Wat ben jij een mooi lief beestje!’
Ze tsjilpte en praatte en vleide en hij hipte in het rond, wipte met zijn staart en kwetterde. Het leek net alsof hij praatte. Zijn rood vestje was als van zij, hij zette zijn borstveertjes op en was zo sierlijk en deftig, zo mooi, alsof hij haar eens goed wilde laten merken hoe gewichtig en menselijk een roodborst wel kon zijn. Mary vergat al haar dwarsheid toen hij haar steeds dichterbij liet komen; ten slotte boog ze zich naar hem over, praatte zacht en probeerde roodborstgeluidjes te maken.
Het is ingewikkeld zo’n menselijk diertje aan te duiden als ‘iets’, in navolging van ‘prettier than anything else in the world’, en alleen Veegens-Latorf en Dros houden daaraan vast. Voor de andere vertalers is het een diertje, beestje, roodborst.
Een andere overeenkomst: dit is nu al de derde vertaling waarin Mary ‘vleit’, kan dat wel zonder meewerkend voorwerp? We zullen zien dat ook Imme Dros niet aan deze vertaling voor ‘coax’ ontkomt. Ik vraag me af hoe kinderen dit woord begrijpen, maar ik twijfel niet over het woord ‘zij’, dat schept inmiddels vooral verwarring. Wolfs ‘Mary Contrary’-oplossing daarentegen is soepel: ‘Mary vergat al haar dwarsheid’.
Verhaars vertaling, bij Kruseman dus, is heel veel vrijer, dusdanig dat ik telkens weer twijfel of deze passage wel correspondeert met de stukken bij de andere vertalingen. Verhaar legt Mary allerlei gedachten in het hoofd - en het roodborstje trouwens ook.
‘O,’ riep zij. ‘Ben jij het? - ben jij het?’ En het kwam haar volstrekt niet voor dat zij met een vogeltje sprak, want zij was er zeker van dat het zou begrijpen en antwoord geven.
Het gaf antwoord. Het kweelde en kwetterde en huppelde over de muur, alsof het van alles te vertellen had.
Mary begon te lachen en toen het opsprong en kleine cirkeltjes ging trekken rond de muur, holde zij achter het vogeltje aan.
‘Ik hou van je! Ik hou van je!’ riep zij uit; en zij tsielpte en probeerde te fluiten, hoewel zij geen idee had, hoe je zoiets klaarspeelt. Maar het roodborstje scheen erg in zijn schik te zijn en het kweelde en floot naar hartelust.
Die liefdesverklaring komt me volstrekt nieuw voor, terwijl het natuurlijk een variant is voor ‘You do! You are prettier than anything else in the world!’.
Pelgroms aanpak, zeven jaar later, is een heel andere. Verhaar maakte dan wel een vrije vertaling, dit is de eerste echte bewerking van het boek. Pelgrom schoof aan in de Wenteltrapreeks van Wolters-Noordhoff, voor moeilijk lezende kinderen, met ook bewerkingen van Hector Malot, Mark Twain, Jules Verne, Arthur Conan Doyle en R.L. Stevenson. Ze bewerkte een eigen favoriet, Selma Lagerlöf, en daarnaast boeken van Astrid Lindgren en Frances Hodgson Burnett. De zinnen worden heel veel simpeler, woorden worden soms opgedeeld (‘land-goed’) en de hoofdpersonen heten Merel, Koen, Ben Weerstaf en Dik.
En bij die plek zag Merel het roodborstje weer. Het hipte over de rand van de muur. En het floot en het tjilpte!
‘Hallo!’ zei Merel. ‘Ik vind jou toch zó leuk!’
Ze probeerde te fluiten, maar dat kon ze niet.
Fluiten roodborstjes? Ik begin opeens fundamenteel te twijfelen. Alle vertalers doen hun best een verschil te vinden tussen ‘to chirp’ en ‘to twitter’, al lijken me die termen beter passen bij respectievelijk huismussen en boomklevers. Svensson noemt het gewoon zang.
In ieder geval gaat Pelgrom de complexiteit van het gesprek tussen mens en dier niet aan, dat mogen kinderen zelf bedenken. Maar niet, net als bij Verhaar, of het trachten en proberen succesvol is. ‘Hoewel zij geen idee had, hoe je zoiets klaarspeelt.’ ‘Dat kon ze niet.’ Weg magie.
2019 en 2022: Dros en Van Andel
Heel gek is het niet dat vier decennia later een andere uitgeverij en een andere vertaler de handschoen weer oppakt. Dros, wier bewerkingen van de klassieken en vertalingen van moderne kinderliteratuur veelgeprezen en -gelezen zijn, is duidelijk voor Hodgson-Burnett gevallen. Ze is getrouw en toegankelijk, in directe competitie met Veegens-Latorf, maar niet volledig:
‘Je kent me nog,’ riep ze. ‘Ik zie het! O, wat ben je mooi, het mooiste wat er op de wereld bestaat.’ Ze tjirpte en praatte en vleide en hij liet zijn staart wippen, hupte en tjirpte terug. Het was of hij iets vertelde. Zijn rode veertjes glansden en hij zette zijn borst op alsof hij haar moest laten zien hoe belangrijk een roodborstje wel was. Mary boog zich voorover en tjilpte roodborstjesachtig terug.
Dros kiest dus voor ‘veertjes’ voor ‘waistcoat’, ook een logische keuze met verlies. Maar vooral vervalt de drieslag ‘so fine and so grand and so pretty’. In oudere vertalingen moest dat met woorden als ‘parmantig’, ‘sierlijk’ en ‘deftig’, die kunnen we ook inhoudelijk missen, maar Dros corrigeert hier wel een bewuste stijlkeuze van Hodgson Burnett. Ook de verwijzing naar het nukkige liedje ontbreekt, en Mary probeert het niet, ze máákt die geluiden. Toch behoudt Dros het gesprek: het diertje vertelt iets, Mary tjilpt terug.
Ik geloof dat dat mijn grootste gemis is bij Van Andels bewerking: het roodborstje wordt meer een object, niet iets intelligents dat Mary herkent, en met wie ze in gesprek gaat.
‘Je bent de allermooiste roodborst van de wereld,’ verzekerde ze hem. Hij tjilpte en kwetterde en was het duidelijk met haar eens was, en toen blies hij zijn kleine, oranje borst op om te bewijzen dat hij niet alleen de mooiste, maar ook de belangrijkste roodborst ter wereld was.
Dat bezwaar is niet essentieel voor de waardering van haar bewerking, dat moet ik meteen zeggen, want ook Van Andel weet over te brengen hoe machtig die natuur kan zijn. Maar deze vroege interspecies-communicatie, wat ook klassieke kinderboeken onderscheidt van volwassen romans, vervalt. Dus wie die magie wil voelen van in gesprek te te zijn met een vogeltje, die kiest niet voor de bewerkingen.
Bibliografie vertalingen
1912: Frances Hodgson Burnett, De geheime tuin, vertaald door G.W. Elberts (A.W. Sijthoff)
1960: Frances Hodgson Burnett, De geheime tuin, vertaald door Elsa Veegens-Latorf (V.A. Kramers) [NB: in de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek staat 'nieuwe Nederlandse bewerking naar het Engels']
1975: Frances Hodgson Burnett, De geheime tuin, vertaald door Ruth Wolf, met illustraties vanKaren Bodenhausen (Kosmos)
1977: Frances Hodgson Burnett, De geheime tuin, vertaald door Ary Verhaar (Kruseman)
1984: Frances Hodgson Burnett, De geheime tuin, naverteld door Els Pelgrom, met illustraties vanMance Post (Wolters-Noordhoff)
2019: Frances Hodgson Burnett, De geheime tuin, vertaald door Imme Dros, met illustraties van Linde Faas (Leopold)
2022: Frances Hodgson Burnett, De geheime tuin, bewerkt door Margaretha van Andel, met illustraties van Daphne Louter (Lemniscaat)